maandag 17 november 2014

Koe met kalf


12. - Over het geluk

In deze wereld? In deze wereld. Maar hebt u de krant dan niet gelezen en de radio niet gehoord en naar het nieuws gekeken op de tv? En hebt u dan geen mensen gesproken of hebt u niet gehoord waar ze het over hebben en wat ze zo druk bepraten? Hebt u vanmiddag ook niet op het Leidseplein gestaan dat je de kriebel kreeg in je keel en zo kortademig werd alsof je niet genoeg lucht kreeg? En niet de boeken gelezen van George Orwell: '1984' en Zamjatin: 'Wij'; en een van de meesterwerken van onze wereldliteratuur? 'Apologie van een gek' van Strindberg, waarvan Alain Jouffroy in l'Express zegt dat die nog altijd onze tijdgenoot is? ls je dat dan allemaal gezien, gehoord, gehoest en geademd hebt en ook nog gelezen, waarom heb je dan nog zin om over het geluk te spreken? Hoe kun je, hoe durf je, hoe wil je?

En toch wordt dit een brief over het geluk. Het geluk van het leven. Het geluk van de liefde tot het leven. Het lachend geluk, het werkelijke geluk, het unieke, echte, onverstoorbare en stralende. Uit deernis met de wereld en de wezen en de ziekenhuizen en de krankzinnigengestichten en allen die lijden schrijf ik u over het geluk. Over het geluk dat als een licht op u afkomt, dat u aanraakt, doordringt, opheft, blijde maakt, verwonderd, verbaasd; ongelooflijk dat het zo maar tot u komt zodat u vergeet te hoesten en te pruilen en te denken en te schelden en uw ontevredenheid te betuigen en over andere mensen te praten.
Oja, vergeten te denken. Het geluk denk je niet, dat is iets dat je zo maar van binnen uit, omdat u het herkent, omdat er geen reden voor is, omdat u leeft en - is er nu toch een reden voor? - omdat u leeft en van het leven houdt.

U wilt mij niet geloven, maar u leeft altijd ook als mensen beweren dat het niet kan. U leeft altijd en stel u eens voor dat u altijd van het leven zou houden. Dat het leven uw geliefde was. Het liefste dat u bezat en zelf bent. Ik bedoel niet uw lichaam, niet uw ziekte, niet uw verdriet, niet uw twijfel, niet uw gewone chagrijn en ook niet uw ergernissen. En nog veel meer bedoel ik niet. Alleen maar uw leven dat altijd bij u is en waaruit u bent en dat uw geliefde is en vóór al het andere. Misschien zegt al het andere: dat gaat zo maar niet: ik eerst en dan je leven. Maar het is echt waar, zonder leven geen liefde. Hoe kun je nou iets geven als je geen leven hebt. Hoe kun je iets zijn zonder leven. Niemand kan zich voorstellen wat dat is. Het levenloze is een onmogelijkheid, een eeuwige niet-bestaanbaarheid. Het is niet bekend, je vindt het nergens.

Maar het leven. Het leven klopt in u maar u hoort het niet. Ja, misschien zegt u: mijn hart slaat over, of ik heb hoge koorts, of ik gevoel me zo flauw. Maar het leven leeft binnen in u. Het heeft ogen en oren, het leven. Het lacht, het leven, maar u weet het niet. Natuurlijk weet u het niet, want dan zou u zelf ook lachen en niet vervelend zijn of boos. Echt, het leven lacht en is blij. Het is altijd blij, het is onvermengde blijheid, vreugde en angstloos. Dacht u dat het leven bang was? Nooit. Het kent geen angst en geen lijden, het straalt, het is licht, het kan niet ophouden te leven en te stralen en te lieven en gelukkig te zijn. Het is als met een innig geliefde die je altijd liefhebt, altijd, omdat het nu eenmaal zo is en omdat je niet op kunt houden lief te hebben.

Als u van het leven houdt moet u zorgen dat u het zich niet laat ontfutselen, het sterke, het stralende, het schitterende leven, de volheid van het leven. U moet er op de bres voor staan, niet uit behoudzucht, niet uit angst het te verliezen, niet uit saaiheid of gebrek aan belangstelling. Natuurlijk saaiheid en gebrek aan belangstelling is de ontkenning voor het leven. Het gaat zich verschuilen achter grafgewaden. Het maakt zich onzichtbaar in vervelende grauwheid en grijsheid. Het wijkt terug voor somberte en melancholie. Houdt u van somberte en melancholie? Bent u er gek op? Houdt u van ziekte en narigheid? Verzamelt u het? Ik ken iemand die verzamelt rouwbrieven als een ander postzegels, gouden tientjes of suikerzakjes. En ik weet van een heleboel mensen dat ze angsten en narigheden verzamelen. Kasten vol. Niet alleen in hun bovenkamer, maar ook in de buurt van het middenrif. Natuurlijk ook verder nog naar beneden. Ze zeggen: 'ik kan er niets aan doen'; ze hebben geen tijd voor iets anders. Het is net als het werk aan de lopende band. Weet u dat het lichaam niet uw leven is?

Misschien is het lichaam wel ziek of ongelukkig. Zo veel te meer moet u iets in het lichaam laten werken dat er goed voor is en het opbeurt. Dat gaat van het hoofd uit. Het begint in het hoofd. Daar verzamelen zich allerlei voorstellingen, net als in de tweede kamer. Het hoofd zit propvol. Er kan haast niets meer bij en bijna wordt een mens er bewusteloos van. Hij moet zijn bewustzijn ontruimen. Hij moet de slang erop zetten en net zo lang zijn bewustzijn met water bespuiten tot het helemaal schoon is. Wat voor water? Dat u altijd bij u hebt. Hebt u niet bij Lao Tse gelezen dat het leven is als water en gaarne naar de laagste plaatsen stroomt? Dus u kunt in zekere zin overal bij. Het komt overal, het leven. En het luistert naar u. Het luistert naar uw wil. Want het willen is een kracht uit het midden van uw bewustzijn. Ge moet aandacht hebben voor het middelpunt.

Van daaruit gebeurt het. Aandacht, heldere aandacht, onvermengde aandacht. Laat gedachten er zich niet mee bemoeien. Vervul uw brein met aandacht, uw bewustzijn met aandacht. Rustig, stil, vertrouwend en onophoudelijk. U houdt toch van het leven? Meer, nog meer. Want waar u van houdt, daarvoor hebt u aandacht. Dat gaat op het laatst vanzelf en dat is als een ononderbroken stroom van aandacht voor het heldere onvermengde leven. U moet niet in de eerste plaats van uw lichaam houden, ook niet van uw maag noch van uw tong noch van allerlei andere organen van uw lichaam. Let maar eens op: wat u veel aandacht geeft, daarvan houdt u. Dat is wis en zeker.

En wij hebben het over het geluk. Niet over een man of een vrouw, meisje zus of jongetje zo. Niet over een spaarpot of de cholera. Nee, over het geluk. Eerst het geluk dan het leven. Eerst voor al het andere, het geluk, het werkelijke, dat zijn oorzaak in het leven zelf heeft op het ogenblik, op dit ogenblik, op ieder ogenblik, tot u voelt dat u contact hebt met uw eigen leven in u, binnen in u, want het heeft een beginnen in u en eens verwekt houdt het nooit meer op.
U zegt misschien: eerst mijn maag, of eerst een man of een vrouw, of eerst een auto, of eerst de honderdduizend, of eerst al het andere en dan het geluk. Maar dat is de omgekeerde weg. Eerst het ene en dan al het andere (als u het nog zou willen).

Al het andere gaat tot u stromen, overvloedig gaat al het andere tot u stromen. Maar blijf ondanks alles het eerst het geluk liefhebben. Het lachende, het vreugdevolle, het innige, het u zelf behorende, het oorspronkelijke, het sterke en alles overheersende dat u wilt, dat u voorstaat, waartoe u besloten bent en waarnaar u van ogenblik tot ogenblik haakt en het wil en het kunt en het noemt en het boven al het andere hooghoudt. Want er zijn miljard indringers en bedriegers die willen zich aan u verkopen en zeggen: ik ben het geluk. Maar er is maar één geluk, zoals er maar één leven is en één God en één u en één ik en één werkelijk onverdeeld leven. Eén onverdeeld leven.

Wees niet zo erbarmelijk bescheiden. Zeg niet: ach, had ik maar een kruimeltje geluk. Een kruimeltje. Wat doe je met een kruimeltje geluk? Je kunt het niet eens kado geven. Wie geef je nu een kruimeltje geluk? Aan de zieke geluk schenken, aan de tragische geluk schenken, aan de verlorene geluk schenken, aan de overledene geluk schenken, aan de stervende geluk schenken, aan de scheidende geluk schenken, aan de gevangene, geluk schenken, aan de miljarden geluk schenken. Wat doe je met een kruimeltje? Wees niet bescheiden. Vergeet voor het geluk al het andere. Vergeet te zondigen, vergeet het kwaad spreken, vergeet te vloeken, vergeet te schelden, vergeet jaloers te zijn, vergeet te wreken, vergeet je ongerust en angstig te maken, vergeet je geld te tellen, vergeet dat je honger hebt, vergeet de dood en vergeet alle ellende. Omdat er een wonderbaarlijk leven in u is dat u moet leren kennen en beminnen en vrijhouden van de miljoenen onreinheden en overweldigende verduisteringen.

Vergeet dus uw klachten en wil het geluk, met geheel uw hart en al uw kracht, met geheel uw verstand en gemoed en hersenen en geest. Kies toch wat u bemint, kies toch wat u liefhebt en jank niet over de dingen die u niet hebt, de kinderen die u niet hebt en de echtgenoten die u niet hebt en de bedgangers die u niet hebt en de moordenaars en huichelaars en kwaadsprekers en gesjochten jongens die u niet hebt. Laat u toch niet overdonderen door al die gezichten.
Hebt u wel eens in een kamer gestaan met allemaal spiegels? U kon u zelf op letterlijk alle manieren zien en deze manieren weerspiegelden zich nog eens honderdvoudig als in het oneindige. Weet u dat het allemaal weerspiegelingen zijn? Herinnert u zich het woord van het zien in een duistere spiegel? En alles wordt oneindigvoudig in de wereld weerkaatst, alles en alles.

En al die oneindige weerkaatsingen van alle gebreken en tekorten en ziekten en ellende overweldigen u. Maar het geluk vind je nergens weerkaatst. Het geluk is niet te weerkaatsen. Het is uniek en van edele kwaliteit. Het is het enige. Er is niet mee te marchanderen. Heb het lief en het heeft u lief. Wees het trouw en het blijft altijd bij u. Het zal niet weglopen, het kan het niet. Want als het spiegelbeeld ervan de deur uitloopt en tegen u vaarwel zegt en het zegt u goedendag voor altijd, wel dan weerkaatst zich die groet in u en ge schenkt het vertrekkende spiegelbeeld uw geluk. Want het geluk dat ge schenken kunt als een onuitputtelijke kracht dat is het geluk. Kom, kies het en wil het en heb het lief en begrijp dat het geen eisen stelt. Het is hier en het is nu. Het leven, het echte en het ware en onvermengde en stralende. Het schijnt in de duisternis als een licht en laten wij het uiteindelijk - alsjeblieft - eens 'begrijpen', (al staat er dan geschreven: 'en de duisternis heeft het niet begrepen').

