donderdag 29 juli 2010

7. - Eén enkel ogenblik


De weg te beginnen vraagt één enkel ogenblik. Het is het ogenblik dat Paulus bedoelt als hij zegt: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. In een punt des tijds, in een ogenblik.
Ook in Ezra staat dat er, als een klein ogenblik, ons een genade geschied is, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in de heilige plaats om onze ogen te verlichten en ons een weinig levens te geven.
Wat Paulus met de aanduiding 'wij zullen wel niet allen ontslapen, bedoelt zal slaan op Ps. 13:4, dat luidt: ... 'mijn God, verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape'.
De zelfverandering die door wilsomkeer plaatsvindt leidt niet bij een ieder direct tot de overwinning van de dood maar wel uiteindelijk tot het gevolg ervan. Want niet sterven in de dood betekent: in het bewustzijn te ervaren dat de dood het leven niet vermag te onderbreken, zodat een mens daardoor het eeuwige leven zal kennen.
In Ezra is sprake van de bouw van de tempel en de aanduiding dat ons een nagel gegeven is ter ontkoming duidt op het bouwen in ons lichaam, d.w.z. in onze ziel aan de tempel die wij zelf moeten worden. Niet alleen Jezus spreekt over de tempel van zijn lichaam maar ook Paulus: Weet gij niet dat ge Gods tempel zijt?
Deze tempelbouw duidt niet op een eigen persoonlijk tempeltje maar betreft het bouwen aan de verborgen tempel der mensheid, waaraan ieder mensenkind een steentje kan bijdragen.
Het feit dat een mens werkelijk deze weg kiest, het begin zijner zelfverandering, wordt als een genade en redding beschouwd en tegelijkertijd als een innerlijke noodwendigheid die de enige mogelijkheid is uit de doolhof van de wereldintrige te geraken en deel te krijgen aan de harmonie van het geheel, de niet te verstoren eenheid van het licht van de geest.
Hij moge dan aanvankelijk nog zo vervreemd zijn van zijn oorsprong hoewel zijn eigen leven er in geworteld is, naarmate hij meer de duisternis der innerlijke onbewustheid met de vastberadenheid van zijn besluit en de volharding van zijn vernieuwend geloof tegemoet gaat, zal hij des te zekerder de bres doorbreken in de afgescheidenheid van het dodelijk bestaan.
Op die weg komen wij op een wijze die niet misverstaan kan worden tot de erkenning dat wij het zelf zijn die ons in deze zo vaak beschimpte kwalijke toestand gebracht hebben. In dat geval houdt ieder zelfbeklag op en redt de mens zich uit de vernederende verstikking van zijn zelfmedelijden.

Het is de gouden nagel van onze geestesvonk die ons hier de weg doet herkennen. Alle bijgeloof dat het andere machten en krachten zijn die ons parten gespeeld hebben of ons willen vernietigen, lost op. Wij deden en doen het alles zelf en houden door ons liefdeloze oordeel situaties in stand die altijd weer de kiem der vernietiging en wanorde in zich dragen. Wij zijn het zelf die toelaten dat wij tot slaaf en onderhorige gemaakt worden. Wij zijn het die ons met een lichaam bekleed hebben dat wemelt van angsten die wijzelf in onze verbeelding en denken vorm gaven. De wereld is vergiftigd met angst en de oorzaak daarvan is dat ieder mensenkind het zijne ertoe bijdraagt. Als er honderd fabrieken zijn die de lucht verontreinigen dan zal dat alleen lokaal een last veroorzaken. Maar zijn er duizenden en miljoenen (en een auto is ook een luchtvergiftiger) dan wordt het moeilijk een gezonde leefruimte te vinden.

Zo zijn er vele mensen niet anders dan angst en zorgenfabrieken. Eigenlijk weet een ieder wel dat hij altijd verantwoordelijk is voor zijn eigen leven. Natuurlijk kunnen wij spreken over de macht der onbewustheid en der duisternis. Maar is onwetendheid een excuus? Sinds eeuwen geldt in het Oosten avidya = onwetendheid als de grootste zonde. Wij zeggen: wat niet weet wat niet deert. Maar wat wij niet weten moge onszelf dan niet deren (wat nog te bezien is maar het deert een ander omdat wij machteloos staan als er wat gebeuren moet dat een ander helpen kan. Beademing van mond tot mond heeft menig mens gered. Welnu, er is ook een beademing van ziel tot ziel.
Wij scheppen altijd tegenstellingen als wij beweren dat het een ander is die het heeft gedaan en niet wij zelf. Doordat wij een ander aansprakelijk stellen leven wij direct in tweedracht en is de eenheid die harmonie is, verbroken. Wij leven in een verbroken harmonie. Wij geloven in de meeste gevallen alleen maar in de man en de vrouw en vergeten dat zij mensen zijn. Wij geloven in het licht en de duisternis en geloven niet in de ene klank die uit beider inwerking voortkomt. Zo is het ook met goed en kwaad. Wij durven het kwaad niet bewust in ons te betrekken en op te nemen in onze menselijkheid opdat het zich verzoenen zal met het goede dat er is en waaruit een nieuwe gestalte wordt geboren. Als ik mij met mijn angsten verenig en daardoor hun oorsprong bewust word krijgen deze afbrekende krachten een nieuwe functie in het ontstaan van het innerlijk evenwicht. In de werkende eenheid is alles één. Er is niets dat er buiten valt. Maar het kwaad is dan geen kwaad meer en het goed niet eenzijdig goed. Goed is één en één is God. Laten wij ons bewust worden van de levende God waarin geen goed en geen kwaad is omdat de afzonderlijke begrippen hebben opgehouden te bestaan. Als wij iemand beoordelen als slecht, zijn wij het die het slechte een afzonderlijke plaats geven en als zodanig op een mens projecteren. Maar in het bewustzijn van de levende God gaat alles wat wij kwaad noemen teniet en blijft alleen het ene over. In ons oordeel over anderen, waarin wij die anderen bepalen of vastprikken komt dan noodzakelijk de idee dat wij veel beter zijn dan wat wij veroordelen. In de eenheid is dit alles niet. Het is er in opgelost en er is geen oordeel meer. Waar wij in gevangen zitten zijn onze vooroordelen en deze worden in ons brein geboren. In het bewustzijn van ons verstand leven wij in afgescheidenheden en daar is het waar het kwaad gevormd wordt. Kwaad noemen wij wat ons schaden kan. Maar in ons binnenste rijk kan niets meer ons schaden omdat wij niets te vrezen hebben.

Wij ontwaken in een nieuwe wereld tot een nieuw leven, waar de dood niet heerst al zouden wij er duizend doden voor gestorven zijn. Alles wordt ons daar helder en duidelijk en het is onbegrijpelijk, wat wij ervaren, voor ons brein omdat dit het niet bevatten kan. De ziel kan het bevatten en deze vervult ons lichaam, zodat alle organen er deel aan krijgen. Het begrip op zichzelf is dood als een loze vorm. Daarom willen wij het begrip maken tot een levend woord, dat speelt en schept en leven schenkt.
Als ik dorst heb, heb ik water nodig en niet een begrip. Water is geen begrip. Water is iets dat mijn dorst lest. Zo is het met alles in het leven. Leven is geen begrip, maar leven. En leven begrijp ik niet, maar ik leef. Ik ben ervan vervuld en gevoel het niet alleen in mijn lichaam maar ook in mijn ziel. En dat het is in de woorden die ik schrijf omdat het leven uit mij opwelt en vorm aanneemt in dit woord. Maar het leven zelf doorstroomt, doorstraalt, doorlicht mij en ik ken er uit ervaring de oorsprong van en die oorsprong noem ik God. De mens leeft in God en hij is het zich niet bewust. Daarom moet hij zoeken in de donkerte van zijn onbewustheid, hij moet de weg in zichzelve zoeken en zien te ontwaren dat 'het licht in de duisternis schijnt'. Heeft hij een weinig van dat licht gevonden door liefde en aandacht ervoor, dan zal hij telkens weer dit sprankje opzoeken in zichzelve en er altijd naar uit blijven zien, als een geliefde naar zijn geliefde. Want het geliefde is als licht. Hij maakt het licht tot zijn geliefde en daarin is de heiligheid van het Hooglied en van Dante en Beatrice en van Tutu en Ani in het Egyptisch Dodenboek. Voor ieder mensenkind schijnt er een licht, niet als een begrip in zijn hoofd, maar als iets levends en opwekkends in zijn ziel. Dit laat zich eenvoudigweg niet verduisteren. Hij zal het voortdurend willen als hij de ambrozijn ervan eenmaal gegeten heeft en de nectar ervan geproefd. Dit is een licht en een liefde die geen roes veroorzaken maar die helder schijnen en meer naarmate het bewustzijn sterker wordt en het dus beter kan verdragen. Alles wordt tenslotte opgenomen in het licht. Alle ergernis, alle haat, alle onverzoenlijkheid, alle afgescheidenheid en alle oordeel en afzonderlijkheid. Want u begrijpt toch dat daarin geen enkele discriminatie is. Daarom: God omvat alle mensen en de mensen weten niet hoe veilig ze zijn. Alle afgescheidenheid gaat in het oorspronkelijk lichtbewustzijn teniet, alle begrippen die wij gevormd hebben komen in hun ijver toch maar te willen voortbestaan tot rust. Alles wordt ineens een schoon en harmonisch mozaïek waar de donkere en de lichte effecten op hun plaats zijn. Ook de hel is in die visie opgenomen en zelfs wat een mens buiten de hel plaatste, als niet in aanmerking daarvoor komend, als het bestaan der lauwen, zij zijn alle gerangschikt en precies waar zij zijn moeten in het geheel.

Daarom: leef in het geheel dat het licht is. Dit licht is de allerbinnenste essentie van het leven. De allerbinnenste essentie van het leven is God en het is de mens die dit in zijn allerinnerlijkste binnenste van zijn eigen leven kan beleven. Een mens, een ieder is geworteld in het rijk van de geest, het lichtrijk 'een ieder mens komende in de wereld', staat er in het Johannes-evangelie. Dit is waar want als iemand het ernstig is gaan zoeken zal hij dat als waarheid bevinden en het is een onverzettelijke waarheid. Een eeuwig feit. Daarom probeer ik dit op allerlei mogelijke wijzen te zeggen om het in zo veel mogelijk talen te vertalen. Ook is dit niet waar sinds de geboorte van een bepaald mens of voorganger, wie dat dan ook is. Is er niet over gesproken als: voor de grondlegging der wereld? Geen enkele groep of vereniging kan zich het recht voor zich alleen aanmatigen in dit geval te beschikken over het licht der wereld. Zelfs een christen niet. Velen noemen zich christenen maar beantwoorden niet aan dit levend, stralend en werkend beginsel dat hun in aanraking zou moeten brengen met het waarachtige zijn dat is van eeuwigheid tot eeuwigheid, waarin geen verlies meer te betreuren valt maar dat van de grootste gelukzaligheid is ook temidden van een verduisterde wereld. Want dit is het verrassende. Indien een mens naar aanleiding van dat woord gaat zoeken naar het licht der wereld dat met zijn geboorte hier een entree heeft gemaakt dan zal hij het zeker vinden. De moeilijkheid is alleen dat hij de afgescheidenheid overwint die hem van zijn oorsprong scheidt, een afgescheidenheid die voor hem aanvankelijk ondoordringbaar en ondoorbreekbaar lijkt en die toch opgeheven worden kan. Dat een mens hierbij de hulp inroept van Christus of een Heiland waarin hij zijn geloof heeft is heel begrijpelijk en ligt zelfs voor de hand. Ik zou haast zeggen, zonder die hulp redt hij het niet. Het gaat hier immers niet om het 'alleen doen' uit een soort van eerzucht van: dat varkentje kan ik alleen wel wassen. Hij zal tot de ontdekking komen dat de nood waarin hij naar zijn afgescheidenheid verkeert zeer dwingend en zeer dreigend zijn kan. Dit is weliswaar een spel in zijn verbeelding van die duistere machten zelf waaraan hij dan is uitgeleverd, maar het ligt voor de hand dat hij alle hulpmiddelen te baat neemt om onder die dwangmatige toestand van lijden of vereenzaming uit te komen. Want wat een mens zelf aanricht om die afgescheidenheid te beladen en te belasten grenst aan het ongelooflijke. De hardheid van zijn oordelen hetzij t.o.v. zijn medemensen of t.o.v. zichzelf of van een andere vermeende godheid is menigmaal als graniet. Daarop is hij dan nog trots ook en zal zelfs zeggen: dat is de rots waarop ik mijn huis gebouwd heb. Dan blijkt het achteraf een erg kale onvruchtbare rots te zijn omdat hij dacht: de ondoordringbaarheid van Gods rijk bestaat uit deze heiligheid. Hoe weinig weet hij van heiligheid die van een zeer zachte, innige, uiterst gevoelige en subtiele substantie is zo, dat uit haar natuur er niets verraderlijks mee gebeuren kan. Het heilige is de onaantastbaarheid en in die zin de ondoordringbaarheid van Gods substantie waarin het vorm aanneemt in de mens om zich mede te kunnen delen omdat liefde een zich schenken het inwezen Gods is. Niet de plant is de aarde waarin zij geworteld is maar zij betrekt haar krachten uit het aarderijk. Zo is niet de mens God maar hij is geworteld in zijn rijk en daardoor kan hij, door zich dat te herinneren en er in overeenstemming mee te leven, deel krijgen aan het licht en de liefde die er het inwezen van zijn. Inderdaad Ezra zei het heel bescheiden: - 'om ons een weinig levens te geven'. Met dat weinige is het zo gesteld dat als de mens het leert kennen het hem als onbegrijpelijk veel voorkomt en zijn dankbaarheid ervoor overstromend wordt.

Dus moeten wij de duisternis binnengaan waarin het licht verborgen schijnt. Dat is het afschrikwekkende. Menigeen zegt: 'Dank je hartelijk om de duisternis binnen te trekken en naar een licht te zoeken dat ik helemaal niet zie en waarvan ik niets weet. Wie zegt mij of je niet wat praat omdat je je dat verbeeldt of omdat je je dat met een levenslange halsstarrigheid hebt wijsgemaakt? Als je jezelf een leugen hebt opgedrongen en je houdt het maar strak en stijf vol, dan neemt tenslotte je onderbewustzijn die leugen tot zich en realiseert ze op zijn manier'. Je eigenlijke geest en geweten weet wel beter.Die accepteert geen zelfmisleiding maar wordt door de harde en brutale dwang der leugen in een hoek gedreven. Maar de wet van het onderbewustzijn leert dat alles wat je er in afdrukt er op een of andere onverwachte wijze ook weer uitkomt, al was het een draak met zeven koppen. Daarom lijkt die auto-suggestieve instelling van 'het koninkrijk is binnen in mij' als argument aanvankelijk steekhoudend. Maar als de draak er dan uitgekomen is is, misschien wel schoon versierd met een drakerige muil die rook en vuur spuwt en hij zich als zodanig heeft voorgedaan in een droombeeld of in drakerige gedragingen, dan is het daarmee ook afgelopen of de drakendromer moet dan een denkabonnement op hem nemen en het beeld zonder onderbreken blijven voeden. Maar hoe moet het verklaard worden als iemand beweert dat hij in zich het rijk Gods gevonden heeft en het licht en de zuiverheid, de kracht en de heerlijkheid ervan beleeft, niet omdat hij het als bij een computer van buitenaf erin stopt maar omdat hij het zich van binnenuit als de grootste realiteit vermag te openbaren, een werkelijkheid waartegen iedere andere realiteit teniet gedaan wordt omdat het een aloverwinnende werkelijkheid is. Dit zou een zeer gelukkige situatie opleveren, niet van een zelfzuchtige en verstarde onverstoorbaarheid, maar die van die merkwaardige zekerheid waarin de mens weet dat hij op een wijze liefheeft die door niets en niets onderbroken worden kan. Dit is een stralende en zeer positieve werkzame onverstoorbaarheid. Dit stelt hem in staat bij wijze van beproeving, de diepste verlorenheid te doorstaan, waarin hem iedere hoop, iedere verwachting naar toekomende dingen, iedere eerzucht van te willen bereiken of te willen bezitten uit hoofd en hart geslagen wordt. Want het koninkrijk deelt zich mede aan hem die zich leeg gemaakt heeft van iedere verwachting, van iedere sentimentaliteit en van ieder machtsgevoel. Hij zal immers tot niets teruggebracht worden in de duisternis, tot een enkel punt, tot een klein ogenblik, een nagel in de heilige plaats alsof hij geheel en al waardeloos is geworden?

En in dit verloren ogenblik zal hij het licht bespeuren dat in zijn duisternis schijnt en het zal zijn weg gaan verlichten meer en meer. Later begrijpt hij: ik moest ruimte maken voor de levende God en al het vergankelijke en dode moet daarvoor uit mij weggeruimd worden. Dit is geen farce, noch een auto-suggestie. Het is een belevenis, een ondervinding, die nooit vergeten worden kan en er toe bijdraagt dat al het komende als ontstellend, toch door dat ene kleine ogenblik verzwolgen wordt en het zegevieren van het licht tot gevolg heeft. Dat heet: de dood is verzwolgen ter overwinning. En het eeuwige leven doet zijn intrede in het bewustzijn en maakt zich kenbaar door dat allergevoeligste innerlijke organisme in de ziel dat aldoordringend in zijn golflengte, lichaam en verstand bereikt en de grote levensvreugde doet ontsteken. Het is het leven bij uitstek. Er is geen angst meer, het kent geen overmoed en behoeft voor niets terug te deinzen, voor geen dood, geen verlies, voor niets dat ons uit handen gespeeld kan worden. Wat zich volstrekt is dat niets ons meer ontbeert, in de hemel niet en op aarde niet. Hier hebben het begin en het einde elkaar gevonden en het omsluit het gezochte licht, de gezochte kracht en de ononderbroken stroom van het nieuwe leven. Hier baten geen scherpzinnige drogredenen, noch afkerige redeneringen. Het verstand zwijgt en wordt dienstbaar aan het universele leven. Zeker, als wij dus toch onze innerlijke duisternis binnengaan worden wij ermede vereenzelvigd. Wat wil dat nu? Maar het gebeurt. Heeft iemand wel eens bemerkt dat de dingen gebeuren ook in en met hem zelf, zoals het buiten regent en onweert? Het zal niet in zijn hoofd opkomen om het niet te doen regenen en tegen het onweer te zeggen: stil. En eveneens zal de mens die de duisternis binnengaat, belevenissen hebben die hij misschien liever niet had en waarvan hij zegt: ze gebeuren, ik kan er niets aan doen. Ik kan het niet laten ophouden. Maar hij vergist zich. Indien hij goed nagaat: bij zichzelve wil hij het niet laten ophouden. Er zijn duistere en strelende machten en neigingen die hem parten spelen en zo verfijnd zich aan hem mededelen dat hij zegt: dit is het wat ik zoek en deze dingen zijn op mijn weg gekomen. Maar zijn innerlijk leven dat dus aanvankelijk nog donker is zal juist daardoor zich te kennen geven als de zaken die in het uiterlijke leven gebeuren en waarvan hij zegt: daaraan kan ik niets veranderen, ik kan er niets aan doen. Hij was eigenlijk gewend om zo te praten. Maar nu blijkt dat hij er wel degelijk wat aan kan doien. Hij kan direct aan het werk gaan. Hij kan zijn stemming veranderen, hij kan het laten ophouden met regenen in zich, hij kan beheer krijgen over zijn eigen gedachten en zijn eigen gevoelens. Hij kan de waarde ervan schatten en weten of hij blij, ontevreden, ontstemd, roekeloos, hatelijk en onhandelbaar is. Hij zegt: ik heb het recht om onhandelbaar te zijn en hatelijk en geërgerd. Waar moet het naar toe als ik niet een geërgerd mens zou mogen zijn of een boos mens. Het is toch mijn eigen onhandelbaarheid, enzovoort. Natuurlijk. Ieder mens is een eigenheid en als eigenheid heeft hij het recht ogenschijnlijk, laten wij zeggen oervervelend te zijn. Maar het merkwaardige is: dat is niet waarin hij is geworteld. Zijn ware natuur is een lichtnatuur en zijn ware gestalte is een lichtgestalte. Ik meen niet dat hij daaraan moet beantwoorden. Dat kan hij niet wanneer hij verveeld is en daarmee nog ingenomen is bovendien. Wat werkelijk geschiedt is dat hij deel uitmaakt van een zone van vervelende golflengten en als hij daarop eenmaal afgestemd is zegt hij: zo ben ik nu eenmaal. Hij wil het en hij kiest het en dit kan hem zo bevangen dat hij niet eer opmerkt hoe vervelend hij is (ook voor anderen) en toch alleen maar aan impulsen toegeeft die hij zich niet bewust is. Dat brengt het bginnengaan in de duisternis nu eenmaal met zich mede. Men doorschrijdt ogenschijnlijk eindeloos vele trappen van impulstrillingen die ieder hun eigen kwaliteit hebben en waarvan het soms heel lang duurt voor dat een mensenkind ze bewust wordt en hij voor zich het liedje neuriet; hoe kàn een mens toch zo vervelend zijn. Zo komen wij tot de ontdekking dat wij aanvankelijk ingehuld zijn in een kriskras van werkingen en trillingen die ieder op zichzelf tot een bepaalde impulszone behoren. Het heeft geen zin deze alle van namen te voorzien, maar wel is het van betekenis ze in zichzelf bewust te worden als evenzovele levensverschijningen. Tenslotte gaan wij de duisternis binnen en willen langzamerhand lichtkringen naderen waaraan ons bewustzijn deel heeft zodat wij kunnen zeggen: wij ontwaken in een nieuwe wereld. Zo zijn er nieuwe werelden evenals er werelden van radiotrillingen zijn die ieder een bepaalde kwaliteit weerspiegelen. En nu is het de kunst om te leren bij geen van deze merkwaardige donkere en lichtere kwaliteiten stil te staan. Op die innerlijke weg is geen stilstand of wanneer men geneigd is aan traagheid toe te geven zal men bemerken dat men wel op een bepaald niveau zich kan handhaven maar wanneer de drang ontbreekt naar vernieuwing, ontstaat er toch een sleur als wij nu maar blijven willen waar wij eenmaal zijn. Het is wonderlijk. Wij moeten op die weg voortdurend verder gaan, want leven is beweging en hoe sneller de trilling waaraan onze innerlijke beweging deel krijgt des te hoger, des te lichter en gemakkelijker stijgen wij. Het is dan wel te begrijpen dat de duisternis uit verdichte substantie bestaat in ons die wij al meer en meer doordringen en waarin onze ogen toch meer gaan onderscheiden. Dat is het begin van de innerlijke bewustwording en de bevrijding uit duisternis en verstrengeling die wij op die wijze tegemoet gaan.
Begrijpt u dat de vernieuwing berust op een opwaartse gang al naar de treden van ons bewustzijn? Maar dat het eerst alles in duisternis gehuld is en er sprake is meer van een indaling dan van een opwaartse beweging omdat wij eerst kennismaken met de bewoners der duisternis in onszelf.
U begrijpt dat het op deze innerlijke weg niet gaat om oordeel van andere mensen of kritiek. Wij staan altijd aan kritiek bloot wat wij ook doen en waar wij ons ook bevinden. Dat komt gewoon voort uit het feit dat alle mensen steeds wat hebben te zeggen, al was het maar alleen dat je niet altijd over het weer kunt praten.
Daarom is toch die innerlijke weg anders. Hij wordt wel eens de weg van het zwijgen genoemd. Omdat er niet de verplichting heerst zich daarin aan anderen mede te delen. Trouwens als u deze weg kiest blijft kritiek op anderen en oordeel over anderen afwezig.