Er schijnen machten in de wereld te zijn, die ons mensen zeer ongelukkig willen maken. Maar niettemin is er een eigen willen, een geloven en een hopen, dat er een geluk van absolute waarde is dat geen macht ter wereld ontwaarden kan, waar niets buiten ons zelf ook maar iets over te zeggen heeft. Ook al zou men zich stap voor stap met ons bemoeien en ieder uur voorschrijven hoe wij moesten leven, het geluk dat wij voorstaan moet geheel vrij kunnen zijn en onafhankelijk van welk een dwang, van welke voorschriften, van welke bedreigingen ook. Natuurlijk kunnen die machten ons bezit aantasten en ons lichaam. Ze kunnen ons lichaam opsluiten en het op allerlei manieren trachten te schaden en te verminken. Men kan naar ik gelezen heb, lichamen in een duistere cel opsluiten in eenzaamheid en verschrikking en het is waar dat men het uitermate kan pijnigen zoals dat bij een kruisiging het geval is.

Maar niettemin is er een substantie in de menselijke ziel die onbereikbaar is voor alle vervolgers en haters, voor alle machthebbers, die tenslotte ook mensen zijn en grote stakkers in al hun geborneerde grootdoenerij en dreigende woorden. Het zijn bezetenen van de aardgeest, ze kennen geen liefde voor hun medemensen en kunnen niet verdragen dat er wegen zijn, geheel andere dan de hunne, waarlangs het onvervreemdbare geluk te verwerven is en voor alle eeuwigheid voor hun grijphanden onbereikbaar.

Het is zo veilig verscholen in de diepte van de ziel, het spreekt zulk een vreemde taal, dat geluk, dat de alledaagsheid van de grove natuur het helemaal niet kan vernemen. Het is het oorspronkelijke beginsel in ieder mens, zijn levensbeginsel, dat wat hij is en dat daardoor zijn onvervreemdbaar bezit is.
Omdat het lichaam zeer behoeftig is, kan men het in zijn behoeften treffen. Behoeftig aan sympathie, behoeftig aan lichamelijke liefdedaden, behoeftig aan eten en drinken, aan gezelligheid en mensen met wie je tot uitwisseling kunt komen. En als aan dit alles niet zou worden voldaan zou je het op 't laatst uitschreeuwen naar God, uit honger en dorst, uit armzaligheid en verkommering. Maar dit geldt alleen voor het lichaam en alles wat daaraan verwant is. De aarde is verwant aan het lichaam. Welnu, het geluk wat wij op het oog hebben is niet verwant aan de aarde. De aarde kent het niet en vindt het maar vreemd en ontkent het en de vorst der duistere aarde lacht er maar wat om en heeft er een vreselijke minachting voor. Ik zeg vreselijk, omdat het werkelijk een verschrikking zijn kan.

Maar het geluk verschrikt niet. Het is van een hoedanigheid die niet verschrikken kan. Het is niet te imponeren zoals een kind niet te imponeren is. Begrijp mij goed. Ik bedoel de open vrijmoedigheid van een kind. Natuurlijk kan men het slaan en bang maken en daaraan is geen kunst. Men tracht altijd kinderen te dreigen als ze dit of dat niet doen willen of zij iets in hun hoofd hebben wat ouders niet of niet meer begrijpen. Want de mensen verstikken het geluk. Zij stoppen hun lichamen en breinen, hun harten en zielen vol met allerlei sensaties, die er helemaal niet in thuis horen en zeggen dan oververzadigd: dat is pas leven. Maar het water waarin zij baden is verontreinigd, de lucht die zij inademen is verstikkend, de hartstochten die zij plegen te volgen zijn bedwelmend en bewustzijnvernauwend.

Daarom keren wij weer tot het geluk terug dat alles kan doorstaan. Stel u voor, een liefde die alles doorstaat. Alles. Dit behoeft natuurlijk niet een openbare vertoning te worden waarvan de mensen die het zien zeggen: zie toch eens aan hoe ze een medemens behandelen kunnen. Welnee, geen sterveling behoeft het te weten, waardoor je natuurlijk lang niet altijd malse oordelen tegenkomt. De ene haalt verachtelijk zijn neus op voor zelfs maar de denkbare mogelijkheid. Geluk op deze wereld is een farce, een waanzin, een belachelijkheid. Bovendien, er is een groep die zich heimelijk de elite denkt waarvoor het geluk onaristocratisch is, eigenlijk iets om de neus voor op te trekken. Geef ons maar de zoete melancholie, de trage weemoed en het 'spleen', daar houden wij het mee op deze godsjammerlijke wereld, waar geluk niet geduld wordt en wij moeten blijven rondgaan als uilen in doodsnood. Nee, zeggen zij, het geluk is voor de gokkers en de gelukzoekers en de loterijmensen, maar niet voor ons in onze ethische, maar decadente allure.


Maar laten wij ons niet op zijwegen begeven. Wij weten wel, wij gunnen elkander alles en het geluk is er alleen maar om verstoord te worden en benijd. Daarom, op uw tocht zult ge vele hongerige ogen ontmoeten van zielen, die zich niet uit het lijden konden verheffen of het niet wilden. Wie ziet nu het leed als een kwaad dat overwonnen moet worden? Slechts weinigen, want vele eeuwen zijn wij vergiftigd met de opvatting dat lijden het werkelijk algemeen menselijke is, dat het schoon is te lijden en dat wij daarin elkander kunnen begrijpen. Maar geluk? Wie voelt er mee met een gelukkig mens? Daarom, het geluk laat men liggen en gelukkige mensen ziet men niet aan, tot zij vertrokken zijn van deze wereld en men de moed heeft ze weer uit de herinnering op te laten komen en stil hun woorden weer uit te spreken, omdat wij mensen zo een onuitsprekelijke behoefte hebben aan echt en waarachtig geluk. Geluk zoals kinderen het kennen. O mijn geluk, hoe bemin ik u.

Ik ben het geluk

Ik ben het geluk, maar ge kunt mij niet grijpen en organiseren 

noch bevelen, niet bedwelmen, noch vangen.
Hoog ben ik, licht, onvermengd en helder
en stroom naar ieder mensenhart uit.
Het pure leven, ontdaan van denken, menen, voorstelling, 

reden en vragen naar waarom.

Ik ken geen waarom en antwoord alleen maar 

met mijn tegenwoordigheid, verscholen in uw hart.
Ge behoeft mij niet te begrijpen en als ge vraagt: 

zijt ge voor mij gekomen, dan antwoord ik: 
Ja, voor u, altijd voor u.
Geloof mij toch, herken mij.


Misschien kom ik van heel ver en ben 

voor u onverstaanbaar als een vreemde, 
omdat ik kom uit 'in den beginne' 
het allereerste van het leven, 
dat als een onbereikbaar punt is in uw herinnering.
Want ik ben altijd bij u geweest, ook vóór uw herinnering.
Ik ben de pure smaak van het leven zonder bitterheid, 

niet wrang en zonder enig lijden.

Ik weet wel waar doorheen ge waadt en wat ge er voor over hebt 

mij te aanschouwen en de uwe te noemen, 
alles hebt ge er voor over ofschoon uw voeten zijn geschonden 
en de tocht soms zwaar was, 
maar ik ben balsem voor uw voeten 
en voor de gebroken en vertrapte harten.

Ik, uw geluk, ik zie u aan en herken het stralen van uw ogen.
Er is geen oordeel in deze vreugde en geen enkele nagedachte.
Heb daarom geen wroeging en wend u oprecht tot mij.
Want ik, uw geluk, kan u ontslaan uit boeien 

van schuld en noden, van angst en dreiging en dood.

Ik, het geluk, ben uw ware, echte leven, 

uw weg en uw waarheid.
Zie, en herken mij en ge hebt u zelf gevonden.
Ook moogt ge geen naam aan mij verbinden, 

geen enkele naam.
Want welke naam gij mij ook zou geven: 

ik ben het geluk.


Barend van der Meer

zondag 16 november 2014

Als de herfst komt


9. - Jezus onder de mensen

'Maar gij zult mij zien;
want ik leef en gij zult leven.' 
Joh. 14: 19-20

Hier is de ontmoeting. Maar niet ieder ziet hem. En dat is altijd het struikelblok. Wij hebben ogen en wij zien niet. Wij hebben oren en wij horen niet. En dit is zo vaak herhaald, ook door die mensen die niet zien noch horen, dat het in de regel niets meer zegt. Want welk een bron van twijfel of inbeelding is door deze woorden niet ontstaan. Wie durft er voor uit te komen dat hij innerlijk heeft leren zien en horen. Hij loopt kans uitgelachen te worden of beschaamd gemaakt. Hier geldt hetzelfde als de reactie van Fillipus op de woorden van Jezus in Joh: 14: 'Indien gij mij gekend had zoudt gij ook den Vader gekend hebben. Thans reeds kent gij hem en hebt gij hem gezien'. Maar Fillipus zeide tot hem: 'Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg'. Dit is een illustratie van blindheid, van niet zien zodat al de woorden die Jezus uit zijn innerlijke wereld, de onzichtbare, had gesproken voor Fillipus zonder inhoud waren geweest.

Wat wonder dat Jezus zich heeft beklaagd: ben ik zolang bij u en hebt gij mij niet gekend? Hier betekent hem niet gekend te hebben eenvoudig: hem niet gezien te hebben. Want wat weten over het algemeen de mensenkinderen van de mens. De eigenlijke mens is in ons verborgen, niet omdat hij zich verschuilt maar omdat hij zich nog niet de bevoegdheid heeft eigen gemaakt zich 'zichtbaar' te maken.
Weet menigeen niet dat er in hem een onuitgesproken wereld is die hij zich niet voldoende bewust kan maken door erover te kunnen spreken. De verborgen goddelijke mens in ons ligt nog zo in de windselen dat er heel wat tijd en geduld voor nodig is hem te ontwikkelen. En menigeen geeft het maar op en laat zijn ware menselijkheid in een ongeboren toestand achter en gaat heen van de aarde, met zijn dood niet zoveel verschillend van de toestand waarin hij hier geboren is.

Jezus kondigt aan: "Nog een kleine tijd en de wereld aanschouwt mij niet meer; maar gij aanschouwt mij, want ik leef en gij zult leven'. Deze aanschouwing is mogelijk doordat hij zijn discipelen de parakleet zendt, de vertrooster in hun harten die als de heilige geest gekenmerkt wordt en waarmee gemeend is: De geest der waarheid die in hun harten zal wonen, de geest der onderscheiding en herkenning die de onveranderlijke kracht der waarheid is waardoor het godskind in ons, dat wij zelve zijn, gekenmerkt wordt. 
Deze waarheid kan niet aangenomen worden op enig gezag. Het echte laat zich op geen enkele wijze dwingen en is onbevreesd. Het is het kenmerk van de ontwakende geestesvonk, het licht dat in een ieder mens binnengaat, indien hij hier in de wereld wordt geboren. Dit licht is tegelijk het licht der waarheid en indien wij het ons bewust gaan worden, zien wij de wereld in het licht liggen, de wereld waarin wij dagelijks leven.

Het is het licht dat op de weg schijnt die wij gaan en wij ondervinden aanvankelijk hoe moeizaam het in de duisternis onzer onbewustheid tot een groter vermogen komt. Het is de heilige geest die in ons de vonk aanblaast tot vlam. Dit heeft niets van doen met onze overdenkingen. Het is een innerlijke aangelegenheid, zoals liefde tot de waarheid, liefde tot het licht, liefde tot onze oorsprong, liefde tot de ontwakende zoon in ons, alleen maar beleefbaar is.
Het zijn dingen die tot het werkelijke en dagelijkse leven gaan behoren en die geheel uit eigen beweging geschieden, niet door dwang van buitenaf. Het is eenvoudig een gevolg van innerlijk ontwaken in licht en kracht en als er sprake is van het ontluikende echte en ware dan moet al het andere in ons zich daaraan onderwerpen, al gaat dat gepaard met eindeloze tegenspraak. Want op dit pad moet steeds weer de overwinning worden bevochten.