Natuurlijk mag u uw belangen behartigen en daarbij valt een mens wel eens niet zuinig uit en noemt dat dan kritiek. Ook is er nu eenmaal veel onverdraagzaamheid. Maar de innerlijke weg kent dit niet. Het gaan is uit eigen keuze. Het heeft met de wilsvrijheid te maken en de kracht van de geest, met God en zijn rijk, met heel vele zaken die tot eigen innerlijke ervaringen behoren. Dat wordt de rijkdom van het leven. Niemand kan die keuze beïnvloeden. Het ja tot God dat het ja tot uw oorsprong is kunt u zelf alleen en uit eigen beweging zeggen.


NAWOORD


In de wil tot licht is licht.
In de wil tot kracht is kracht.
In de wil tot leven is leven.
Ik wil het licht, de kracht en het leven.
Geef deze wil nooit prijs. Ook voor de dood niet.
Zeg nooit tot de dood: ik wil niet meer leven.
Zeg tot hem: ik leef en blijf leven en laat dit niet onderbreken.

Er is 'een weinig levens' in de mens waarover de dood geen macht heeft.
Ge kunt het gewaarworden in uw eigen binnenste.
Het is het zelf, het ik zijner ondeelbaarheid, zijn individualiteit.
Het is het zegel Gods, het stempel der gezalfdheid. Natuurlijk is het een geschenk,
ge krijgt het uit liefde geschonken en kunt het alleen in liefde ontvangen.
Het ligt op u te wachten. Maar wil dan ook niets anders.

Er is veel dat wij moeten en weinig dat wij willen.
Er is veel dwang in begeren en verlangen
en weinig vrijheid nog tot willen uit eigen beweging.
Toch is dit er ieder ogenblik, ieder ogenblik; nu als u dit leest is het er.
Kies het voor altijd en eeuwig. Kies het.
Het is het schoonste kleinood dat eeuwen voor u bewaard werd
en dat u ontvangt uit de hand van de levende God.
Kies het. Het maakt u een met Hem.

Hoe subtiel is het. Maar hoe krachtig, hoe onverbrekelijk.
Het laat zich gemakkelijk overstemmen door al het andere,
maar het kan niet overstemd blijven.
Ge kunt het horen als een ruisen van stilte.
Maak ruimte in uw lichaam, ruimte in uw ziel.
Iedere golflengte vraagt zijn eigen ruimte.

Luister in stilte en het lied des Heren zal in u aanstemmen
en uit die fijne snaar zal de klank opwaarts stromen
en de hele harp in beweging brengen
en uw gemoed zal tenslotte bespeeld worden met die klanken die de uwe zijn
en trillen door alle ruimten Gods.
Van binnen uit zullen zij opstijgen tot steeds wisselende akkoorden
in een overschoon lied en alles in u zal er naar luisteren
hoe licht en zang zich verenigen in één melodie,
overstromend van volheid en vervulling,
die beantwoordt aan een vreugde en lieflijkheid die geen naam kan aanduiden.
En alle donders en bliksems zullen gehoorzamen aan dit lied ten leven.
En alle lijden en alle smarten zullen aflaten
het kostelijk instrument voor zich op te eisen,
waardoor de dissonanten wegsterven.
En het gehele lichaam zal tot klankbodem worden van dit hoge lied,
dat oprijst uit man en vrouw, hoog en laag, licht en duisternis, Yang en Yin
en de mensen een plaats geeft in eenheid en verzoening.

Dan begint een nieuwe weg op aarde zich duidelijker af te tekenen.
De weg is er, de zilveren lichtweg tot een gouden en stralende bestemming
die de miljarden omsloten houdt
in licht en kracht, in liefde en verlossing.

Barend van der Meer

vrijdag 23 juli 2010

Gekoesterd door het licht



5. - Levensvervulling


De schat die wij zoeken is de welbron van onze eigen geestkracht die ons vertrouwd maakt met tijdloosheid en onvergankelijkheid. Als een mens deze weg kiest, kan hij dat maar op één manier doen, n.l. met de inzet van zijn gehele persoonlijkheid, waaraan alle andere belangen ondergeschikt zijn. Het is zijn eerste liefde.
Hij zal ook bemerken op welk een wijze hij wordt geholpen, ofschoon hij dit niet direct herkent. Er gaan nieuwe krachtlijnen in zijn leven werken en deze hebben hun invloed op de dagelijkse gang van zaken. Hij leert geleidelijk onderscheiden hoe er verschillende werelden zijn die ieder zich als een bepaalde werkelijkheid voordoen. Niettemin zijn al die verschillende werelden doorademd van eenzelfde leven zodat wij zeggen: alles is één in veelvuldige onderscheidenheid. Het onzichtbare wordt zichtbaar. Daarom is het van zo groot belang dat het punt van onze aandacht in het lichaam ligt.

Want wij spreken over een lichamelijke ziel, de nephesh, en over een zielsbestaan, waar zowel het lichaam als de geest om de voorrang strijden, de ruach. Maar de Neshama, onze geestelijke ziel, waarin het brandpunt onzer aandacht op den duur kan worden gevestigd in stille toegewijdheid en innigheid, zal het eigenlijke uitgangspunt moeten zijn, de haven onzer uitvaart, van waaruit al het andere wordt omvat en gericht.

Wij gaan in het besef van onze werkzame zielenkrachten leven en het mag waar zijn dat er mensen zijn die zich met afkeer afwenden van de weg tot zichzelf, maar dan komt dit alleen daaruit voort, dat het innerlijk leven nog niet is gewekt en hun ziel slaapt in een toestand van onbereikbaarheid, een lethargie, ofschoon zij misschien denken dat hun spoedig geprikkeld zijn en hun lange tenen de plaatsvervangende waarden zijn voor de innerlijke onverstoorbaarheid en onuitsprekelijke zegen van het rijk van de geest. De wijze waarin zich dit beleven aan het lichaam mededeelt is verlossend en heeft niets te doen met de roes der extase of veranderingen in het bewustzijn door drugs of de merkwaardig verblindende opvatting dat het zingenot van de seksuele extase hiermede te vergelijken zou zijn.
Het is geen genieten waarvan hier sprake is. De geest belooft geen genot, al beweert Nietzsche dan ook dat de mens lust zoekt en dat het de lust is die 'tiefe Ewigkeit' wil. Dit moge op zichzelf waar zijn, maar in het geestelijk leven is geen affect overheersend. De toestand die het met zich meebrengt is er een van bewuste kracht, een verlicht bewustzijn van de ware werkelijkheid, waarin geen enkele vorm van onderworpenheid heerst, maar waar alle natuurlijkheid vermenselijkt wordt en alle menselijkheid vergoddelijkt.

Door zijn geboorte hier op de wereld heeft de mens zich van een lichaam moeten voorzien en daardoor zich moeten verstrengelen met de animale noden dezer wereld op een wijze dat hij er helemaal door begoocheld werd en vergat hoe in hem een beginsel is dat hem tot heer en meester maakt over zijn eigen situatie.
Hij laat zich eenvoudig voortdurend door het mensendier verblinden zonder het te beseffen. Alleen wanneer het hem tè bar wordt, zijn lijden tè ondraaglijk, zijn angsten en aanzien van de dood tè dreigend, kan het gebeuren dat hij een werkelijk beroep doet op een verlosser, die hoe dan ook zich aan hem moet manifesteren.
De mensen geloven in een macht vol goedertierenheid, vol barmhartigheid en bevrijdende liefde, maar het moge dan een geruststellende idee zijn dat die voor hen zorgt en zij in dat geloof geborgen zijn, dat neemt niet weg, wanneer deze barmhartigheid en goedertierenheid en bevrijdende kracht zich niet aan henzelf mededeelt als een ervaarbare en mogelijke levensinstelling in de werkelijkheid van het dagelijkse leven, die henzelf zo doet zijn, dat dan een dergelijke opvatting en aangenomen 'geloof' slechts een verdovingsmiddel zijn t.o.v. de realiteit.

Het ligt alleen aan onszelf. Ieder heeft zijn eigen diertje te temmen, of dat nu een wilde olifant is, een tijger of een krolse kat, hij en hij alleen heeft te zorgen dat het lastige geval hem niet voortdurend parten speelt. Een ander wie die dan ook is, doet het niet voor ons. Het is alles in onszelf. De hoogste macht en de verachtelijkste slavernij.
Als ik een tijger in mij te overwinnen heb dan moet ik zorgen dat ik overwicht over hem krijg. Voorwaarde is dat ik hem opzoek in zijn hol en hem nader, niet als een vijand maar als een verschijning die verwant is aan de zijne. Naar vorm en gestalte moge ons lichaam van de apen afstammen, maar waarom niet van een tijger? Hoe kan het anders dat er mensen in de wereld rondlopen met tijgerachtige en verscheurende affecten. Deze eigenaardige verwantschap draagt de mogelijkheid in zich dat ik niet bang voor hem ben. Ik weet instinctief dat iedere angst onmiddellijk door het dier geregistreerd wordt en hij er met feilloze zekerheid op reageert waardoor hij mij tot slachtoffer kan maken. Het eerste dus wat mijn tijger gevoelt: er is een ander (misschien ziet hj mij als een supertijger) die geen angst voor mij heeft. Hierin is de mogelijkheid van een nieuwe instelling. Want in dat gevoel nl. is er plaats voor vertrouwen. Indien ik mij t.o.v. het wilde dier angstloos gedraag, is er een ontwapenende macht aanwezig die instinctief gevoeld wordt en herkend. Daarin ligt het beginsel van vertrouwdheid en het is uit dit beginsel dat de operatie haar voortgang vindt. En ofschoon de tijger een tijger blijft en in mij de mogelijkheid is hem meer en meer te onderwerpen is er toch steeds een grens die de hoogste waakzaamheid vereist zelfs al wordt het beest zo mak als en schoothond. Natuurlijk zal hij in mij zijn meester vinden en zelfs zijn vriend, maar onverslapte waakzaamheid blijft geboden.

De wereld is een wildernis en daarin bevinden zich ontelbare dieren die de mensheid bevolken. Dit leidt niet alleen tot een buitengewone studie, een groot en onvergelijkelijk avontuur, maar ook tot de erkenning, het vaste geloof en vertrouwen, dat in ons de kracht en het vermogen is in onszelf de wildernis te herscheppen in een kostelijke tuin, een land waarin vrede heerst over 'gans het gebergte'. Daarin wordt het visioen van Jesaja begrijpelijk waarin het kindje 'zich zal vermaken over het hol van een adder' en 'koe en berin samen weiden'. Daar zijn alle geboden opgeheven omdat zij er niet meer van kracht zijn. Het is er eenvoudig zo, het land der levenseenheid waar alle mensen broeders zijn. Dit land is er al reeds, wij moeten het alleen ontdekken en... herkennen.
Nu wordt misschien ook duidelijk waarom de vier klassieke elementen, toestanden aanduiden die alle bevolkt zijn: de aarde, het water, de lucht en het vuur zoals dat is verzinnebeeld in het rund, de engel, de adelaar en de leeuw. In de vier letters van de onuitsprekelijke naam Gods, in de vier stromen van het Paradijs en hoe dit viertal als een realiseringvermogen tot aanzien wordt gebracht. Het is alles de verborgen orde in de mens die over de wildernis zegeviert en waaruit de werkelijke schepping Gods plaats grijpt.

Het is het geheim van het grote tetragrammaton. In deze almacht is geen enkele dwang. D.w.z. men kan deze dingen niet in de wereld of op de wereld toepassen ten einde haar te verbeteren. De wereld hoeft niet verbeterd te worden, evenmin als onze buurman. Er is maar één mogelijkheid. Dat wij ons in onszelf dit 'land' bewust worden: de kracht van het monster in de wildernis te temmen hoe het zich dan ook aan ons voor zal doen. Wij behoren niet tot de ordebewaarders in de wereld noch tot hun verstoorders maar willen doen doorbreken hier en nu een straal van het lichtland dat wij liefhebben en waarop al ons vertrouwen is gevestigd en waar de barmhartigheid heerst die wij zelf willen beleven en in ons omdragen en de goedertierenheid die het leed van de mensen verzacht en ons eigen leed te niet doet.