Ik leef en gij zult leven. Gij zult eeuwig leven als gij hem ontmoet en herkent. In die ontmoeting is een weergaloze vreugde want alle angst wordt erdoor vergeten. Alle bezorgdheid. Er heeft een ommekeer in ons plaats alsof het is dat ons afzonderlijk persoonlijk wilsvermogen weer in overeenstemming gebracht wordt met een oer-wil, een oer-bron van kracht en licht, waardoor ons leven meer en meer als uit één stuk gevormd wordt en geleid, terwijl niet in het minst afbreuk wordt gedaan aan ons eigen vermogen tot zelfvorming en de vrije keuze die daarvoor nodig is.
Vrije wil en vrije keuze zijn schone woorden. Om ze werkelijk te realiseren is niet zo eenvoudig als men zou denken. Er is een ondervinding van verhoogd worden door de ontmoeting. Dit heeft niets met eerzucht te maken maar wel met een vernieuwing alsof men meer boven de dagelijkse dingen uit kan komen en ze ons niet meer zo overheersen.

Wij worden erdoor veranderd en voor deze verandering kunnen wij moeilijk een maatstaf aangeven, zoals dat wel gebeurt als mensen graden en schone titels worden verstrekt die de rangen onder ons mensen moeten aangeven. Natuurlijk zijn er graden van menselijkheid en bewustzijn, maar het zal niet veel zin hebben deze met een schone rang te benoemen, met alle respect overigens voor de wereldse indelingen. Deze laatste vervallen nu eenmaal niet, maar de waarden der innerlijke menselijkheid worden op geen enkele graadmeter aangebracht. 'Wat noemt men mij goed, niemand is goed dan EEN'.
Door de ontmoeting wordt men veranderd. Er is iets onalledaags in ons dagelijks leven gekomen. Het is of de sleur doorbroken wordt en het verlangen naar iets geheel nieuws bevestigd. Er is een begin van branden en lichten, een ontstoken worden. Het ontsteken van miljoenen kaarsen over de wereld met kerstmis is slechts symbool van een verborgen verlangen, zelf tot brandende kaars te worden. De weg tot het licht weerspiegelt in de liefde tot alle licht, al is het maar van een kaars.

Indien wij eenmaal ontbranden zal dit licht ons nimmer meer geheel en al verlaten. Het zal toenemen in ons leven wanneer wij er ons naar richten en op de dag van het overschrijden van de drempel van het innerlijke rijk zal het één met ons worden. Als het licht der zon onbelemmerd onze kamer binnenschijnt, hoever overigens de eigenlijke lichtbron ook van ons verwijderd mag zijn, zeggen wij: er is zon in de kamer. In alle licht is zon en in alle zon is licht.
Acht gij het niet mogelijk dat gij innerlijk deel kunt krijgen aan het licht en dat dit het licht der wereld is?
Daarom, als men hem ontmoet, begint de warmte en de liefde en zijn licht in uw hart naar binnen te schijnen, hoewel hij zegt: 'Alles wat ik tot u spreek zeg ik uit mij zelve niet; doch de Vader die in mij woont hij doet zijne werken' Het maakt duidelijk hoe de godheid zich vermenselijkt tot Vader en deze zich tot zoon in het innerlijke leven, d.i. de Christus, de gezalfde. Indien een mens voor zich deel krijgt aan God in het bewustzijn van zijn geest geschiedt dit door bemiddeling van de zoon waardoor hij één wordt met Christus. Dit is de ontmoeting.

Het woord evangelie bestaat in het Grieks uit twee lettergrepen. Eu betekent goed en angelion = bericht, dat men om het niet zo prozaïsch te laten klinken heeft gemaakt tot 'blijde boodschap'. Dit is de oorspronkelijke betekenis van het woord. Ook het woord engel is eraan verwant. Want angellein = boodschappen en engel is een verbastering van het woord angelos, dat bode betekent. Onze bijbel wemelt van engelen, van boodschappers in zichtbare en onzichtbare gestalten. De onzichtbare engelen doen zich in het innerlijk leven voor en kunnen stralend en lichtend zijn, maar ook bedrieglijk en duister. Op deze weg ontwikkelt zich het innerlijke onderscheidingsvermogen in waarheid als gij de waarheid liefhebt en in zelfbedrog wanneer men zich voortdurend misleidt. Dit laatste wordt duidelijk door de teleurtstelling en verduistering die de zelfmisleiding tenslotte teweeg brengt. Het bedrieglijke kan zich op de weg naar het licht niet handhaven.

Jezus was voor de mensen de boodschapper bij uitnemendheid. Dit was mogelijk door zijn alomvattende en aldoordringende liefde, waardoor de alomtegenwoordige onzichtbare godheid zich langs alle trappen van de lichtengelen waarneembaar kon maken om zich in zijn lichaam te voleindigen. De mensen leven en leefden in de ban der afgescheidenheid, die veroorzaakt werd door de materiële ontwikkelingskrachten die hun zielen en daardoor hun drijfveren houden in een horizontaal werkzame wereldbeweging. Jezus was drager van de positief scheppende lichtbeweging, verticaal gericht op doorbraak door de in horizontaal vlak gerichte omhullende en insluitende aardekrachten. Het gevolg daarvan was een kruisiging in de liefdevolle mens, een werking die zich totaal voleindigde in de kruis-dood waarin het leed der wereld in iedere vorm werd doorstaan en overwonnen.

Het is niet waar dat God dit ooit gewild heeft. De mens Jezus heeft dit lijden op zich genomen als gevolg van zijn verlossingsweg en zijn liefde tot de mensheid. Een goddelijk willen waarin hij zich niet heeft ontzien en waarvoor hij de bittere beker tot de laatste druppel heeft geledigd. Door deze onbeschrijflijke daad heeft hij voor altijd, zolang er mensen op aarde zullen wonen, een weg gebaand en een deur geopend 'ter ontkoming' aan iedere vorm van slavernij en menselijk lijden, wat alleen door de liefde Gods, waarvan zijn boodschap overstroomde, is mogelijk gemaakt.
Het is niet mogelijk deze wereld ooit geheel van lijden te bevrijden. Het lijden is een noodzakelijke voorwaarde voor het vergruizelen van de versteende harten en het bewerken tot een vruchtbare akker. Voor de mens die een weinig van deze godsmensenliefde kent, is het leed niet erg omdat dit vernietigd wordt in de vlam waaruit het mensenkind voor eeuwig zich vernieuwen zal en worden zal tot levend, lichtend woord. Dit woord is niet: Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten. God verlaat zijn kinderen nooit en te nimmer. Integendeel, tot op het laatste ogenblik heeft hij God beleden en hem uit de innigheid zijns harten gedankt:
Eli, Eli lamah azahvtha-ni
waarvan de vertaling luidt;
Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt gij mij!
Het is geen mythe, dat Jezus door erbarmen bewogen tot de wereld ging. Hij zag de duisternis op de wereld en hoe de mensen daaronder leden terwijl zij niet hoopten op enige uitkomst. Zij wisten amper dat zij verduisterd waren. Zij wisten ook niet meer - en nog niet - dat zij naar hun ware afkomst uit een lichtwereld geboortig waren. Dat zij uit eigen vrije beweging zich daaruit begeven hadden en daardoor een diepe kloof veroorzaakt hadden tussen het rijk Gods en hun eigen bewustzijn.
De levende herinnering hadden zij daaraan verloren doordat zij in het mensendier hun intrek hadden genomen, waardoor de verduistering hand over hand toenam.

Er waren altijd helpers en heilanden geweest die getracht hadden de mensen te verlossen en hun de kracht van hun liefde te schenken, maar steeds vielen de mensen weer terug of begrepen niet of gaven zich geen moeite ze te herkennen. De macht der materieel werkzame krachten was zo groot en hun omsluiering zo dicht dat nergens meer het licht der wereld werd onderscheiden. Het was werkzaam in de mythen waarmede de mensen leefden, maar niet in de werkelijkheid van hun dagelijks bestaan. Jezus verliet het Koninkrijk, de hoge goddelijke lichtstaat en ondernam de gevaarlijke tocht naar de diepten der aarde om als een licht onder de mensen te verschijnen.
De hoogheid van zijn liefde was onnoemlijk en de kracht ervan wordt niet overtroffen. Het is onbegrijpelijk dat een goddelijk mens dit op zich vermag te nemen en op die wijze een deur te openen voor de liefde Gods onder de mensen. Welk een tegenkrachten, welk een laster en smaad kreeg hij niet te overwinnen. Het gaat niet aan te beweren: 'Hij was immers goddelijk, hij noemde zich toch de zoon Gods? dan was het ook geen kunst hier te verschijnen'. 

Men vergeet dan - het is bijna boosaardig - dat hij zich met het vergankelijk gewaad van de aardse mens moest bekleden en daardoor deel kreeg aan een lijden en een strijd waaraan niets menselijks vreemd meer is.
Hoe werd hij niet gelasterd, gesmaad en vervolgd. Vanaf het ogenblik zijner openbare verschijning heeft de vorst der duisternis, die niets van zijn zending begreep en kon begrijpen en waarvoor geen God bestond, hem bevochten en doet dat nog tot op de huidige dag.
Maar het licht dat Hij in het mensendom ontstak is niet meer te doven. Hij zelf is het die in dat licht leeft. Een ieder mens zal dit moeten erkennen, omdat het beginsel ervan in hemzelf aanwezig is. Hij zal dan de weg vinden tot oplossing van zijn lijden en tekorten. Want alle fouten en dwalingen, alle zonden en ziekten van de mensenkinderen ontstaan door gebrek aan dit licht. Al die vertwijfelde mensen, al die zoekers en smachters, allen die in de ontkenning Gods leven en zich zo machteloos gevoelen, zij hebben vergeten dat de oplossing voor al hun noden in hen zelf ligt, binnen in hen zelf.
Het gaat niet om goed en kwaad. 

Deze weg bewandel je niet om deugdzaam te willen zijn. Maar je zoekt hem uit innerlijke nood gedreven en het is bijna verpletterend van vreugde als je ontdekt dat het werkelijk waar is, al lig je dan ook als een zwakke vlonder op de rand van de afgrond. Hij leeft niet in die zin onder de mensen dat hij zich bekend zou maken en zeggen: ik ben Jezus de Nazarener. Na zijn dood is hij de Nazarener niet meer gebleven. Maar men zal zijn licht tegenkomen en in zichzelf leren herkennen en dit zal een grote verlossing betekenen en een zo grote blijheid en bevrijding dat men het haast niet zou geloven of verdragen kan.
En toch is dit waar. Gij kunt u direct op weg begeven als gij luistert naar de stem in u zelf. Hij was een kind Gods, de zoon van God in de mens, maar wij zijn het zelf ook, hoewel bedolven en omhuld door gesteente en korsten aarde. Natuurlijk trachtte de geest der aarde hem te boeien en vooral te verachten, natuurlijk zocht de duivel hem te verzoeken als hij moe was van het vasten en uitgeput van het zwerven in de woestijn. Trouwens de lichtverachter heeft hem toch tot het uiterste kunnen vervolgen en de mensen ertoe gebracht hem te kruisigen. 