De Hermiet verlicht zijn eigen weg met een licht uit alle licht. Het licht laten vallen niet om wantoestanden aan de kaak te stellen en al maar in en onder het oordeel te leven, maar om te leren zien wat licht is en zich daarin hullen en er van uitgaan, opdat het onszelf op onze weg zal begeleiden en het in staat blijkt onze ogen te openen. Daarom zeggen wij: wij hebben het licht lief want daardoor en daaruit leven wij. Het schijnt in de duisternis.

Wat voor ons van zo groot belang is, is niet wat mensen weten en denken, maar wat wij zijn. Dus: wat ik ben. Het moge waar zijn dat uit de mens een ontwikkeling is begonnen die ogenschijnlijk geen einde neemt en die om haar bij te houden een grote rusteloosheid veroorzaakt, maar ik weet ook dat deze ontwikkeling met hem op de loop kan gaan en zijn verstand erdoor op hol kan slaan. En dit beslist niet wat ik bedoel.
Het moet mogelijk zijn terug te keren tot ons zijn, een toestand die een besef met zich medebrengt van niet meer te ontwikkelen maar een verblijven in onze oorsprong, onze origine en werkelijk tehuis. Zoals Lao Tse zegt: 'mijn huis niet uitgaande ken ik de weg des hemels'.

Dit nu komt mij voor als een voortreffelijk bezit en het herkennen daarvan veroorzaakt een merkwaardige aantrekkingskracht omdat het blijkt dat er vele mensen zijn die wel gaarne dit deelachtig zouden willen wezen. Wij noemen deze merkwaardige eigenheid in de mens zijn ondeelbaar beginsel, zijn eenheid en het ware Zelf. Er zijn tal van schrijvers die hiervoor een naam gevonden hebben. Goethe spreekt over het I, Bergson over elan vital, de psychologie over libido omdat zij steeds weer op zoek is naar een levensdrang.
Maar een oorspronkelijkheid in zichzelve, een eenheid die zich zonder twijfel in een veelheid tot uitdrukking brengen kan, vinden wij toch alleen maar in onszelf. En wij hebben het genoemd één. En toch laten wij de mens daarin niet alleen, ik meen, in afgescheidenheid staan. Want de eenheid die hij is, is een emanatie uit al-eenheid. En men vraagt: hoe weet je dat? Wel, om de eenvoudige reden dat de zelf-eenheid zich kan verliezen in de al-eenheid, terwijl het tegelijkertijd zaak is uit de al-eenheid tot zichzelf te komen. Dit zelf, waartoe men uit de al-eenheid komt, heeft vorm en gestalte in ons en wij zijn dit, als schepping uit de al-eenheid. Deze oorsprong moeten wij wel onze eigen oorzaak noemen. Maar tegelijk zien en beleven wij, dat alles wat leeft uit een oorzaak is voortgekomen, dat het leven dat ons doet zijn en waarin wij ons bewegen ook het leven is waar alle natuurverschijnselen en verschijningen in bestaan. Waarom zou het leven dat mij doet leven een ander zijn dan dat wat een worm doet leven? Alleen, het komt in mij tot een geheel eigen waarde en structuur terwijl de worm geen zelfbesef te kennen geeft. En hoewel mijn lichaam van dat leven doorleefd wordt, heeft het toch geen bewust deel aan 's levens oorsprong, waar mijn ware individualiteit uit voortkomt.

Deze individualiteit is het die de stem van de éne hoort. Die de waarheid verneemt als een kracht en licht en oorsprong. Deze waarheid is de ongebroken eenheid zelve zodat wij kunnen zeggen: Waarheid uit al-waarheid, zelf uit Al-zelf, individualiteit uit al-individualiteit (= universaliteit). Emanatie uit God. God is de volkomenheid tot in het absolute, niet te omschrijven, niet te bevatten en waaruit toch de stem tot de mens klinkt: Wees volkomen gelijk uw Vader volkomen is. Het wil zeggen dat wij in en door onszelf deel kunnen hebben aan de oorzaak van alle dingen en daaruit de volkomenheid leren beseffen. Zoals licht uit licht wederom licht is. En evenals onze individualiteit ondeelbaar is, moet dat waaruit onze ondeelbaarheid voortkomt ook ondeelbaar zijn.

Wij weten niet hoe groot God is. Daarom zeggen wij onmetelijk groot. Dit beantwoordt n.l. niet aan enige voorstelling. Hij is de eenheid waaruit wij één zijn.
Hierin ligt voor ons de zin die wij aan het leven geven kunnen. Als wij het volkomene beogen dan bedoelen wij daarmede niet een maatstaf. Er is geen maatstaf voor volkomenheid. De kwaliteit is ondeelbaar en kan daardoor de oorzaak zijn van alle dingen. Want alle dingen onderscheiden zich in hun vorm en hun kracht. Ja, kracht wordt tot vorm. Het leven geeft zich gestalte. De mens geeft zichzelf gestalte en doet dat op allerlei wijzen. Hij kan leren gevoelen hoe zijn verbeelden, zijn scheppend denken werkt. Ook kan hij in zich leren waarnemen hoe driften zich een uitweg zoeken en daartoe een vorm in zijn lichaam scheppen.
Wat is de vastheid van onze geest? Wij zeggen: de mens is naar zijn wezen een emanatie. Wat is een emanatie? Wat is haar vorm? Kan ik haar met mijn gevoel betasten? Kan ik haar met mijn imaginatie waarnemen als een straal van onnoemlijk licht? Ik kan het niet zien maar innerlijk wel waarnemen. De emanatie heeft gestalte, heeft vorm, een lichtgestalte, een krachtgestalte en ik moet woorden gebruiken als liefde, wijsheid, leven, waarheid, licht, kracht en beweging. Dit is wel uit mijzelf maar de oorsprong ervan kan ik niet zijn.

Het is ons te doen onszelf betrokken te weten op het machtige werkingsveld, gekenmerkt door verlichting, kracht, wijsheid en liefde dat in de bijbel de Levensboom wordt genoemd, in de Kabbala de Sephiroth, dat Lao Tse Tao noemde, waaruit een boek als de I Tjing zijn inspiratie heeft ontvangen, een werkingsveld dat een universeel bezit der mensheid is. Het is van een diepe verborgenheid en de sleutel voor allen die van goede wille zijn, tot de poort van het Paradijs en de openheid van de hemel.
Dit zich betrokken weten is de kracht van het geloof en de oorsprong van onze vrije wil. Daarom is het juist een volstrekt vertrouwen te ontwikkelen in dat zelfbeginsel dat een schepping uit het eeuwige is en dus het kenmerk van het blijvende en onaantastbare, de werkelijke zelfstandigheid van de geest.
Alles wat 'ik' zegt kan teruggebracht worden tot dat ene Ik. Dit is niet intellectueel bedoeld als een verstandelijke synthese maar innerlijk en het betekent dat alle ik-zegging slechts weerspiegeling en terugkaatsing is van het ene werkelijke Ik dat uit God is. Alle weerkaatste stralen van het oer-licht worden tot het licht zelve als oorsprong teruggebracht. Dit is de kortste weg om zijn ik-leven te verliezen en het ware Zelf-leven ervoor in de plaats te ontvangen. Het is het offer van het afzonderlijk vele tot het ene waardoor het ene tot het vele terugkeert om dit opnieuw te ordenen en deel te laten uitmaken van de werkelijke schepping. Zo ontstaan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Daardoor krijgt de concentratie een grote betekenis. Wij ontwikkelen er ons sneller door, waarbij wij natuurlijk niet enig ongeduld op het oog hebben. Alles wat wij doen zal daardoor beter aangepakt worden en doeltreffender zijn. Wat ons vroeger veel tijd en inspanning kostte zal vlugger en meer zonder moeite gaan. De aandacht die wij ontwikkelen heeft een louterende werking, lost verontrustende gevoelens op, doet angst in welke vorm ook vergaan, verdiept ons denken en verheldert en verzacht ons oordeel. Ook gaat het daardoor beter in ons dagelijks leven tot in de materiële verhoudingen toe en wat het betekent voor een psychosomatische geneeswijze zullen wij later bespreken. Ook zaken die wij niet aanstonds begrijpen of die wij zo moeilijk vinden dat wij er bijna geen contact mee kunnen krijgen, zullen wij geleidelijk in een helderder licht zien. Alles wordt door ons beter omschreven en duidelijker gesteld. Zoals de ene dag moeilijk en duister lijkt terwijl door voortgezette aandacht op de stille en stromende kwaliteit in onszelf het plotseling allemaal doorzichtig wordt en verduidelijkt.

Voortgezette concentratie gaat over in meditatie. Dit is een heilstoestand zoals het woord zelve uitdrukt. De basis van het woord is madh, de wortel ma en betekent: medisch behandelen. Vandaar medicus, medicijn en remedie. Meditatie wordt ook wel de koninklijke weg genoemd die tot bevrijding leidt van iedere vorm van onheil. Zij ontwikkelt de zin der eenheidsbeleving en is gelijk in Jacobs droom de ladder die hemel en aarde verbindt. Men kan mediteren over eenieder object. Kies zoveel mogelijk iets dat vrij is van affecten, van heimelijke verlangens, zelfs van genietingen. Klaarheid en helderheid, zuiverheid in het gewaarwordingsleven, openheid in ons zien, duidelijkheid in ons horen. Mediteer over het aldoordringende om u en in u, over het onsterfelijke Zelf, over het zwijgend getuige zijn van alles wat zich op deze weg aan u voor kan doen. Over het onderscheid van uw lichamelijke en geestelijke waarnemingen. Dat het denken iets anders is dan het gevoelen en het gevoelen weer iets anders is dan het aanschouwen. Sta geen enkele vorm van extase voor. Dit betekent alleen maar een overweldiging van licht of bepaalde vormen van genot. Verlies nooit onder de meditatie uw tegenwoordigheid van geest, wees stil en nuchter en blijf de waarheid lief hebben zonder bijgevoelens. Er is in de meditatie nooit plaats voor medelijden met zichzelf, voor enig zelfbeklag, voor spijt over dingen die voorbij zijn noch enige verontrusting of angst voor de toekomst. Mediteer over u zelf als een stralend licht, want ge zijt het krachtens uw oorsprong, als een zuivere tegenwoordigheid en een onbevlekt bewustzijn.

Ga tot de meditatie over wanneer ge twee minuten en 24 seconden aan één stuk door kunt concentreren. Vermijd daarvoor iedere inspanning. De hele weg der concentratie moet moeiteloos begaan worden. Zoals het kind eigenlijk zonder moeite leert lopen. Natuurlijk kost het inspanning maar deze inspanning gaat teloor in de vreugde van de vervulling.
Een vervuld leven willen. Dit is letterlijk gemeend. Het lichaam te weten als een vat. Overstromend van levend water. De gelijkenis uit de bijbel is zelfs humoristisch-realistisch: 'er zullen stromen levend water uit uw buik vloeien' Een boom die geen vruchten draagt, wordt omgehakt. Het bloeien en vruchtdragen behoort tot de vervulling van de boom. Dit is de zin der volkomenheid. D.w.z. volgekomen zijn door vol te worden. De zin van het leven is volkomenheid. D.w.z. volgekomen zijn door vol te worden. De zin van het leven is volkomenheid. Waarvan? Twijfel? Ontstemming? Ergernissen? Waarvan kan men volkomen vervuld zijn? Ellende? Slaap? Woede en wantrouwen? Wat is het stromend levenswater? Geen gedachtenstroom. Geen bepaalde bedoelingen. Nee, leven. Puur leven. Als van een stralend kind. Volgestroomd van het oer-leven in ons. Het leven uit de beginne. Helder, klaar, lichtend. Dat is de bestemming van de mens. Wees dan volmaakt, vol gemaakt. Van het Ene waarin wij geloven en dat wij willen. De kracht ervan gevoelen. Het alles ordenende. Een werkzame orde, want zonder het ene is er wanorde.

Adam is een Hebreeuws woord en betekent mens. Het wordt geschreven aleph-daleth-mem en in getallen uitgedrukt is dat 1-4-40. Laat de 1 weg in mens, dan krijgt men daleth-mem = 4-40 en dit betekent bloed.
Het woord waarheid is in het Hebreeuws emeth = 1-40-400. Laat de 1 weg en er blijft meth over = dood = 40-400.
De 1 brengt de vervulling. Dat berust op de realiteit van het woord. De 1 is de bron van alles. Erken het Ene, wil het, keer er u naartoe. Het is onze oorsprong, de welbron. Heb het Ene lief en wees er aan toegewijd.

Eenmaal
Leefde ik vele levens -
Des doods...
Eenmaal
Leefde ik, -
Was dood...
Nu, 'gestorven',
Wil ik leven...
Ik ben het, -
Die 'gestorven' is!
Ik ben het, -
Wil leven! -

Eeuwig leven, ruis dan,
Uit oerdiepe bron
In mij, in mijzelf! -
Ruis
Door merg en bloed!
Laat leven lichten!
Lichten in donker oord!
Laat weder worden,
Wat oorsprong was:

Mijzelf,
Die ik ben! - - -
Aham brahma asmi!
Om!
Bô Yin Râ
Is dit alles geloof? Niet wat wij er als regel onder verstaan. Natuurlijk als je iets wilt, moet je er in geloven. In jezelf geloven dat je het zult bereiken. In dit geval is het geloven in iets waaraan je wilt voldoen, gewoon het zelf willen en kiezen. Nl. in je eigen vervulling. Dat is de eigen zin aan het leven geven. D.i. in de eerste plaats leven en dat kunnen wij niet zonder het oerleven.
Dit betekent niet: terug tot de natuur of een primitief leven. Maar, het leven in zijn oorsprong.
Wat wij willen is heel reëel. Er is niets werkelijkers dan het leven zelf. Er kan niets reëlers zijn want daaruit komt alles voort. Is het eigenlijk niet duidelijk te geloven in de realiteit der vervulling? U kunt ieder ogenblik nagaan en zich bewust worden, waarvan u vervuld bent. Er zijn mensen die vol verdriet zitten en narigheid. Zij zijn ermee vervuld. Zij zeggen: 'Daaraan kan ik niets doen. Het komt over me. Het zit in me. Er is dit en dat gebeurd. Bovendien kom ik tot de ontdekking dat de ellende van de wereld en haar lijden zo ontzaglijk zijn dat ik er helemaal kapot van ben. Dan heb je helemaal geen zin om van geluk vervuld te zijn. Je geneert je en het is hard voor de mensen zelf gelukkig te zijn wanneer zij zoveel ellende hebben'.

Maar als wij alleen maar een hoopje narigheid zijn, zijn wij dat ook voor anderen. Ons hoopje vergroot de berg der ellende in de wereld. Indien dus ieder ongelukkig is, heeft het grote ongeluk zijn zin. Iedereen moet ongelukkig zijn. Pas op als je lacht. In deze wereld lach je niet, enz.
Dit is klinkklare onzin. Indien de hele straat ziek is en de dokter bovendien, wie zal dan beter maken. Er is toch beterschap. Het zou wel eens zeer egoïstisch kunnen zijn, vervuld te zijn van eigen ellende en eigen ongeluk. Je helpt de hele straat ziek maken. Laten wij ermede ophouden. Laat u zich niet bedriegen door welke ellende ook. Als ik pijn in de buik heb en ik zeg dat, dan krijg ik soms ten antwoord: ik heb nog veel erger pijn in de buik. Daar ben ik helemaal niet mee gebaat. De vraag is: hoe kom ik van mijn buikpijn af. Heel gewoon.
En hier vraag ik: hoe worden wij gelukkige en gezonde mensen met een onverstoorbare levenskern, d.i. met een onverstoorbaar zelf?

Dus ik ga mij bewust worden waar ik van vervuld ben. Dat valt vaak niet mee. Als wij iets ter vergelijking hebben naar onze beleving, dan zoveel te beter. Stel u voor dat wij dat werkelijk hebben. Dat wij een beginsel in ons tot onze beschikking hebben, de kwaliteit, het oer-individuele, het ondeelbare, het kenmerk der ware eenheid. Dit is niet iets statisch, maar stromend, dynamisch, vloeiend, doordringend. Het wordt de adem Gods genoemd. Het heeft vele schone namen.
Deze adem leeft in ons en kan ons vervullen. Dan moeten wij er ruimte voor maken en de klonters in ons hoofd en onze ziel losweken. In het hoofd kunnen zij worden tot harde vooroordelen, in de ziel tot ongevoelige en versteende brokken en het is niet gering hoe menigeen in zich alles wat doorgang zou kunnen geven, heeft verwaarloosd, waardoor het leven zelf in ons wordt gestremd en verhinderd.
Er zijn mensen die een levenlang in het zelfde huis gewoond hebben en als hun leven ten einde is en het huis wordt opgeruimd dan is het ontstellend wat er dan is bewaard en aangekoekt en half vergaan en welk een oude rommel nooit is weggegooid en zich aldoor maar heeft opgestapeld.
Bewaren en bewaren, hamsteren en vasthouden, of het waarde heeft of niet. Het is allemaal angst. Een huis vol angst-producten, van 'je kunt het niet weten' en 'ik kon het nog wel eens nodig hebben' en zo een slaaf van onze z.g. behoeften worden, terwijl toch de allermeeste behoeften kunstmatig in het leven zijn geroepen en ze schreeuwen ons in allerlei toonaarden toe dat wij zonder hen niet leven kunnen.

Waar is onze oorsprong? Waar onze aandacht voor wijsheid en waarheid, vreugde en schoonheid, kracht en geluk? Wat de mensheid nodig heeft, is liefde.
Liefde is eigenlijk een duister gemaakt woord. Maar als wij de zin ervan beseffen, is het iets dat in de mens haar aanleg leeft en snakt naar groei en toename en waarin als in een groot geheim al ons geluk, al ons welzijn, al onze onverstoorbare kracht, al onze innigheid en vermogen ten leven, en al onze diepe tevredenheid zijn gelegen. Eens gewekt, brengt het in ons een niet te belemmeren drang teweeg zichzelf te manifesteren in openheid, in licht en vreugde, in de kwaliteiten die aan haar ten grondslag liggen. Door zich mede te delen, zoals licht zich vanzelf mededeelt in alles waarin het binnen dringen kan.

Is liefde niet het licht?
En licht de bron van wijsheid?
En wijsheid niet de beterschap?
En beterschap het ware leven?
Hoe groter dan de liefde,
te sterker wordt de wijsheid
en beter nog de beterschap,
tot heilsweg van het leven.

Waarvan wilt u vervuld wezen? Kies. Niet voor een ogenblik, niet voor een nacht, nu eens geen nachtliefde, maar gestaag stromend, gestaag lichtend, gestaag onverstoorbaar zich mededelend in stilte, in glans en zuiverheid. Verlossend en bevrijdend, genezend, vertroostend, verlichtend, verheffend, vernieuwend, zich voortplantend in innerlijkheid, zich een lichaam scheppend in de ziel van allerfijnste subtiliteit, onaantastbaar, niet te grijpen, niet te kwetsen, niet te vernietigen, niet uit te roeien of te beschadigen. O, als het boek met de zeven zegels wordt geopend en wij vinden er de gouden stad!

Waarvan wilt u vervuld zijn en overstromen? Maak dus uw lichaam leeg en vrij en gebruik het aan de lange lijn van uw bewustzijn en laat het afdalen in de oerbron van alle leven om het levenswater te scheppen en op te laten wellen tot een voortdurende vervulling.
Natuurlijk is dit heel wonderbaarlijk. Als de ogen opengaan voor het tijdloze, het stabiele uit zichzelve, dat niet gebouwd, niet ontworpen, niet uitgedacht behoeft te worden. En het wordt duidelijk dat hierin geen verleden en geen toekomst meer is en alles wat hierover is geschreven, soms in zeer verborgen beelden, gaat zich aan dit eeuwige in onszelf kenbaar maken.

Barend van der Meer

donderdag 28 januari 2010

Er is een roos ontsprongen



4. - Bewustwording van de levenseenheid


Het is altijd op de plaats waar wij zijn, ook al wordt die plaats ons door een legio van bewegingen en belangen betwist. Soms maakt het de indruk dat al het andere als om strijd zich verdringt om de open zetel te bezetten waarvan het stille en zichzelf zijnde de enige rechtmatige eigenaar is. Want wij mensen hebben maar één eigendom dat zich handhaaft: wat wij zelf zijn. Wij zijn ons eigen eigendom. Het is onze kwaliteit, waaraan alle andere kwaliteiten ondergeschikt zijn of zich naar moeten voegen. De kracht der krachten, het licht der lichten, de klank der klanken. Wanneer wij iets innig en waarachtig willen, is in dat willen zelf aanwezig wat wij zoeken. Door het te willen, deelt het zich aan onze ziel mee en van daaruit krijgt het heerschappij over onze gedachten en handelingen. Het waarlijk willen maakt een mens stil van binnen en naarmate hij daarop zijn aandacht richt, leert hij er mee omgaan zodat het mogelijk is steeds meer de beschikking erover te krijgen.
Het is het eigenlijk geheim der menselijke persoonlijkheid en het punt in de cirkel wordt tot oorsprong van een vervulling van de gehele oppervlakte. Niet voor niets is dit een symbool voor de zon geworden, maar als wij het op ons zelf betrekken, wordt het tot zinnebeeld van innerlijke lichtkracht, waarheen alle planeten zich richten en waarvan zij hun kringlopen ontvangen. Is het niet een bekend gezegde dat de mens als microkosmos zich weerspiegelt inde macrokosmos? Is het niet merkwaardig dat de structuur van een atoom in vele gevallen aan een zonnestelsel doet denken? Men heeft het geheim der materie tot een onbegrijpelijke diepte nagespeurd. Er is geen grens meer aan te wijzen tussen energie en materie. Energie die in de vorm van elektriciteit wordt aangeduid met elektronen terwijl deze elektronen naar hun gewicht gemeten kunnen worden in vergelijking met de kern van een waterstofatoom, het kleinste van alle elementen. Men komt dan tot uitspraken als: er is één miljard x miljard x miljard elektronen nodig om het gewicht van één gram te bereiken.

Dit is volkomen ondenkbaar en onvoorstelbaar. Dat deze submicroscopische energiedeeltjes de fundamentele bestanddelen zijn van elk atoom, de 'vlijtigste, energiekste en wonderbaarlijkste kleine deeltjes die de mens ooit heeft gekend' is wetenschappelijk bepaald en tegelijkertijd van een onwaarschijnlijke abstractie. Als wij hier het woord geest gebruiken voor de allerfijnste lichtfunctie in de mens, dan ligt er iets huiveringwekkends in het vermogen dat ons mensen door de kracht van de geest is gegeven. Men zal het 'licht der wereld' dat in ons mensen is, echter nooit langs deze weg vermogen aan te tonen.

Alles wat zich door onze zintuigen mededeelt of opdringt, vormt in ons brein een spiegelbeeld en in ons gemoed een indruk. Naarmate wij de indruk door onze geestkracht verwerken, hebben wij het spiegelbeeld in ons brein daarvan doordrongen en zijn err meester over geworden. Op die wijze kan een mens in zich 'de wereld overwinnen'. Want indien hij de wereld is, dient hij die toch in zich te ordenen en... te overwinnen?
Natuurlijk gaat het hier niet om grootheidswaan of ook slechts maar een gedachtebeeld. Er ligt in die uitspraak een kosmische ervaring besloten en dat is eigenlijk het doel van onze reis: tot de erkenning komen als een ervaring (dat is méér dan zien en horen, méér dan denken en zich voorstellen) van de levenseenheid die ons aller werkingsveld en krachtveld is.
Wij noemen het 'het rijk van de geest' omdat onze eigen geest, die wij zijn, er in geworteld is niet alleen, maar ook omdat ons begrensd individualisme er in opgeheven wordt en erdoor bevestigd wordt wat wij zelf krachtens ons 'eerste geboorterecht' zijn.