Overal in de toenmalige wereld werd de kruisiging toegepast door de Romeinen tegen ieder die zich tegen hun dictatuur en gezag verzette. Het is de meest smartelijke dood. Vóór de kruisiging werd het lichaam gegeseld en tot bloedens toe geslagen om dan naakt en bewegingloos aan het folterhout gehangen te worden, met doorboorde polsen, verscheurde pezen en zenuwen die razende pijnen veroorzaakten. 
Het is de meest wrede en duivelse foltering die ooit werd uitgevonden, temeer omdat het sterven aan het kruis dagen lang kon duren. Bij Jezus trad de dood binnen twee à drie uur in, waarover zelfs Pilatus zich verwonderde dat het zo gauw afgelopen was. Nee, men kan niet zeggen dat de aardgeest niet aan zijn trekken gekomen is bij die vreselijke dood en het lichamelijk lijden tot het uiterste.

Het is natuurlijk volkomen uitgesloten dat ooit een God der liefde op die wijze zijn zoon opgeofferd zou hebben om de mensen te redden. Het zou zo een bovenmatige smaad zijn dit te durven beweren, zulk een griezelige, sadistische, verfijnde en uiterst liefdeloze leugen, dat het eenvoudig onbegrijpelijk is dat mensen hun ziel tov de godheid zo wensen te vergiftigen.
Na de lichamelijke dood van Jezus brak voor eeuwig de verheerlijking aan waarvan zijn hele leven reeds doordrongen was. Een verheerlijking waarvan hij de goede moordenaar deel liet uitmaken in de woorden: 'Heden zult gij met mij in het paradijs zijn'. De doorbraak was geschied, het offer tot in de laatste vezel volbracht. Het donkere wolkgordijn scheurde vaneen en er brak een overvloed van licht over de aarde uit. Het plechtanker dat de aarde met het Koninkrijk verbonden houdt was diep en onwrikbaar in de bijna ontgoddelijkte wereld geworpen, een onwrikbare zekerheid biedend aan ieder mensenkind dat zich op weg naar het licht begeeft. 

Het leven van Jezus is van een onsterfelijke realiteit en zal niet ophouden zich te bevestigen in de innerlijke belevenissen der mensen, belevenissen die evenmin voorbijgaand zullen zijn als het lichtend brandmerk dat zij in de ziel teweegbrengen als eeuwig werkzame herinnering.

Barend van der Meer

Licht op het zand


zaterdag 15 november 2014

24. - Over kiezen, geloven en willen


Geloven is een kwestie van keuze. Ieder mens is vrij om te kiezen. Ook als hij zich daartoe gedwongen gevoelt. Dat betekent dan de vrijheid zich te laten dwingen. Ja of neen. Doen of niet doen. Het is volstrekt een eigen zaak als we kiezen wat we willen. In een verkiezing kiest iemand een ander, die vertegenwoordigt wat hij zelf voorstaat. Hij kan gezamenlijke belangen voorstaan waaronder ook zijn eigen belang. En dus brengt hij zijn stem uit. In het dagelijks leven kan een mens een beginsel kiezen, een ding, een substantie, een levensbeschouwing. Ook kiezen mensen elkander. Dit wordt bepaald door wat er van de mensen tot elkander uitgaat. Bij nader onderzoek is dat niet altijd eenvoudig, wat menige keuze twijfelachtig maakt. Ook hierin laten wij ons leiden door onze sympathieën en soms bijkomstige belangen. Ook zijn er vaak dwingende behoeften die de keuze beïnvloeden. In ieder geval is het zeker dat onze keuze er veel toe afdoet de vorm van onze levensgang te bepalen. En daardoor van grote invloed is op ons eigen lot. Haast niemand vraagt zich af waarom we eigenlijk kiezen. Het is heel gewoon en voor de hand liggend  dat ons dagelijks leven voortdurend gekenmerkt wordt door kiezen en verwerpen. 

Het Nederlandse volk heeft een advies. Je maintiendrai. Dat staat in het Nederlandse wapen. Ik zal handhaven. Het symbool is een brullende leeuw met een zwaard in zijn uitgestrekte klauw. Dit is het devies in het wapen van het Nederlandse volk. Opgelegd pandoer. Pandoer is een plaatsje in het toenmalige Neder-Hongarije, waar echte vechtjassen te voet met een schietgeweer vandaan kwamen. Deze soldaten heetten pandoeren. Zijn wij een leeuwig volk? Neen. Ook volgens de dierenriem niet. We zijn wel vasthoudend en hebben in sommige gevallen wel iets van een terriër,Maar zo'n vasthoudende terriër loopt achteruit en daar heb je dan weer onze kreeft. Op een of andere manier klopt dat wel. 'Je maintiendrai'. Waarin willen wij ons handhaven en wat handhaven wij? Ons Lijf? Ons goed en ons bloed? Onze eer? Onze stand? Ons Oranje? Onze regering? Ons ja-woord bij alle mogelijke gelegenheden? Onze volksvoorgangers? Is er iets in ons particuliere leven dat wij willen handhaven? Ondanks alles? Is er iets unieks? Iets enig s in zijn soort dat meer is dan al het andere of waar al het andere aan ondergeschikt is? Zou iemand dat willen? En kiezen? En daardoor erin geloven? Iets dat alle moeite en moeilijkheden, alle strijd en teleurstellingen waard is boven al het andere? Willen kiezen en geloven?

Om in een mens te geloven moet je hem ontmoet hebben. Op een of andere manier. Misschien wel dat iemand over hem gesproken heeft en daarin iets van die mens overwaait, zodat je geneigd bent in hem te geloven. Dat denk je dan niet maar je voelt het. Natuurlijk kan je gevoel je bedriegen, want het is niet altijd even helder. Er zijn van die goedgelovige mensen, die vooral als ze dronken zijn, alles geloven en in een roes een handtekening zetten, waar ze de volgende dag wanhopig door zijn. Ik ken een man, die door een achteroprijder versuft gereden werd door de schok en deze trachtte van dat ogenblik gebruik te maken door die versufte een handtekening te doen plaatsen, waardoor de aanrijder vrijuit ging. Maar zo suf was hij toch nog niet. 

Er zijn bijgelovige lieden, die heel gemakkelijk alles geloven, als het maar een beetje bijzonder is. Een klein beetje maar. Het is aandoenlijk hoe bereid vele mensen zijn om iets aardigs  of liefs te geloven, als het maar even buiten het gewone en de sleur om gaat. Op zoek naar het wonderbaarlijke. Naar dat wat wonderen baart. Moet het een sensatie zijn? Een boeiende roddel? Een bom met het hele alfabet erin? Een luchtkasteel dat naar een ander zonnestelsel vliegt om daar mensen vandaan te halen die het beter weten dan wij? Als wij weten wat wij willen, behoeven wij niet meer bijgelovig te zijn. Je maintiendrai. Daar hoef je toch niet bijgelovig voor te zijn?

Iemand zegt tegen me: ik wil iets hebben dat je kunt zijn, iets dat niet te schokken meer is. Ik wil iets dat deugdelijk is. Een deugdelijke substantie die ik werkelijk goed kan noemen, want dat is iets dat deugt. Zij moet van een natuur zijn die onvergankelijk is en waarvan een onvergankelijke kracht uitgaat. Deze kracht moet in staat zijn al het andere in de wereld ondergeschikt te maken, een kracht der krachten die in mij de wereld overwint, die alles wat niet met haar overeenstemt in zich of aan zich onderwerpt of verwerkt.
Een kracht, die alle ellende vernietigt, alle smart lenigt, alle ziekte heelt en die tegelijk lichtend is en vol vreugde, een kracht die de oorsprong is van alle blijdschap en alle werkelijke lach. Die er nooit op uit is zich te handhaven, maar die doordat ze zichzelf verliezen wil, altijd maar intact blijft, onuitputtelijk is en voor ieder mensenkind bereikbaar. Een kracht, die een grote zegen voor ons allen betekent en een groot geluk. Die zo gaaf is en volkomen, dat niets en niemand iets aan deze volmaaktheid af kan doen. Een kracht die eeuwig is, dus nooit een einde neemt en die in staat is zich aan de mensen mede te delen op een wijze, dat zij dit in hun ziel gevoelen, want ik weet niet waarmede hij anders een kracht kan gevoelen, die van zo een subtiel, doordringend, pregnant vermogen is, dat, als je er mee in aanraking komt, het is of je een onuitwisbaar stempel ontvangt.

Ik zei: 'maar hoe kom je er in hemelsnaam bij om deze dingen te zeggen van een substantie die tegelijk een kracht is en die al deze deugden en wonderbaarlijke en bovenmenselijke eigenschappen in zich vervat? Wie heeft je dit ingeblazen? wie brengt je op het idee dat dit zou bestaan en je het zelfs zou kunnen willen? Van wie heb je dit gehoord en waar heb je het gelezen? Het lijkt wel of je de steen der wijzen wilt hebben of wilt aanzitten aan de tafel der goden waar ze nectar schenken en ambrozijn eten. Hoe kun je het zeggen, man en weten dat je dat wilt?
Het feit dat je dit wilt, betekent dat je het moet kennen, anders kon je er toch niet over spreken? Dat je het zo merkwaardig omschrijft is toch een teken dat je er iets van moet weten? En waarom vraag je dat aan mij? Waar zie je mij voor aan? Weet je niet dat als je zulke dingen werkelijk wil, echt en eerlijk, ze in je geest onmiddelijk beantwoord worden? Als je maar bezint op wat je vraagt. Je kunt toch iets niet willen dat je niet kent. Het moet je ingegeven zijn door de zelfstandigheid zelf die je zegt te zoeken. Wie zegt jou dat je dat niet bent?'

Hij zei: 'vergis je niet: ik ben maar een arm en vergankelijk mens. Ik heb zelfs een ziekte onder de leden, waardoor ik op een goede dag afscheid moet nemen. Dus praat mij niet van mij als iemand die dat is. Maar ik zou dit vermogen, deze aanwezigheid, juist omdat ik ten dode ben opgeschreven, zo graag ontmoeten. Ik heb het idee dat ik in deze ontmoeting van mijn angst om te sterven word verlost. Dat ik zelf een zo groot behagen en zo grote liefde kan opbrengen tot deze volkomenheid, dat ik in die ontmoeting niet meer de minste angst gevoel, noch van mijn lichaam, noch van mijn ziel, noch van enige andere zaak die ik zou kunnen verliezen, omdat er niets anders is dat mij meer waard is dan dat ene'.

Ja, antwoordde ik, 'maar als ik je zo hoor spreken, kan ik jou beter vragen dan jij mij. Want jij weet wat je wilt en formuleert dat voor mij alsof wij hetzelfde willen. Want wie zou dat nu niet willen. Iets dat zo licht is dat al het donkere erin verdwijnt, dat van een onsterfelijke gelukzaligheid is, waarin al wat sterfelijkheid betekent, in het bewustzijn vergaat. Dit is toch niet voor een enkel mens alleen? Wat jij wilt, wil je voor allen, want wie zou dat nu niet willen?'
nee, zegt hij, 'zo is het niet. Er zijn miljoenen mensen, dit dit niet willen, omdat ze het niet kiezen en ze kiezen het niet, omdat ze er niet in kunnen geloven en ze geloven het niet, omdat ze bevangen zijn en omhuld door de macht van wat zij werkelijkheden noemen en die toch slechts de produkten zijn van hun eigen voorstellingen uit de wereld waarin zij leven. Wat ik je hier zeg vinden miljoenen al zo onwaarschijnlijk en zo onmogelijk, dat als je het teveel zegt, je kans loopt dat ze je een strik maken'.