Wij kiezen de superioriteit van de geest boven de dwingende noodzakelijkheden van het lichaam. Want deze laatste zijn vervat in het aardse mensendier, waarmede wij ons zelf hebben bekleed en waarin wij onze toevlucht hebben gezocht.
U zult misschien, goede lezer, zeggen: daar weet ik niets van en dus gevoel ik mij voor een dergelijke levensinstelling niet verantwoordelijk. Maar ik vraag u: wat kan er tegen zijn, in ons lichaam, temidden van alles wat er in leeft en zich beweegt, één heer en meester te kiezen en tot de ontdekking te komen dat wij dat zelf zijn? Want wat u zelf bent is er altijd geweest, al is het voor aeonen ondergegaan in verduistering en angst. Het is er 'van voor de grondlegging der wereld'. Wij staan hier niet voor een frase van een aangenomen geloof, maar wel voor een feit dat een mens kan waarmaken, zodat hij terugkeert in de schoot der godheid waarin zijn oorspronkelijk heil is gelegen.

Indien een mens deze weg kiest, gaan veranderingen in zijn dagelijks leven optreden. Deze veranderingen zijn volstrekt niet tragisch, veeleer bemoedigend en van een positief en opgewekt vermogen. Deze keuze leidt tot een weg ter ontplooiing en realisering van een allerinnerlijkst leven, een zich steeds vernieuwend dynamisch organiserend vermogen dat tot een vreugde leidt, die gelijk een bron in hem opwelt.
In dit levensgevoel heerst geen enkele vorm van afgescheidenheid. De taal die er gesproken wordt, kan zichzelf tot in een zwijgen mededelen, eenvoudig door de penetrante kracht van dit nieuwe zijn. Wij krijgen, hoe verschillend in landstaal, religie, rassen en naties wij ook zijn, deel aan een werkelijke gemeenzaamheid, een menseneenheid waarin zich alle afgescheidenheid vanzelf teniet doet.

De tegenstellingen waarin wij tot elkander leven, ontstaan enkel en alleen maar door de wijze waarop wij over elkander denken. Indien dit denken onder dwang staat van onze affecten, is het nooit geschikt de eenheid te bewerkstelligen. Uit het verstand komen de mis-verstanden voort.
Er is een diepere waarheid, die onuitgesproken kan blijven, omdat zij van een bijzondere kracht is en waarin het zelf zijn ware voedselbodem vindt. Steeds zal men trachten aan dat zelf een voorstelling te geven, al is het maar een punt om er het beginsel mee aan te duiden. In vele vormen van religie tracht men hiervan een beeltenis te geven opdat onze zinnen er enig houvast aan zullen hebben. Deze pogingen zijn te eerbiedigen en kunnen zeer sprekend zijn. Immers iedere ontroering, iedere gemoedsbeweging, ja, iedere werkzame kracht van onze geest, die zich diep in het zieleleven dompelt, beschikt over een vorm die echter zo subtiel kan zijn, dat er van weergave geen sprake is. Zij blijven zich verbergen in de grote, rijk vervulde stilte, die een mens naar zijn innerlijke aard deelachtig kan zijn.

Ik vind de Vairochana in het Tibetaans Dodenboek zeer schoon. Maar dat wil niet zeggen dat ik deze beeltenis ga aanbidden als voorstelling. Vairochana betekent: Hij, die in vormen zich zichtbaar maakt, de zich manifesterende en alomtegenwoordige, die in zich het positieve en negatieve beginsel verenigd houdt en als een centrale zon in het midden van die meditatie-figuren troont, die mandala's genoemd worden.

Prof. Jung in zijn 'Psychologie und Alchemie' zegt hiervan: 'De term mandala werd gekozen, omdat dit woord de rituele of magische kring betekent, die i.h.b. in het lamaïsme en vervolgens ook in de tantrische yoga (die haar steun vindt in Boeddhistische en Hindoeïstische geschriften) als yantra, d.i. een instrument der contemplatie, gebruikt wordt.
De plattegrond van het Paradijs heeft ook de vorm van een mandala, met in het midden de levensboom en de boom der kennis. Evenals in de Apocalyps het gezicht van de troon der goddelijke Majesteit, met daaromheen de vierentwintig ouderlingen en de vier dieren. Het middelpunt ervan wordt ook aangeduid met "De Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het Begin der schepping Gods".

Het is niet de bedoeling dat wij door zulke uitspraken worden overweldigd, want overweldigers maken ons niet vrij. Deze dingen houden verband met een andere Tibetaanse aanduiding, namelijk het Dharma-Kaya, dit is letterlijk: 'het waarheidslichaam', de waarheid als oorsprong, de waarheid 'an sich'. Ook dit is door een hoge imaginatie in voorstelling gebracht. Het beantwoordt aan vele symbolen als die van het Oerlicht, dat geen begin en geen einde heeft en zich kenmerkt door volkomen onaanduidbaarheid = leegte, een Niets dat niettemin de bron en oorzaak van de gehele schepping is.

Het waar-zijn veronderstelt een zielestaat, waar alle persoonlijke belangen en beweegredenen niet meer om de voorrang twisten kunnen, maar die van een bijzondere kracht is, zoals mensen, die haar liefhebben dit in het dagelijks leven ondervinden.
Het is te begrijpen, dat wij het zelf zijn die steeds weer afscheidingen t.o.v. onze medemensen teweeg brengen in een of ander oordeel of als een gevolg van een bemoeienis met hen, hoe nadrukkelijk ook beweerd wordt: oordeel niet.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij ons niet voorbehouden de dingen te zien zoals ze zijn, wat in de dagelijkse verhoudingen vaak moeilijk genoeg is, maar naarmate we ons betrokken gevoelen op die algezindheid (het is eenvoudig wonderwerkend) worden ons de samenstellingen in het leven al duidelijker en duidelijker. Het gaat tenslotte toch om onze bewustwording. Daarom zullen we er op uit zijn tal van misverstanden te doorgronden en proberen te doorlichten.
Het ligt voor de hand, indien we niet de levenseenheid erkennen, de grond der saamhorigheid, dat wij niet zouden weten wat ons zou moeten leiden in dit verlichtingsproces. Daarin ligt de mogelijkheid onze haat en afkeer te overwinnen, omdat wij in ons zelf een bron aanboren, die als een smeltoven werkt voor alle niet-een-zijn.

Materialisme en naturalisme zijn niet voldoende om de mensen hun wederkerige eenheid te doen beseffen. Er zijn oer-oude leringen die uit het oosten tot ons gekomen zijn en ook hun intrede in het christendom deden en gemaakt hebben dat het 'oosten' een zinnebeeldige betekenis kreeg als een aanwijzing voor innerlijk leven. Ik denk aan Dèr Mouw:

Zo is het in mij - een zonsopgang - gerezen
Het zelfbesef uit mist van oude waan,
tot Brahman; lang gevoeld, nu half verstaan,
ben 'k door uw feest van 't schijnbaar zelf genezen.


Dèr Mouw ervaart dit als eenheid uit Al-eenheid, als zelf uit Al-Zelf en gevoelt zich daardoor 'uit sterfelijkheid tot vrijheid losgebonden'. Het is de toestand van het geestelijk Zijn waarin geen toekomst meer te hopen, geen verleden meer te vrezen is. Een alverzoendheid met het ogenblik. Dit is het binnenste oosten.

Ons westerse individualistische denken is de oorsprong van alle utilitariteitsoverwegingen, van klassenstrijd en de drang der naties naar macht en overheersing. Maar voor een mens die het eeuwige leven zoekt, en niet de tijdelijke dingen in de eerste plaats, bestaat deze strijd niet. Hij heeft zijn eigen individualisme te overwinnen en in zich de wereld te ordenen. Hiermede kan hij geen opzet plegen in de uiterlijke wereld. Die luistert er niet naar, maar is niettemin het product van wat zich binnen in de mensen en de volkeren beweegt.
Maar het binnenste oosten kan men niet het zwijgen opleggen. Zijn werking is stil en niet tegen te houden in de mensheid. En ofschoon de mensheid zich steeds opnieuw presenteert, blijft de innerlijke werking van 'het zout der aarde' voortdurend in sterkte toenemen, omdat dit enorme werkingsveld nooit verloren kan gaan, en ook de mens niet die daarmede een waarachtige relatie onderhoudt.

Voor deze relatie zijn vele 'woningen' beschikbaar. Het 'Vaderhuis' is als een zich voortdurend uitbreidende boom waarin vele vogels hun nesten vinden, ook die waarvan wij het individueel helemaal niet zouden verwachten, omdat wij het niet met hun verschijning eens zijn. In deze zaken heerst veel discriminatie in de uiterlijke wereld, waar in 'de nieuwe wereld' geen plaats voor is. Laten wij de bedrieglijke vooroordelen opschorten, anders worden het grote belemmeringen.
Steeds weer zal naar een oplossing gestreefd worden die 'het betrokken zijn op een alomvattend werkingsveld' tot beginsel heeft. De teleurstelling die het menigeen geeft dit niet in het buitenste leven te kunnen realiseren, noodzaakt de leerling in zichzelf de orde te scheppen, waarin naar hun waarlijke afkomst 'alle mensen broeders zijn'. Maar de oogst zal groot zijn als hij ontdekt hoe in de nieuwe wereld in zijn binnenste goed noch kwaad, liefde noch haat, geen enkele tegenstelling meer wordt gekend. Het is niettemin een wereld vol warmte, bezieling, licht en leven, waarmede het afwezige geen tegenstelling meer vormen kan.

Indien we ons de concentratie eigen maken betekent dit dat wij aan één ding tegelijk aandacht vermogen te schenken, wat tot de gave leidt van te-kunnen-laten. De menselijke geest is al te dikwijls omhuld met tirannieke dromen en affecten, met kwellende gedachten en duistere overwegingen. Er zijn vormen van leed, die de grootste zelfbeheersing vragen om er afstand van te nemen en, door ze niet meer te voeden, ze te laten ontbinden. Dwingende affecten van onlust, ergernis of tegenzin lossen zich op in de merkwaardig bevrijdende stilte die door de wilsbehandeling teweeg gebracht wordt. Er zijn weerzinwekkendheden, die een mens ziek en onpasselijk kunnen maken en het is een grote kunst, deze aan zichzelf over te laten in de diepe gemoedsrust en onverstoorbaarheid, waartoe de juiste concentratie en meditatie leiden kan.

Het is steeds een vrije beweging uit zichzelf. Nooit een moeten, nooit een opzettelijkheid, maar eenvoudig aandacht schenken in ontspanning, mildheid en vertrouwen. Het is niet een zich laten boeien door een of andere lichamelijke functie, een zich laten gaan of een vorm van genieten. Nooit een zich laten fixeren door lust, angst, jaloezie of een prikkel van pijn of leed. Zouden we ons laten gaan gedurende de concentratie in voorstellingen van haat of ergernissen, dan zouden deze daardoor alleen maar gevoed worden en een vernietigende uitwerking hebben op de structuur van onze zich vormende ziel, die wij juist proberen op te bouwen in stilte, kracht en zuiverheid. De kracht der concentratie heeft het geestelijk rijk als oorsprong en voedselbodem. De geestkracht, die wij er door deelachtig worden, is verfrissend en versterkend en neemt vormen aan in de helderheid van ons wilsvermogen.