'Dit kan toch niet? Hier spreek je jezelf tegen. Je zegt dat het een kwaliteit is die niet geschaad kan worden, die meer is dan al het andere, die de hoogste is, die een opperste gelukzaligheid betekent, dat dit als er een weinig van afstraalt in de mensenharten, die harten lichter en gelukkiger maakt. Wat zou hierin een strik betekenen? Dit kan, als je in de werkelijkheid ervan gelooft en in een daarmede overeenstemmende wereld, op geen enkele wijze geschaad worden en nooit ondergaan.'
'Het is waar en eigenlijk heb ik het zo gemeend als je het nu zegt. Ik ben ervan overtuigd dat dit mogelijk is. Het onmogelijke is mogelijk en ik zal het liefhebben boven alles, al kost het mij duizend levens'.
En ik antwoordde: 'mijn jongen, dan behoef ik je toch niets meer verder te vertellen. Ik zou het niet anders kunnen dan je het nu zelf doet'.

Het is mogelijk het te ontmoeten. Het verwekt een sterk verlangen. In het verlangen is een willen verborgen. In het willen zelf is de gezochte kwaliteit en daaruit komt het vermogen voort te kunnen opbrengen wat je zelf verlangt. Als het wakker geworden is - het is een ontwaken, een gewaarwording in de ziel - wordt het tot een lichte, zich onderscheidende kracht. Het verwekt een vreugde en een lachen van blijdschap. Het is iets stil zegevierends dat niet op het persoonlijke betrokken is. Alles wat zich tot het persoonlijke behoort, gaat zich opnieuw richten. De aanbrekende 'dageraad' ontwikkelt zich op een wijze die om-scheppend, zoekend en voortdurend veranderend, werkzaam is alsof een individuele vorm moet doorbreken volgens een eigen innerlijke, onveranderlijke aanwezigheid, zodat het de indruk maakt van een zich ontplooien als een evolutie.

Al het andere dat niet aan de voorgestelde groei van die innerlijke vorm beantwoordt - en dat is zeer veel - begint zich te verzamelen om de middelpuntskracht van het innerlijk willen. Het zeer vele buigt en richt zich volgens het ene. Dit is een geleidelijk zich doorzettend proces. De zielekrachten van het lichaam, de nephesh, die van het gemoedsleven, de ruach en de ontelbare krachten van de geestelijke ziel, de Neshama, richten en realiseren zich in een nieuw patroon waaruit de zich vernieuwende mens ontstaat.
Het is begrijpelijk, dat deze revolutionaire strijd zich niet zonder slag of stoot voltrekt. De ene kracht, die Godsliefde is, zet zich door en er is niets dat haar tegenhouden kan. Na de barensweeën volgt de verlossing.

Het mensendier dat zich zo tiranniek kan gedragen in het lichaam heeft nu zijn meester gevonden en wordt beteugeld. En plotseling is hier de bestemming. De zwakke mens wordt opgericht. Het is een onvergelijkelijke ontdekking dat hij zelf wil is, dat hij een geestelijke kracht is en tegelijk gestalte krijgt in een innerlijke nieuwe geboorte, zijn oorspronkelijke schepping. De kwaliteit van zijn wil - het van goeden wille zijn - laat niets meer te wensen over. In die innerlijke toestand heerst geen enkel affect meer, hetzij van het lichaam of van het gemoed.

Er zijn geen tegenstellingen meer werkzaam en geen conflicten. Geen voor of tegen, geen leven of dood als voorkeur of angst, er is geen gevoel van afhankelijkheid van enige macht op aarde of in de hemel en er is geen vraag meer naar gezondheid of vrees voor ziekte. Iets van enig gehalte dat het leven van deze geesteshouding kan beïnvloeden lost op.
Het is het weer deel krijgen aan een verlichting als gevolg van het licht der wereld dat in ons is. Het is in alle mensen en het wil zich mededelen, zoals alle licht zich kenbaar wil maken. Als het eenmaal in het innerlijk leven is toegelaten, ook al is er slechts een sprankje van waar te nemen, zal het met zachtheid trachten door te dringen, om zich voor altijd een plaats in de menselijke ziel te verzekeren. Het is het onvertroebelde, het volstrekt onvermengde licht van het 'in den beginne'. De archeus bij uitnemendheid, het alleroudste, het allereerste, het eeuwige. Dit is de grootste, de sterkste, de doordringendste dominant in de ziel, het archetype van het stempel van de al-geest.

Dus de bestemming van de mens is in een verlichte toestand gelegen. Hij zal dat zeker kiezen als hij het werkelijk heeft ontmoet. Trouwens, moet iemand altijd van vlees en bloed zijn? Is het niet mogelijk dat in de grote stilte, waarin een mensenkind zich kan bevinden, hij getroffen wordt door dat onzichtbare? Al heeft hij er slechts een vermoeden van. Dit vermoeden kan zijn belangstelling opwekken en deze belangstelling kan uitgroeien tot een merkwaardig besef van: dat is het. 'Ik gevoel dat het dat is omdat de aanraking ermede mij een grote en onbeschrijflijke zekerheid schenkt' en dat een mensenkind van dat ogenblik aan het er op toelegt er meer van deelachtig te zijn en dus tracht zijn leven er mee in overeenstemming te brengen. Op die weg komt hij tot ontdekkingen waarvan hij nooit gedroomd heeft. Maar het centrale punt van zijn wilsgerichtheid en de onverstoordheid, die daarin zijn deel is, blijft het brandpunt van zijn ziel.

Door de herkenning heeft hij een onverzettelijk besluit genomen. Een besluit als een blikseminslag. Hij heeft gekozen en uit zijn keuze bouwt zich een vertrouwen en een onschokbaar geloof op: Het geloof dat hij in zijn bewustzijn deel kan krijgen aan een lichtsubstantie, die een onuitwisbare vreugde in hem verwekt en hem tot de ontdekking brengt, dat hijzelf uit deze lichtsubstantie is voortgekomen.
Dat zijn lichaam slechts het omhulsel is, maar niettemin mede doordrongen kan worden van deze bevrijdende lach en deze niet eindigende vreugde. Zonder twijfel is het lichaam machtig over het bewustzijn en vertegenwoordigt het de ontmoetingsplaats, dmv zijn zintuigen, van alle mogelijke aardse stromingen en in-vloeden, die op zichzelf een grote consternatie teweeg kunnen brengen. Maar de kracht van de lichtende geest zegeviert.

Het is de liefde tot het leven zelf, de ene tot allen, de stralende die zich al duidelijker en duidelijker zal voordoen in de wereld waardoor er meer en meer mensen komen die haar ontmoeten, haar herkennen en haar willen. Hier is het woord. Want het waarachtig willen, het onvermengde echte willen is zelf een lichtkracht, is zelf als een bliksem van stilte en innigheid, zoals daarmede de geboorte van de mensenzoon als een onmiddelijk gegeven is vergeleken.
Want dit willen is een vermogen. Het is tegelijk een kunnen. Wanneer het is ontwaakt in de ziel, wanneer het wordt beleefd en gevoeld door en door, dan weet de mens op dat ogenblik dat hij deel heeft aan een Goddelijke kracht, een geschenk dat voor hem op dat ogenblik het hoogste is dat hij ooit zou kunnen ontvangen. Een zegevierend beginsel dat niet zijn persoonlijkheid zelve is, maar waarnaar alles in zijn persoonlijkheid zich gaat richten en waarvoor al het andere - en dat is zeer veel - zich buigt. Niet in een valse of verradelijke deemoed en schijnheiligheid, maar als een vanzelfsprekendheid, omdat het mensendier dat zozeer kan huishouden in het menselijk lichaam, nu zijn meester heeft gevonden en beteugeld wordt.

En plotseling is hier de bestemming. De zwakke mens wordt opgericht. Hij komt tot de onvergelijkelijke ontdekking dat hij zelf wil is, dat hij geestkracht is, dat hij een nieuwe geboorte is, een nieuwe innerlijke gestalte krijgt en dat God in zijn centrale wezen in zijn middelpunt zich bekend maakt.
Dit is mogelijk als hij van goede wil is, maar van goeden wille zijn wil zeggen dat de kwaliteit van zijn wil niets te wensen overlaat, dat geen enkel ander affect, hetzij van het lichaam, hetzij van de ziel, of het de tegenstellingen van leven en dood betreft of van enige andere macht op aarde of in de hemel, of het zaken zijn van gezondheid of ziekte, er zal niets van enig ander gehalte zijn dat deze goede wil beïnvloeden kan. Mocht dit wel het geval zijn, dan is hij niet goed genoeg. Het is deze wil zelf die van een Goddelijk gehalte is, dat zij voor de mens die haar kent een enige en uitgemaakte zaak is.

Trouwens, wat zou het anders betekenen: 'dood, waar is uw prikkel, en hel, waar is uw overwinning'. En ik zie de naakte jongeling weer die, door de meute met zwaarden en stokken bewapend, werd bedreigd nadat allen de meester in de steek hadden gelaten. Hij was slechts gehuld geweest in een laken en was de enige die was gevolgd. Toen ze hem echter grijpen wilden, hielden ze alleen maar het laken in hun handen. Hijzelf wist aan hun greep te ontkomen.
Dit tafereel illustreert de onmogelijkheid de innerlijk naakte mens schade of leed te kunnen berokkenen. Hij is ongrijpbaar en behoort tot de wereld waar alle tranen worden afgewist en waar geen laster meer is. Wie en wat hebben de barbaren nu eigenlijk gekruisigd? En wat doen de mensen, wie en waar ook, nog steeds? Het is dit willen dat de enige kracht van de geest is. Het vertoont geen uiterlijk geweld, maar is een zwijgende kracht. Het is het vermogen zich onzichtbaar te maken en onaantastbaar. De eigenlijke mens is goed opgeborgen in de schijnmens en in zijn omhulsel omgeven door allerlei weerspiegelingen, die overgave eisen aan de machten van haat, miskenning, 'weten willen', heersen en bloedlust. Machten die steeds dreigen met: als je niet... dan...

En al deze machten, legio in aantal, zullen zich ergeren aan de hoeksteen waarop de mens zich te allen tijde kan verlaten; zij zullen ondergeschikt worden gemaakt in de orde en kwaliteiten, waarin ze als evenzovele impulsen zijn ingedeeld. Niettemin wordt dit heir van begoochelingen en weerspiegelingen, die hun geboorte vinden in het brein, opgelost.
Het menselijk lichaam en de ziel zijn vervuld van miljoenen krachten. Ieder dezer krachten kan regeren in het bewustzijn van de mens en indien hij hierover de beschikking zou kunnen krijgen betekent dat een oneindige rijkdom, omdat zij zich kleuren en richten in overeenstemming met zijn eigen hoog vermogen. Zijn allerinnerlijkste wezen, dat hij in zichzelf vermag te beleven en gewaar te worden, strekt zich uit tot zijn eigen oorsprong, tot regionen in het gevoelsleven, dus zijn innerlijk leven, die aan de Godheid reiken.

Waardoor een mens bezield en vervuld kan worden van de kracht en onmetelijke liefde van de levende God. Het ligt voor de hand dat dit de enige mogelijkheid inhoudt van een totale vervulling van al zijn streven en zoeken, de enige opgave die al zijn offers aan leed, teleurstelling en gebrokenheid waard is.
In dit hoogste gevoelsleven is het enkelvoudig licht, dat het oog des mensen is en het talent der onderscheiding bezit, werkzaam en het stelt en de mens in staat om te zien wie en wat hij ontmoet en zich aan hem vermag te openbaren. Daarom is er geen andere weg dan de weg door zichzelf en voorbijganger worden in het gevoelsleven en nergens stil bij staan dan bij het ene, dat de onverstoorbare vrede, de lichtende vreugde zelf is.

Het is dit vermoeden dat ontwaken kan temidden van alle chaos en verwarring in ons zelf temidden van verstoordheden en ergernissen, van tegenstrijdigheden en gejammer, van wanhoop en ellende en zelfs onmenselijkheid en pijnen, een vermoeden dat groeit meer en meer tot zekerheid, in de bereidheid de stilte binnenin deelachtig te worden en afstand te doen van alle lijden en alle ontevredenheid en wat daarmede samenhangt.
Op die wijze leren wij meer en meer bij onszelf te blijven en een kern van onbewogenheid te onderscheiden, die geen stenen pit noch levenloze substantie is, maar door en door levenschenkend en stralend als een zeer sterk licht.
Het komt erop aan deze scheppende en positieve kracht te verdragen en er zich al meer en meer open voor te stellen en haar het oppertoezicht te schenken over alles wat in ons gebeurt, zowel in het lichaam als in de ziel.

Barend van der Meer

donderdag 13 november 2014

De tijd gaat komen...


De tijd gaat komen om mij heen
Ziet mij uit alle hoeken aan
Wat wilt ge van mij Oude Tijd?
Of moet ik soms nu hier vandaan?

'k Gevoel een glimlach over mij
En zit terneer en ben bereid
Wat maakt zo stil en helder blij?
Dat gij mij halen komt, o tijd?

Ik blijf maar lachen onderwijl
En 'k zie - alsof ik kreupel was -
Met blijdschap buiten het gespeel
Van licht en bloemen in het gras

En 'k denk: mijn lichaam hoorzaamt u,
O lieve tijd, van harte zeer,
Maar binnen in mij schuilt de vreugd
Neen, in mijzelf roept ge niet meer

Ik ben om u niet treurig meer,
Hoe 'k u ook aanzie rondom mij,
Ge treedt mij nader keer op keer,
Verleden-toekomst gaan voorbij

In het verbond met u o tijd
Worden de banden ras geslaakt
En nooit wordt ge dan meer verbeid;
Gewichtloos ben ik eeuwigheid

Adieu mijn tijd, adieu, adieu
Ik blijf hier zelf met mijn lief,
Hoeveel hebt ge geschonken mij!
Hoeveel dat 'k aan uw ban onthief,
Zo dank ik u uit gans mijn hart
Mijn grote, trouwe gouden tijd
Hij die onnoemlijk mij kwam schenken
De luister aan mijn geluk bereid,
Mijn Vader tijd, die overvloed mij deed
Ik leg de glans der liefde om uw kleed.

Barend van der Meer

woensdag 12 november 2014

maandag 18 november 2013

8. - Ark en tabernakel: het heilige


Als er sprake is van een bovenaardse macht, heersend in een voorwereldlijke sfeer, van voor de grondlegging der wereld, een macht die haar wortels heeft in de oneindigheid en onvergankelijkheid, ondenkbaar en onvoorspelbaar en deze macht zou zich willen openbaren, waar zou dan het bemiddelingspunt moeten liggen? Het zou een plaats moeten zijn waar het oneindige zich 'vereinigde', het onvergankelijke een verbinding zou aangaan met het vergankelijke. Het zou aan de rand staan van twee werelden, de wereld van het leven en de wereld van het sterven. Het zou een voor mensen onaanraakbaar gebied moeten zijn d.i. heilig, en dit gebied kon alleen betreden worden door die mensen die in zich het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hadden en aldus van de dood niets meer hadden te vrezen.

Daardoor is te begrijpen dat de plaats van het heilige het graf is voor alles wat sterfelijk is maar een opstanding voor wat heilig en goddelijk genoemd wordt. Het is hetzelfde als uit het verderfelijke het onverderfelijke opstaat, uit de gekruisigde, de eeuwige, uit de dood het leven. Want de ark bevatte de bemiddelende substantie in de gestalte van een wolk waarin de God van Mozes was neergedaald. 'En de wolk des Heren was des daags over hen, als zij uit het leger vereisden. Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op Heere en laat uw vijanden verstrooid worden en Uwe haters van Uw aangezicht vlieden! En als zij rustte zeide hij: Kom weder Heere, tot de tienduizenden der duizenden van Israël'.

Als dit eeuwigheidsogenblik is weggelegd voor de mens, als zijn redding, dan moet dat beantwoorden aan een plaats waar het zichtbare en het onzichtbare aanzicht der werkelijkheid zich met elkander vermengen in een ontmoeting die tot de hoogste en allerinnerlijkste ervaring leidt die een mens ooit vermag te beleven. Het moet een ogenblik en tegelijk een plaats zijn die aan alle profanatie en aan alle materiële overheersing is ontheven. Op deze allerheiligste plaats, ongenaakbaar voor al het andere in de wereld, wordt de lichtsubstantie van de geest bereid waarin de bovenaardse macht, de oneindige en eeuwige, zijn entree maakt. Hierdoor ontstaat in de mens een levenwekkend beginsel, een eeuwigheidsbeginsel en wat daaruit geboren wordt - geestelijk, psychisch en biologisch - zal van onvergankelijke kwaliteit zijn. Deze kwaliteit werd bij het volk van Israël aan een plaats verbonden waar het vergankelijke leven een einde neemt – geofferd wordt – waardoor een organisme van transcendente waarde als een uit zich zelf zijnde geschapenheid ontstaat.

De mens die hier geboren wordt - op dit ondermaanse - leert een weg kennen waarin hij aan de ups en downs van het leven zolang onderhevig is tot hij deel krijgt aan een onveranderlijk bewustzijn dat niet alleen het gevolg is van de voortdurende en opeenvolgende veranderingen die hij beleeft. Deze stelselmatige ups en downs zijn als de getijen van eb en vloed en schenken hem indien alleen de maanfasen overheersen een rusteloos bestaan. Het is een archetypisch beeld dat overal en te allen tijde het zich weerspiegelende leven op aarde heeft begeleid. Zoals de maan afneemt en tenslotte verdwijnt in het niets om dan geleidelijk uit dit niets weer op te komen als een nieuwe geboorte, zo mat men de perioden van het aardse leven af naar de standen van de maan waaraan we het begrip van de tijdsindeling te danken hebben. Indien deze rusteloze invloeden alleen het leven zouden beheersen zou een mens gedoemd zijn altijd in de tegenstellingen van ondergang en opnieuw geboren worden te moeten leven. Een rusteloze tocht, een altijd trekken door de woestijn van het leven.

Maar de idee dat bij een nieuwe maan het 'niets' niet blijft overheersen bevat in zich een zekerheid dat het leven zelf geen einde neemt. Want deze zekerheid kan juist beleefd worden in de fase tussen het verdwijnende laatste kwartier en de opkomst van het nieuwe kwartier maan. Het beleven van deze zekerheid waar het zich weerspiegelende en dus vergankelijke leven in zijn aanzichten ophield te overheersen was juist mogelijk in de toestand tussen de beide tegenstellingen die de elkander weerspiegelende maangestalten – als afnemende en opkomende schijngestalten – veroorzaakten.

Op het ogenblik dat de nieuwe maan geboren werd had de overheersing van het weerspiegelende maanleven als aardse belevenis opgehouden en was daardoor de mogelijkheid geschapen een nieuw leven te beginnen waar de tirannie van onze zintuiglijke en zinnelijke voorstellingen die door ons brein dat in de tegenstellingen verstrikt was als echte realiteit werd aanvaard. Dit 'verloren' ogenblik bevond zich dus tussen de twee elkander weerspiegelende gestalten zoals we die ook in de ark als de tegen over elkander geplaatste cherubs terug vinden.

Het binnengaan van de onsterfelijke en eeuwige God is het ogenblik waarin het mensenkind innerlijk aangeraakt wordt tot een nieuw leven. Maar de vernieuwing ligt in het aanwezig zijn, in het bewustzijn waar het maan-bewustzijn, de nacht-zijde en duisternis van het aardse leven (de buitenste duisternis) ophield te overheersen waardoor het ogenblik van de nieuwe geboorte vermocht aan te breken. En zoals iedere maand deze mogelijkheid der 'onbevlekte ontvangenis' bestaat zal de mens in zijn rusteloze en vaak tragische strijd niet vergeten dat het moment der vernieuwing en der mogelijke wedergeboorte steeds weer verschijnt.

En het kan zeer troostvol voor hem wezen te beseffen hoe innig hij aan dit moment der verlossing deel wil hebben. Het is te begrijpen dat het inwendige van de ark de plaats van het allerheiligste op de altaren vertegenwoordigt en het is zonder twijfel zeer schokkend geweest (en het zal dit blijven) wanneer eindelijk eens begrepen en ervaren wordt: 'in u is het koninkrijk der hemelen' of 'uw lichaam is de tempel van de heilige geest'.

Want dan wordt duidelijk wat van dat koninkrijk gezegd is: het is niet hier en niet daar maar het komt met onzichtbaar gelaat. Er is geen ophef en geen reclame mogelijk, geen enkele propaganda en geen dwangmaatregel. Een koninkrijk waarvan het licht en de macht, de liefde is voor alles wat leeft, dat is dus voor het leven zelf en waarvan het mensenkind het stralende licht kan ervaren zodat hij daarin zijn afkomst herkent, is in gelijkenis niet meer dan het mysterie van de tarwekorrel die vergaat en het nieuwe leven dat eruit verrijst. Ook is hier niet de angstige vraag of het ooit zal ophouden of dat toch de dood daarover zegevieren kan. Levend in het licht van de godheid is er geen schaduw van angst.

Het ligt voor de hand dat de ark uit één stuk vervaardigd is. Dit kunstwerk verzinnebeeldt als structuur een volstrekte eenheid. Want alleen het uit zichzelf zijnde kan als iets onbeschrijflijk levends en oorspronkelijks de vele ongelijksoortige functies van verschillende organen, de vele heterogene en tegenstrijdige elementen, verdeeld over de verschillende en uiteenlopende tentinrichtingen omvatten en door de aanwezigheid der Godheid tot een eenheid van samenwerking verenigd worden. Op die wijze ontstaat een immens magisch en heilig krachtveld waarvan het stralend middelpunt onuitroeibaar en onsterfelijk is.

Niemand kan weg uit het geheel, ook door de grootste ontkenning en omkering niet. Zelfs de dood vermag de mens niet te scheiden uit die aldoordringende lichtkracht. Al leefde hij in de stelligste ontkenning, in de diepste duisternis zal hij, hoe verstikkend ook voor de ziel, bezocht worden door het licht van de levende God al zou het aeonen duren.

De Tabernakel doet denken aan een laboratorium dat uit zeer actief werkzame elementen is samengesteld die zowel op het fysieke plan als op het geestelijk psychologische, werkaazijn en door een pijnlijk nauwkeurig systeem van overeenstemmingen zijn verbonden. Voor de bouw zijn de edelste houtsoorten gebruikt als acacia- en sittim-hout.

Ook hier is te denken aan het Egyptische Dodenboek waar de god Osiris door zijn duistere broeder Seth ingegoten en gesloten werd in de prachtige kist die in de legende de Nijl afdreef om bij Byblos aan te spoelen. Daar dreef hij tegen een tamarindetak aan die op verwonderlijke wijze tot een prachtige boom opschoot en de kist van Osiris in zijn stam verborg. De koning van het land Byblos had zich over de hoogte en schoonheid van de boom verwonderd en hem laten omhakken tot een machtige zuil die de zoldering van zijn paleis moest helpen dragen. In deze zuil nu was de kist die de dode Osiris bevatte verborgen. Door de inspraak van kinderen vond Isis de weg daarheen waardoor het haar mogelijk werd Osiris tenslotte te doen verrijzen.