Indien onlustgevoelens te doorstaan zijn, oefen u dat te doen zonder enige zelfkwelling en zonder enig zelfmedelijden. Geef u zelf nooit een tikje op de schouder van: dat heb ik mooi voor elkaar gebracht, maar laten wij het als de gewoonste zaak van de wereld beschouwen iets te kunnen laten. Wij zouden dan opnieuw slachtoffer worden en onze vijand altijd thuis hebben. Het heeft natuurlijk niets te maken met wat andere mensen in deze dingen van ons denken. Het is onze eigen zaak, voortkomend uit eigen verkiezing en eigen vrije wil.
Op onze weg zal blijken dat er een zevental energiecentra zijn, die wij ons eigen kunnen maken. In werkelijkheid zijn er vele meer maar voor de praktijk en de goede indeling houden wij ons aan dit zevental, dat zowel kabbalistisch als oer-klassiek gerechtvaardigd en verantwoord is. Deze opgave is ook vermeld in de Apocalyps en verborgen weergegeven in de zeven sterren, die de kosmische mens in zijn rechterhand houdt. Ook de zeven kandelaren, die voor Gods troon branden, hebben er betrekking op, evenals de zeven gemeenten (ecclesia). Een 'ecclesia' was oorspronkelijk een volksverzameling niet alleen, maar ook een vereniging van krachten. Later is dat geheel door de godsdienst geannexeerd en gemaakt tot kerkgemeenschap. De zeven gemeenten nu zijn ook krachcentra.

Het Boek met de zeven zegels openen is: het binnengaan in een nieuwe wereld, een eeuwig lichte nieuwe wereld. Daarvoor heeft men een steeds zich vernieuwend lichaam nodig, het licht-lichaam van het Zelf dat uit God is. De concentratie nu is het begin van de weg. Waar zouden we heengaan indien er niet een weg is die tot binnen in ons zelf leidt? Waar kunnen wij, indien er een afdaling nodig is op deze tocht, dat anders doen dan in onze eigen ziel? Het is de grootste ontdekkingstocht van alle tijden. Ik beveel dus wel een zo zuiver mogelijke gemoedsinstelling en denkwijze aan om de eenvoudige reden, dat dit de weg der concentratie veel kan verlichten. Ik versta daaronder eenvoudig een oprechte instelling zonder bijgedachten en nevenbedoelingen. Het gaat niet aan om angst te hebben voor eventuele tekorten of zonden of ons schoon te kunnen houden van het aardse stof, dat iedere dag onze voeten vuil kan maken. En wat die zonden betreft, is er veel zelfkennis voor nodig om te ontdekken wat ze in werkelijkheid zijn. U leert ze beslist kennen wanneer ze zich uit de verborgenheid van het onbewuste aan u voordoen en u dat wonderlijke mensendier dat u te temmen krijgt in zijn opstandigheid, zijn verwikkelingen en intrigerende opzettelijkheden in toom wilt leren houden. Daardoor komt het ook dat het lichaam wel eens spanningen te verwerken krijgt, die zich niet zo gemakkelijk laten oplossen en waardoor een ogenschijnlijk onwelbevinden, soms zelfs pijnreacties kunnen optreden.

Het genoemde zevental heeft zonder twijfel met het astrologisch jargon te maken. Overwinnen wij onze sterren, dan betekent dit dat de heerszucht en trots verkeerd wordt tot rede. De traagheid en luiheid der maan zich verheft tot een vruchtbare imaginatie. De jaloezie en afgunst van Mercurius tot zuivere onderscheiding, de woede van Mars tot dynamisch, werkzame energie, de ontucht van Venus tot een zuiver sentiment, de gulzigheid van Jupiter tot edelmoedigheid en de gierigheid van Saturnus tot matigheid.

Zo gezien zijn zonden niets anders dan de animale verpakkingen van onze deugdelijke kwaliteiten. Zoals de eigenlijke mens is ingesloten en belemmerd door de gebondenheden van het dier der aarde en hij een weg zoekt zich daarvan te leren bevrijden, komt het begrip hoe die weg te bewandelen al meer naderbij. Tenslotte gaat het om een heerschappij, waarvan de centrale kracht zijn wils- en geestkracht is en die de ontdekker meer en meer duidelijk wordt.

Barend van der Meer

woensdag 6 januari 2010

Ik zag de schapen, groot en klein


10. - Het verloren schaap


Het was een kudde van honderd schapen en een ervan was ongehoorzaam en onttrok zich aan de troep en werd tot een zondig schaap. Het deed niet meer mee en nam zijn weg naar de bergen.
Waarom? Het was eigenzinnig en wilde weg zijn, waarschijnlijk helemaal weg en niet meer aanwezig. Het zocht niet de dood maar de eenzaamheid. Het zocht de verlorenheid. Het mankeerde, het was er niet meer. Dat nu was de eigenlijke zonde. Er niet meer zijn. 'Chata' dat eenvoudig betekent mankeren, een fout maken, iets doen ontbreken.

Het verloren schaap heeft inbreuk gemaakt op de bestaande gang van zaken. Het luisterde nergens meer naar en waar blijf je dan. Het sloeg geen acht op het geboren zijn in de collectiviteit van het dagelijks leven, in de veiligheid der gehoorzaamheid aan de clan, de stam, de familie.
Wat is dat voor een drang die het schaap verleidt de bergen in te trekken of de woestijn? Was het gebeten door de slang die het verward had met de vruchten van de boom der kennis van goed en kwaad? Of had het gehoord van de levensboom met zijn overvloed aan goddelijke gaven? Of had het vernomen van een leven dat men moest verliezen? 'Want zo ge niet verlaat alles wat ge hebt...'. Was het daarom?

Of zocht het de schoonheid van het ware leven waarvoor het zich moest kunnen losmaken van allerlei banden die hem willen weerhouden oprecht te zijn omdat in het gebonden zijn de angst schuilt. Was het een moedig schaap die de banden met zijn zusters en broeders achter zich had gelaten, de vermeende veiligheid voor zich in gevaar bracht en de geborgenheid vaarwel zei? Volgde het toch een stem in zich zelve dat het leven iets anders moest zijn dan een ingeslotenheid, een eigen huid onder vele andere huiden, een eigen hachje en de zorg daarvoor en de moeiten en de onrust en de wanorde?

Een eigen stem volgen is een hachelijke onderneming. Is het koppigheid of herinnering? Is het eigenwijsheid of geweten? Geweten niet als een affect der opvoeding van: 'dat alles niet mag', maar geweten als de stille stem van het gewetene, de stille stem die herinnert aan waar-zijn en vrijheid, aan een andere wereld, misschien in het generzijds in ons zelf.
Ligt er op de bodem van onze ziel niet een schoon rijk, een rijk van licht en vreugde en helderheid en onbevangenheid en openheid? Was er misschien, zo'n schaap toch, een gemis, een afwezigheid, een zonde in bovengenoemde zin en kende het de onweerstaanbare drang naar deze leegte aan te vullen en compleet te maken om dan weer terug te keren tot de verlaten kudde waardoor voor hem het honderdtal weer volledig was. Dat ene schaap, een op de honderd, had dat enig vermoeden van die missing link in zichzelf, van het ontbrekende en zette het alles op alles? D.w.z. het verliet alles, om deze schakel ' met alles' weer terug te vinden. Wat was die schakel?

Is niet ieder mens betrokken op het land van zijn afkomst? In ieder is de lichtschakel die hem met zijn oorsprong verbindt. Deze terug te vinden is het vinden van het innerlijk kleinood. Het zich losmaken van allerlei dwingende overheersingen en eigenaardig bindende tirannieën, biedt een eindeloze schakering van wederwaardigheden die in een bonte veelheid worden beleefd. Dit gaat gepaard met nu eens een verschrikkelijke strijd die tot in het merg wordt gevoeld en dan weer met een uitzicht op humoristische in- en doorzichten omdat de weg ter bevrijding tenslotte door vreugde-fanfares wordt begeleid. Natuurlijk worden deze spontane uitingen in vele gevallen tot stille ingetogenheid teruggebracht.

Er is veel overeenkomst met de tien fasen van de verloren os zoals die in de Zen-leer tot ons is gekomen. De herder gaat uit om zijn weggelopen os te zoeken. Hij is 'verdwaald op de onbegaanbare paden van de verre bergen'. Wie weet was ook hij op weg de grazige weiden te ontdekken. De herder is vele malen het spoor bijster maar eindelijk vindt hij het.
Het eerste spoor is gering en nauwelijks te herkennen. Het is moeilijk het niet over het hoofd te zien. Is het niet altijd als het zoeken naar iets kleins, een zachte klank, een stille klop? Speuren we niet altijd naar de ontmoeting als naar een kiem, een gering geworden leven, een tarwekorrel die verging in de aarde, een penningske, een muntje, waarvoor het hele huis werd ondersteboven gehaald? Iets dat pasgeboren was? Het kindje dat nog niet eens geglimlacht heeft? Het stille uitzien, het wondere sentiment, het nog onberoerde en zachte. Het zachte overwint het sterke, zegt Lao Tse. Het geringe overwint het grote. Het kleine spoor leidt tot de overwinning al is het dan na hevige strijd.

Want de herder vond de os. In het Zen-beeld was het een verschrikkelijke strijd hem te overmeesteren en te temmen. Hij was namelijk helemaal verwilderd geworden. Maar het gelukte. Het is het ogenblik 'dat het lied van de nachtegaal klinkt'. Hier op deze schone plaats kan niets zich verbergen. De wind is zacht en de wilgen zijn groen langs de oever. Maar de kracht van de os is onuitputtelijk. 'Hij stormt naar het hoge plateau boven de wolkennevels of staat plotseling in een onbetreedbaar ravijn'.
Maar de herder heeft hem overwonnen en maakt hem gehoorzaam en rustig. Ongeboeid volgt hij tenslotte zijn meester en deze zet zich schrijlings op zijn rug. Hij haalt zijn fluit tevoorschijn en melodiërend komt de herder thuis.
O, dat thuiskomen. De deur is open en niets is er dat hem weerhoudt. Het uitzicht is schoon en vrede ademen aarde en hemel. De verre bergen doen alle strijd en lijden vervagen. De os ligt vertrouwd te herkauwen in zijn stal. Alles is terug. En in die heerlijkheid vergeet de herder de os, verlaat zijn huis en keert zich naar het vele en de mensen om te vertellen hoe hij zijn verdwaalde os gevonden had en hoe blij hij was.

Maar in de geschiedenis zoals wij die kennen is het kalf, het schaap, het lam weerloos. Het is stil en rustig als het wordt gevonden en de herder neemt het op zijn sterke schouders en vlijt het om zijn hals en brengt het weer thuis.
Wat heeft het lam gevonden door gevonden te worden? De open deur die toegang geeft tot de eeuwig grazige weiden! De volheid van het ware leven waarin geen verboden zijn, geen angsten en geen overtredingen. Want alles ademt er harmonie en de goedheid van het leven. Wat is er dan te overtreden en wat voor zin heeft daar de angst? Daar is het binnengaan in een nieuwe wereld. In ons het geringe spoor, het niet geziene dat toch de oorsprong is van alle werkelijk zien. Het verbindt ons met de andere wereld in ons over de drempel van de open deur.

De mensenzoon is de innig liefdevolle en zeer schone en stille mens, de mens van het ontkiemen van het verrijzende leven, van de wedergeborene. Als de grote verandering heeft plaatsgehad is er geen onderscheidenheid meer voor het schaap in zijn verlorenheid, de zoekende herder en de mensenzoon als open deur. Het is alles één geworden.
De geschiedenis van het verloren schaap leert ons dat het leven bij het einde begint. Het leven loopt ten einde en dat is tot aan de grens. Maar de grens van wat? De grens van ons lichaam? Onze huid? Blijven we in onze huid tot ontbinding overgaan of is er een moment, een moment der verlorenheid dat wij over een drempeltje ontsnappen naar 'de andere wereld'? En wat is eigenlijk die andere wereld?

Het is dezelfde wereld waarin ook de naakte jongeling ontsnapte die het nachtgewaad achterliet in de grijpende handen van zijn achtervolgers. Er is een moment binnen in ons waarop we over het drempeltje gaan als we tenminste willen. We hebben dan 'als de kinderen' onze kleren onder de voeten als een bundeltje gelegd en naakt gaan we over de drempel.
Deze overgang is een einde en tegelijk een nieuw beginnen. Iemand die dit moment vindt in het ogenblik waarin hij leeft, heeft het voor altijd gevonden. Want het afscheid staat altijd voor de deur. Dit behoeft niet zijn neerslag te vinden in een zwaar op de hand memento mori. Het gaan van onze levensgang is als het vallen van de ene voet op de andere. En ligt daarin niet het hachelijke moment? Want er is een ogenblik dat we op één voet staan. Dat behoeft niet te betekenen: met de ene voet in het graf, nee, maar met de ene voet in wat nog niet eerder is geweest. In het nieuwe. Het binnengaan in het nieuwe bij iedere stap; dat is ieder ogenblik.