Wat de ark van Mozes betreft, deze werd tot een ontzaglijk complex van betrekkingen tussen het volk van Israël en zijn God. Het binnenste van de ark kon niet ontwijd worden omdat de naam Gods er geen zichtbare uitspraak in had. Ook niet aanschouwd waardoor er leegte zou zijn. De Tabernakel werd daardoor het huis Gods van de 'opgerichte naam'.

De dienst die in de tent bedreven wordt heeft ten doel door de offers en de aanbidding goddelijke krachten op te stapelen en te verzamelen. Op die wijze wordt de offerdienst een centripetale functie omdat de constructieve krachten die door het volk verzameld worden en geordend onder de Godseenheid in dat volk hernieuwd terugwerken. De heilige handelingen werken als een transcendent gerichte concentratie waardoor het de Elohim mogelijk gemaakt wordt zich kenbaar te maken in een afzonderlijk ontwikkeld krachtenbestel dat boven de dagelijkse orde der dingen staat.

De wet der tijdmatig constante energie is doorbroken en er is een gebied ontstaan dat door aandacht en gebed wordt gevoed en onderhouden, een verzamelplaats van metafysische krachten. Deze krachten verbinden de gelovigen met een transcendente sfeer, een 'krachtcentrale' die het volk opneemt in de rangen van een hogere goddelijke orde, ten gevolge van de voortdurende toename der psychologische energieën.

Oskar Goldberg in zijn boek 'Die wirklichkeit der Hebrär, deel I' wijst op die centrifugale functie van de Tent die in Numeri 24 : 5 e.v. zo prachtig wordt beschreven in haar uitwerking: ' Hoe goed zijn uwe tenten, Jacob, uwe woningen! Israël. Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de Heere heeft ze geplant als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water. Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden en het koninkrijk zal verhoogd worden'.

Zo zijn de heilige tenten met een centrum van waterkanalen verbonden, kanalen die de mensen spizigen. Ons valt direct de analogie op van het adersysteem in ons lichaam dat uit een centrale plaats, het hart, gevoed wordt en dat tevens de zetel zou zijn van het ware Ik. Of van het zenuwstelsel, i.h.b. het cerebro spirale, dat het ruggemerg en de zeven hoofdgangliën als een buitengewone centrale van fluïdische krachten van zowel de biologische als de psychologische centra beheerst. Het Ik van het hart is als eenheid geworteld in de oer-eenheid van de levende God. Dat deze het is die dit systeem van 'wateraderen' heeft ontwikkeld wordt duidelijk als we het ware Ik als geestesvonk beleven van waaruit deze zelforganisatie plaatsvindt. Want deze geestesvonk groeit en ontwikkeld zich door het vertrouwen dat haar wordt geschonken en dat de mens door zijn toewijding en aandacht ontplooit tot een goddelijk orgaan van de hoogste rang, waarvan het hele systeem van zenuwen en aderen geleidelijk wordt doortrokken en vervuld. Door indachtig te zijn dat een mensenkind in zich de schepping Gods verbergt als een organisme waarvan het lichaam de omhulling gaat vormen wordt hij deel van die gemeenschap, die aangesloten is op de grote, onzichtbare tabernakel die in het verborgen troont, de troon van het Koninkrijk, als een gouden stad en heilige tempel der mensheid, waaraan ieder deel zal krijgen die van goeden wille is.

Naarmate we ons bewust worden van deze verborgen liefdevolle wetmatigheden, ontdekken we dat we niets te vrezen hebben. De angsten der mensen zijn slechts symptomen van het niet bewuste. Van uniek belang is van ogenblik tot ogenblik te beseffen hoe wij aangesloten zijn op deze innerlijke wereld zodat ons lichaam zelf voor ons tot tabernakel wordt.

Daarin is op heel bijzondere en uiterst subtiel levendige wijze het geestelijk organisme werkzaam dat beantwoordt aan de functie van de 'opgerichte naam'. Het klinkt ongehoord en voor sommige mensen lasterlijk om dit te zeggen. Maar als zij geloven kunnen dat de mens een schepping Gods is dan zal in de mens en voor de mens het 'in de beginne' aanwezig moeten zijn waarin een mensenkind de herinnering bewaart aan zijn eeuwige geboorte. Daar ligt het ogenblik der voortdurende vernieuwing. En uit het licht van de geest wordt in de ziel de nieuwe gestalte geweven waarvan we op deze weg kunnen beamen dat zij de onsterfelijke mens is waartoe de mensenzoon is verhoogd.

De offers die gebracht moeten worden zijn animaal, d.i. zinnelijk lichamelijk, reukwerk van verschillende uitgelezen kruiden, d.i. psychisch, en vuur, d.i. geestelijk. Het betekent zich zowel naar het lichaam, de ziel en noodwendigerwijze als geest geheel ondergeschikt doen zijn aan de Al-ene, het persoonlijk belang ondergeschikt maken aan het volstrekt universele. Hier wordt het individualisme van de mens doorbroken en opgetrokken in een kosmisch leven. Daarmede bewijst de ondervinding hoe een zeer uiteenlopend ogenschijnlijk onontwarbaar kluwen van krachten en belangen herleid wordt tot een complex dat in manifestatie zijn geordendheid krijgt door de kracht van de Shem, de opgerichte heilige naam.

Het werken en bouwen aan de tabernakel betekent zich opmaken de vleespotten van Egypte te verlaten. De mens begint de gehechtheid aan de materiële krachten die de z.g. ontwikkeling van zijn verstand en alle uitvindingen die er uit voortkomen mogelijk maken, op te geven en er zich van los te maken. Want alles wat de techniek heeft gepresteerde en welke chemische middelen ons als geneesmiddelen ook ter beschikking staan, het is niet de ware weg die leidt tot een werkelijk gezond, verlost en gelukkig leven. Het is voor ons mensen moeilijk om in dit laatste blijvend te geloven.

We ontmoeten teveel het tegendeel in deze wereld dan dat niet menigeen het hart in zijn schoenen zinkt waardoor het de rechte plaats heeft verlaten. Dan is de mens geneigd zich over te geven aan de heersende ellende zich te stellen onder de machten van schijnopbouw en -geluk en geheel van de eens ingeslagen weg af te raken.

Barend van der Meer

donderdag 16 december 2010

Eeuwige lente in het paradijs

11. - Analyse van een mythe

Diep in ons is de herinnering begraven van thuis te behoren in een andere wereld, een wereld van licht en heerlijkheid, van harmonie en warmte. In deze herinnering leeft een beginsel voort dat steeds weer aan ons een inzicht tracht te verschaffen hoe die oorspronkelijke staat hersteld kan worden en een weg 'terug' kan worden aanvaard teneinde uit de doolhof der wereld te geraken. Want daarin is de ziel een prooi geworden van lichtzinnigheid en ongeduld en verdwaald geraakt in de eigen schepping, waardoor ze de duisternis heeft leren kennen, die oorspronkelijk niet haar deel was.
'Eindeloos zoekend, klagend en berouw hebbend, terwijl ze haar passie omzet in materie en haar verlangen in God.'

Welk een vreemdheid overvalt de mens als hij zich afvraagt waarom en hoe hij hier gekomen is, welke toch zijn drijfveren zijn geweest en vooral hoe hij zich bewust heeft te worden van een verloren weten en een nieuw 'zijn' dat als een licht hem de weg zal wijzen uit het labyrinth te komen waarin zijn medemensen en hij zelf dreigen onder te gaan. Want, zo vraagt hij zich af: hoe is het mogelijk hier in de wereld te kunnen leven zonder de dood te overwinnen en het boze dat het mensenkind dwingt tot vernietiging van zijn medeschepselen?
Wat heeft hij toch verwacht dat hij hier zal vinden? Tragische conflicten zijn aan de orde van de dag, smart en lijden in vaak zo hevige mate dat de mensen eraan sterven. Is men hier alleen gekomen om er dood te gaan? Om de wereld en de aarde als een groot slagveld en tegelijk als een kerkhof van de duizenden geslachten voor ons en van alle die nog komen moeten? Is de eeuwige strijd om het bestaan niet iets rampzaligs, een strijd, die een groter slagveld oplevert dan alle oorlogen? Komt men hier alleen op de wereld om zijn eigen bestaan te verzekeren gedurende een korte tijd en zijn de middelen waarvan de mensen gebruik maken in vele gevallen niet iets smadelijks?

Is er geen weg ter ontkoming aan de dwang der schrikwekkende gevangenisbewaarders met hun afpersingen en hun dreigingen? Hun eindeloze valstrikken en hun blinde woede? Worden wij mensen steeds weer teruggejaagd in de ingewanden van de kosmische kerker, terwijl 'daarboven' een Verlosser zou heersen in licht en waarheid die het op zich neemt in deze onderste wereld neer te dalen en zijn liefde te laten schijnen op onze meewarigheid waardoor wij ons een weinig kunnen oprichten om met het gelaat naar hem toegekeerd tenslotte te sterven?
Of is het mogelijk deze Verlosser in ons eigen hart en binnenste te betrekken als een grote heelmeester en zijn leiding te vernemen stap voor stap en daarin het ogenblik te vinden van bevrijding voor altijd en dat ons bovendien in staat zou stellen onze medemensen los te knopen?

Dit zou voor ons mensen een onvergelijkelijke vreugde betekenen. Stel u voor dat het ons gegeven was de oorspronkelijke staat weder te helpen herstellen en ons voortdurend te verheugen in het geluk dat ook anderen deelachtig worden als dit de uitkomst betekent voor al hun noden en verdrietelijkheden voor het opheffen van alle haat en geborneerde en eigenzinnige gefrustreerdheden. Als deze kunst bestaat - en waarom eigenlijk niet? - verdraagt ze geen enkele opdringerigheid of het aanbieden van diensten die niet gewild zijn. Want het zijn in werkelijkheid altijd de grote en verborgen krachten die in het kleine en geringe verlossend aanvangen en tenslotte een mate van bloei en ontplooiing teweeg brengen die aan het onbegrensde reikt. Indien de ziel de angst maar overwint die haar de deuren doet gesloten houden.

De mens zoekt ernaar hoe hij uit de chaos het beginsel van zijn individualiteit kan redden, een beginsel dat niet te krenken is en onvatbaar blijft voor de machten der ontbinding en vernietiging, omdat het er zich niet aan hoeft bloot te stellen. Met de grootste bewondering voor de machtige verbeelding der onbekende dichter, ziet men de gigantische strijd der mensen zich afspelen in de sagen en mythen der oudheid.

De innerlijke kracht dezer imaginaties is zo groot dat zij door alle eeuwen heen de mensen heeft geboeid en hen heeft doen gevoelen welke onsterfelijke verlossingskrachten er aan ten grondslag liggen. De invloed ervan schijnt niet afhankelijk van hun voleindigde kunstvorm te zijn maar is werkzaam in de geringste fragmenten en broksgewijze overleveringen. Ook is het opmerkelijk dat er altijd getracht is de hemel te bevolken met de onsterfelijke goden en dierengestalten die in het mythische gebeuren zulk een grote rol speelden. Alsof de mens een bovenaards medium nodig had om bovennatuurlijke gebeurtenissen te vereeuwigen. Daardoor wist men dikwijls niet meer of het de sterrenhemel was met zijn oneindig aantal uitgangspunten voor de projecties die ons ter oriëntering in het leven moesten dienen, of dat het de mens zelf was in wie zulke machtige visioenen en imaginaties waren ontstaan. Dit laatste was voor de hand liggend het geval. De veranderingen aan het hemelgewelf weerspiegelden zich in het bewustzijn en het gemoed der mensen waardoor de taal der mythe werd geboren.

Eens, bij de plechtige huwelijksinzegening van Zeus en Hera, werden deze goden schone geschenken gebracht. Ook Gaia, de godin der aarde, wilde niet achterblijven en liet aan de westelijke oever van de grote wereldzee een rijk bekroonde boom groeien die gouden appelen droeg. Deze gouden appelen verleenden aan wie ze at, onsterfelijkheid. Dit laatste nu was een zo bijzondere begaafdheid dat ze niet aan een ieder mensenkind kon worden uitgereikt. Om deze gouden appelen deelachtig te worden was meer dan gewone moed nodig en een bijna onmogelijk doorzettingsvermogen. Want deze tuin werd beschermd door vier jonkvrouwen van de nacht, de Hesperiden, en werd bovendien nog bewaakt door een honderdkoppige draak, Ladon, die geen slaap kende maar voortdurend zijn honderd ogenparen over de heilige tuin liet rondwaren. (* Tuin der Hesperiden - Het gulden vlies)


Het was Phrixos, de zoon van de opperpriester Athamas en de nevelgodin Nephele, die de draak Ladon deze taak opdroeg. Het Elysium, de Elyzeese velden, werd het zalig oord waar de onsterfelijke helden en goden, de beroemde schrijvers en dichters der oudheid na hun dood verenigd werden. De tuin der Hesperiden echter verschafte door zijn gouden vruchten de mogelijkheid de onsterfelijkheid hier op aarde reeds deelachtig te worden. Het is wel te begrijpen dat deze tuin een hevig begeerd doel was voor vele helden en heldinnen om de gouden appels te veroveren. Het was echter een verre en moeilijke reis naar Colchis in de Kaukasus. Het herinnert aan de levensboom die midden in de hof van het Paradijs staat en waarvan de toegang bewaakt werd door de engel met het vlammend zwaard.

Er is echter een mythe waarin het geen eerzuchtige held is die de tuin der Hesperiden wil betreden. Er is sprake van Phrixos en Helle, kinderen van voornoemde offerpriester en zijn goddelijke gemalin. Athamas offerde de jonge lammeren en wij kunnen slechts gissen wat er in de beide kinderen ten opzichte van de vader omgegaan moet zijn. Als deze zich een tweede vrouw neemt wordt het lot der kinderen beslist. Want deze vrouw Ino blijkt zo afgrondig jaloers op Phrixos en zijn zuster Helle te zijn, dat ze besluit beiden te vernietigen. Nephele, de godin der ochtendnevelen en verwant aan Neptunus, kreeg op haar smeekbede gehoor en haar werd de beschikking gegeven over de gevleugelde ram met de gouden vacht, Chrysomallus. Want in de ram vertolkt zich een onweerstaanbare doorzettende kracht die geen enkele weerstreving ontziet. Deze stormachtige zielekracht die op haar vlucht alles met zich meetrekt, begeleidt en draagt de jonge kinderen, breekt hun uit de knop van hun kindertijd en doet hen deel krijgen aan de toekomstige onsterfelijke belevenis van de verzoening der tegenstrijdigheden.

Op deze ram nemen Phrixos en Helle plaats, bezord door hun moeder, en nu voert de weg door het luchtruim in een zich onttrekken aan en tegelijk een overwinnen van de dreigende vernietiging. Zou het offer van het lam (de ram) ook niet daarin liggen, dat het gebracht moet worden door de jonge mens zodra de onweerstaanbare drang naar vrijheid zich kenbaar maakt?Opdat hij niet zelf daarvan als een noodlot de dupe worden zal? Want het lamsoffer bindt tot eenheid en buigt het noodlot om tot noodwendigheid, waarvan de uitkomst de ware vrijheid is.

Een dergelijke daad der ware individualiteit wordt door de wereldse orde niet verdragen en moet in de kiem gesmoord worden. Het is hier de wil 'der goden' dat Phrixos daaraan ontkomt. In werkelijkheid is het geen geografische gebeurtenis die in de mythe plaats heeft maar een beschrijving van een innerlijke weg, aanvankelijk uit nood en angst geboren. Phrixos ontkomt aan dat noodlot niet geheel. Want er gaat van de vacht van Chrysomallus zo'n krachtige gloedvolle stroming uit dat Hellen, die zich aanvankelijk aan Phrixos stevig vasthoudt, door de slaapverwekkende kracht wordt overmand, zodat haar greep verslapt en zij neerstort in het water onder zich, de zeeëngte die nadien de Hellespont geheten werd. Zij verloren elkander juist op het ogenblik dat zij meenden veilig te zijn, niet alleen door de aanwezigheid van hun trouwe gids, maar ook door zich veilig aan de slaap over te geven waarin echter het noodlot zich verborg.

Phrixos verliest Helle op het ogenblik dat hij meende haar voor altijd te bezitten. Daar is de tragedie van de verlossing. Wie zijn leven behouden wil zal het verliezen, wie het verliest zal het vinden. Wij worden hier aangeademd door het mysterie van leven en dood, van verrijzenis en verlatenheid, van verliezen en wedervinden.

Er moet een gestalte van schrik en ontzetting geweest zijn in de kinderharten bij het afscheid nemen van de zonne-achtige moeder en de gevreesde lammeren slachtende vader. Deze gestalte is tevens de oorzaak geweest van de vlucht ter ontkoming aan het leven dat vernietigd worden kan. Het is Phrixos die deze ontzetting overwint als hij blijk geeft van een wonderdadige macht die hem in staat stelt de draak met de honderd koppen als wachter te gebieden over de veroverde tuin. Is daardoor niet een eind gekomen aan de godinnen der nacht?

Klinkt het niet alsof een dageraad aanbreekt voor de mensheid? Hoe komt Phrixos aan die draak? Zijn het niet de noodlotskrachten die hij gedurende die reis der verschrikking heeft overwonnen? Welk een kracht en list moeten de latere helden, als Hercules en Jason, niet opbrengen om die draak te overwinnen? Liet de grote Hercules deze moeilijke taak niet opknappen door Atla aan zich ondergeschikt te maken, Atlas die de aardkloot op zijn schouders torst? Wijst dit alles niet op een enorm vermogen van Ladon, de draak, een vermogen dat niettemin een verdienste was van Phrixos terwijl wij niet enige eerzucht bij hem bespeuren? Had Phrixos zonder het te beseffen deze kracht en dit kunnen niet verkregen door de wijze waarop hij Helle moest prijsgeven en tenslotte - zij het met grote tegenzin - het offer van Chrysomallus aan te nemen, als deze aan zijn beschermeling dringend verzoekt hem te doden opdat de gouden vach - het gulden vlies - gered zal worden? Phrixos heeft er geen ogenblik aan gedacht dit kostbare juweel voor zichzelf op te eisen.

Integendeel. Hij hing het aan de boom van de oorlogsgod in de tuin der Hesperiden als zinnebeeld en werkzame kracht der verzoening tussen de zich dodelijk bestrijdende tegenstellingen. In de mythe was het Phrixos, de ruigharige. Dat deze de gouden vacht aan de boom van de oorlogsgod hangt om de vrede op aarde te bezweren betekent het grootste offer dat hij brengen kan.

Phrixos verzinnebeeldt de idee dat de verlossende kracht voor de mens en mensheid dan pas in universele zin werkzaam is wanneer ieder aanzicht van de persoonlijkheid, ook het hoogste, ondergeschikt gemaakt is aan de eenheid. Dit is de zin van het offer. De mythe leert dat het leven liefde is. Liefde is de werkelijke kracht onzer individualiteit. Zij wil steeds het ik der individualiteit overwinnen door het aan zich ondergeschikt te maken. Maar tegelijkertijd heeft daardoor een verhoging der individualiteit plaats. Het Ik maakt in dat zich geven willen steeds plaats voor een zich vernieuwend, een zich verhogend Ik.

Het begin van het verhaal ligt bij Athamas, de opperpriester. Aanvankelijk offerde de mens een dier, een deel van zijn kudde. Uit liefde tot zijn god. Naarmate de liefde (en de angst) toenam om te ontkomen aan de niet-liefde, de chaos, de diepste traagheid en in die zin de essentie van het zelfbehoud, ontwikkelt zich een cultus waarin heel geleidelijk het begrip ontstaat dat de mens meer van 'het zijne' moet offeren. Tenslotte begrijpt hij dat in de werkelijke liefde hij niet iets anders, ook al noemt hij dat andere het zijne, maar zichzelf moet offeren. Dat wil zeggen hij leert de liefde kennen waarin het individuele geheel en al ondergeschikt geworden is. Het is als een kleinood dat zichzelve schenkt opdat het het licht in zijn volheid weerkaatst. Dan vergeet de aanvankelijke vonk der individualiteit zich in het licht dat zij ontvangt en waarin zij tegelijkertijd opgaat. Aan dit zichzelf schenken komt dan geen einde meer en wij begrijpen waarom de ouden de naam der zelflozen aan de hemel schreven.

Reeds in Jesaja vinden wij deze offergang heel duidelijk aangegeven: 'Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden en sabatten en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet; het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat mijn ziel; ze zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden die te dragen'. (Jesaja 1: 13-14)

In de godin Nephele zien wij de onvermengde liefde van de moeder tot haar zoon opkomen. Zij zal hem zonder twxijfel verliezen, maar verliezen in zijn verhoging. Zij is het die maar één redding ziet voor haar kinderen. De vlucht naar de Hesperiden. En maar één weg. De weg die Chrysomallus vaart en waarlangs de tweeheid (dit is het begin der veelheid) wederom tot eenheid wordt. De liefde tot de eenheid is de hoogste liefde, de onnoembare godheid. In de mythe is alle voorstelling een factor van de ontwakende bewustheid. Alle dieren, ook de vermenselijkte, alle mensen en goden, alle symbolen der onsterfelijkheid worden tot fasen van een geestelijke levensvernieuwing. Het licht dat de mens zoekt kan hij - hoe zeer hij het uit zich te objectiveren tracht - alleen maar uit het eigen zelfbewustzijn verwachten.

Want het diepste zelfbewustzijn (of het hoogste) is met het goddelijk bewustzijn eenswezend. Immers het ware zelf, ontspruitend aan de geestesvonk in de menselijke ziel is geworteld in het licht der godheid en daardoor wordt de verlossingsweg van de mens begrepen en verwerkelijkt. Op die wijze zien wij dat in de mythe alle voorstelbare gestalten de wedergaven zijn van het inwendige, het verborgen leven der menselijke ziel. Daarin zijn droom en mythe aan elkaar verwant. Het innerlijk ontwakend bewustzijn herkent in verschillende fasen van ontwikkeling der gebeurtenissen zichzelf. Zowel de hartstochten van het lichaam als de hogere zielekrachten van de geestelijke bewustzijnslagen kunnen niet anders dan zich in die altijd menselijke wijze mededelen. Dat de mythe voor ons nog steeds een grote rijkdom op kan leveren komt voort uit het feit dat ons innerlijk bewustzijn contact heeft met verwante geesten en daardoor zich versterkt en verwerkelijkt gevoelen kan.

Op die wijze ontdekt de mens de velerlei aanzichten van zijn eigen innerlijke genius.

Barend van der Meer