Wat verbindt de interval tussen systole en diastole, het ja en het nee, het ene en het andere, yang en yin, de in en de uitademing, het begin en het einde? Wat rijgt het ene aan het andere? We weten wat de klop is van het hart. Weten we ook wat de klop is van de ziel?
Simone Weil zegt dat het Griekse woord dat men met geest vertaalt, letterlijk vlammende adem betekent, adem met vuur vermengd. Dan brengt ons die vlammende adem dicht bij de wedergeboorte die in onze ziel plaatsgrijpt in een vermenging van water en vuur. Wat wordt geboren uit de in- en uitademing, uit onze hartenklop, uit Ik-inademen en Aum-uitademen. De kracht van bim-bam en tik-tak. Waar is het einde van I en het begin van A? Het kostelijk onnoembare moment tussen 'niet meer en nog niet'. Hier ligt de open deur. Hier is het ogenblik ter ontkoming, het ogenblik der verandering.

Hier is het begin van het eind. Hier is de doorbraak van de huid, van de begrenzing en het binnengaan in een nieuwe wereld. Al het andere heeft de mens verlaten. Zoek dit kostelijk moment, niet van de man, noch van de vrouw, maar van de mensenzoon als open deur. Dit is de open deur ter ontkoming en het mensenkind gaat zijn eeuwige vrijheid en zaligheid tegemoet.
Als de herder het verloren schaap gaat zoeken verlaat hij zijn relatie met de kudde. Hij zegt niet: o, die kudde is sterk genoeg en redt zich wel. Niet daarom gaat hij het verlorene zoeken. Nee, maar zijn aandacht is bij het verlies van het zwakke, het zwakke punt, de zwakke schakel, de zieke, de mindere, de verlatene en de verlorene. Dit is het wat hij naloopt. Want dit is het ook dat bij zijn terugkeer met het gevonden schaap de kudde, het geheel in stand houdt. D.w.z de honderd is weer compleet - het volmakende is weer als een blijvende werkzaamheid in de collectiviteit aanwezig.

In het zwakste van zijn kudde ligt het behoud van het geheel bewaard. In het allerkleinste speelt en beweegt het volkomene. De kudde is geen volkomenheid. Dat is iets dat verlaten worden kan. De kudde is een gezamenlijkheid, een kracht en macht, een sterkte, en zijn leiders gaan vooraan. Maar in het kleine, het verlorene, het uiterst fijne, het atoom, het zielevonkje van de geest, daar ligt het eeuwige onuitblusbare beginnen, in de beginne, het onuitroeibare en onsterfelijke, het blijvende en het trouwe, dat is de open deur, daar is de mensenzoon.
Want de mensenzoon gaat niet vooraan. Hij draagt geen vaandel en roert geen grote trom. Wie ziet hem? Wie ziet hem eigenlijk? Niet doordat men beelden voor hem opricht en prachtige kathedralen. Niet als men roerend eenvoudige kapelletjes langs de weg plaatst, ofschoon het bouwseltje zeer nederig is, bijna een stal. O neen, wil men hem vinden, die de open deur is in uzelf, ga dan de lange en moeilijke en steile weg en laat u niet afschrikken. Al die verschrikkingen zijn maar de spiegelbeelden van uw eigen angsten en vrezen en dus niet werkelijk.

Daarom: volhard tot het einde want daar wacht u een nieuw beginnen. Subtiel, verborgen, stervend, vergaand, ontbindend, en in al die vermenging de verrijzenis van de glans die een zang is, van het woord dat een licht is, van de schoonheid die de liefde is. Daarom: het kan niet missen. In het spoor is het begin van het vinden. Het spoor is ook in de vrucht die ten dode is gewijd. In de verrotting van de vrucht vangt de boom in zijn voleindiging aan. De oude boom leeft voort en blijft bestaan gelijk de kudde. Maar de nieuwe vindt een begin in de ondergang van de vrucht. De vruchten vallen af, zij verlaten de boom en vallen in de aarde en ontbinden en daarin veroorzaakt de boom zichzelf wederom tot boom.

De verdwaalde jonge vruchten zijn als de verloren jonge dieren, het lam Gods, waarvoor de goede herder zijn leven laat. De goede herder laat het om het zelf weer te ontvangen, vernieuwd, in de glans van het beginnen en wordt weer tot vrucht in een eeuwig rijpen. De goede herder laat het om het zelf weer te ontvangen, vernieuwd, in de glans van het beginnen en wordt weer tot vrucht in een eeuwig rijpen. De goede herder is het eeuwig rijpend beginsel in de mens, onuitroeibaar als het mysterie van het leven zelf. De goede herder, de mensenzoon geeft van ogenblik tot ogenblik zin leven als een ononderbroken geboren worden, een ononderbroken vernieuwing. Er is geen plaats voor vasthouden, voor zelfhandhaving of perfectionering.
Zij die zichzelf zoeken in zelfzuchtig drijven zijn geen ware herders. Zij zijn de bedervers, de machthebbers, de slavenhouders en de dwingelanden.

Zij roepen zich uit als herders der verlaten kudde, bemoeien zich met de menigte als massa waarover zij zich ontfermen. Zij nemen ingrijpende maatregelen, keren de dingen binnenstebuiten, leven met hen in een voortdurende omwenteling, verbeteren en breken af, maken zich oneindig druk, hebben haast, brengen slagen toe als ze het nodig vinden en komen dan weer met pleisters om op de wonden te leggen. Ze zien niet op tegen ontelbare moorden, intrigeren altijd en gaan vooraan met ijzeren gezichten en gepantserde vuisten. Ze geven altijd maar leiding en delen taken uit en opdrachten. Als de omstandigheden het nodig maken schieten ze op hun medemensen, plaatsen ze in kooien of nemen hen gevangen.
En onderwijl gaan geslachten onder en maken plaats voor nieuwe, eindeloos. Van een open deur hebben zij nooit geweten of ze zeggen in mateloze zelfverheffing: dat zijn wij. Zij zijn de grootste vijanden van het geestelijk leven in vrijheid, waarheid en schoonheid.

Merkwaardig is dat herinnerd wordt aan de ene zondaar die zich bekeert en meer vreugde onder de engelen oplevert dan de 99 anderen die de bekering niet nodig hebben. Daarom begrijpen wij de vreugde die de vrouw beleefde als zij het verloren penningske weer had gevonden. Zij ging feesten met de buurt en kon haar geluk niet op. Zij moest het delen met de anderen. Er was geen andere mogelijkheid. Zij kreeg door het terugvinden van het muntje deel aan de vreugden der hemelse scharen, te beginnen bij de Seraphim en te eindigen bij de aartsengelen. Zij ontdekte dat de hemelen lachen, de vreugde Gods bij zoveel openheid.
De blijheid om het geringe, het kleine ogenblik waarin de reddende genade zich kenbaar maakt. Bij de Zenmeesters is het de les van de os, bij de bijbellezers is het het schaap en het bescheiden muntje of de tarwekorrel en het mosterdzaad. Het is overal ter wereld hetzelfde waar het oog ook speurt, het zal het kleine en geringe vinden. Het doet er allemaal niet toe. Of het vee is of geld. Er wordt niet meer gespaard en niet meer gerekend, want door de open deur stroomt de goedertierenheid binnen en de overstelpende stroom uit de hoorn des overvloeds. Daardoor gaat alles in elkander grijpen en weten we wat het zeggen wil in het geheel te leven, in de wisselwerking van alles en allen, in het eeuwige stirb und werde waardoor de mens opeens geen 'trüber Gast' meer is op dit arme ondermaanse.

Het is dan nodig dat wij onze ziel weer terugvinden. Dat we haar fijne en zuivere aanvoeling wederom verwerven. Dat het innerlijk 'oog' de fijnste beweging in het opkomende leven van het hart bespeurt.
Het kleinood heeft een schone glans. Ge kunt het nooit verkopen al zou men u ook alle schatten der wereld bieden. Want het heeft geen prijs. En hij die dacht het te kunnen kopen zal slechts al armer en armer worden. Ook kunt ge het niet schenken wanneer ge het gevonden hebt. Aan wie zoudt ge dit moeten doen, want niemand kan de waarde kennen die het zelf niet verworven heeft.
Daarom, ik werp het weer in de oceaan van mijn verlorenheid en het zal zeker weer uit de golven verrijzen en de verrukking zal zo zijn alsof zij nooit een einde neemt, als de vreugde van een eeuwig vernieuwd wederzien.

En de mensenzoon zal staan op de drempel van het nieuwe beginnen, altijd en altijd. Dat is de open deur en wij begrijpen de vreugde die een mensenkind ten deel zal vallen en die zelfs die der engelen zal te boven gaan.
We hebben een waarachtig geweten dat nooit begeleid wordt door angst en bedreiging der opvoeders. Nooit door: je moet. Het geweten zegt niet: Je moet. Het kent geen bevel. Het heeft een fluisterende stem en werkt als een herinnering. Als de zang van een verre vogel. Het geweten als een herinnering is eerst vaag als een belofte die bijna niet te geloven is, een herinnering aan het land van generzijde waar geen mens is afgesloten, al heeft hij zijn ziel nog zo afgegrendeld.
Het helpt niet. Het aldoordringend-noodwendige, de stem van de roepende, de zachte stem, de stil naderbijkomende, de hand die zich uitstrekt om het stervend vogeltje weer op te nemen en de kracht die het vogeltje maakt tot een zich verheffende phoenix verrijzend uit de brand. Het bespeuren van het nieuwe, dat binnengaan is in het binnenste, de ademtocht die is als vuur en die ons beroeren komt alsof reeds de aarde brandt. O, het is te bemerken, te horen, te gevoelen, te beleven en wij zeggen: zo fijn is de stem van het geweten, zó fijn:

Mijn oor speurt naar beweging in de adem van mijn ziel.
Ze blaast mij aan en ik luister vol verwachting.
Ze vraagt zich mee te delen in mijn taal en ik verga bijkans en zeg: hoe moet ik dit vertalen, dat ieder mij verstaat?
De stem zegt: ik ben zonder zorgen, dus wees zelf onbezorgd.
Ik ben zonder vrees, wees zelf ook niet bevreesd.
Ik kom tot u als adem van het leven dat niet vergaat.
Geef mij uw adem en ik ruil met u.
Geef mij uw stem in uwe taal en ik schenk mij aan de uwe.
Ik ben wel als een vuur maar ik verschroei u niet en het licht dat ik verspreid dat is vol zaligheid.
De deur staat open wijd, en ik kom binnen op uw roep en verlaat u daarom niet meer wat er ook kan gebeuren.
Ik ben de minnaar van uw ziel en deze ziel is mijn.
Omdat ik haar bewoon, doordring, liefheb en vervul.
Ge maakt uw innerlijk tot mijn bruid en samen leven wij, nooit meer te scheiden in het hoog vertrek.
De vervulling der verlorenheid.

Dit zwakke ogenblik, hoe ongrijpbaar is het. Het vlucht onmiddelijk weer weg. Niet vasthouden, stil blijven en de beweging volgen als een eerste hartslag. Luister met het zuivere geweten en maak het aan het oor gelijk. Dat is op de grens van alle weten, van zeker weten, want zie daar ligt het open land. Vervaagd is de grens tussen gisteren en vandaag. Opgestaan is de herinnering, die werd tot zekerheid in aanwezighdeid.
Is dat niet de bezinning? Het speuren van het ene ondoorgrondelijke, in nemen en in geven, in verwekken en in baren, in geboren worden en sterven, de ononderbroken gouden draad van het lied van het open leven, het lied van de mensenzoon.

Barend van der Meer