maandag 1 december 2014

Herfstkleuren


20. - Brieven aan mijzelf en anderen 1

Met een beetje goede wil zal het wel gaan. Het schrijven nl. ofschoon je geen tafel hebt. Boven de centrale verwarming is een plank aangebracht die als vensterbank dient en waaraan je wel kunt zitten schrijven. Door het raam heb je het uitzicht links op licht omnevelde bergen met veel afwisselend groen en recht vooruit op bomen in een aangrenzende tuin. Daar tussen in liggen gele, rose-rode villa's te branden in de zonneschijn.

Aan de overkant van de toegang tot de garage van het benedenhuis staan tamme kastanjebomen waartussen een zilveren berk in windstille onbeweeglijkheid. En rechts van het raam een totaal dode boom te midden van andere die zeer levend zijn in hun kracht. Die morsdode boom heeft nog veel verdroogde en verstijfde bladeren van het vorig jaar. Alsof hij ziek geweest is, want zijn buren wijken zeer duidelijk van hem af alsof ze een besmetting vreesden.

Je kunt van hieruit niet het dicht grazen gazon zien dat met een ijzeren hek is afgesloten van een diepte die er direct achter ligt. Een hek dat doorgroeid en doorbloeid wordt van witte, rode en roze rozen en dient als bescherming voor de bezoeker. Dame doornroosje slaapt op het dicht groene geschoren grastapijt in de schaduw van de bolgekruinde boom die vlak achter een stenen bank staat en die er zo solide en oer-oud uitziet dat je haar geen leeftijd geven kunt.

Dame doornroosje ligt in een ruststoel die je alle standen geven kunt. Je lag er ook, maar al die zon werd je te machtig en bovendien gevoelde je je niet moe genoeg zodat er niets uit te rusten viel. Het prachtige uitzicht van het gazon over het dal met hier en daar neergestrooide dorpen en in de verte het meer van Lugano en de lucht vervuld met dat zacht trillende wonder van een weinig diffuus licht dat van de bergen schijnt te stromen, maakte het allemaal wat te onwennig, te ruim en te onbevattelijk. (Bij dergelijke gelegenheden schieten je de woorden van de onvolprezen Buziau te binnen als zijn publiek kreunde, snikte en stierf van de lach, en hij ineens naar voren kwam en met zijn onbeweeglijk clownesk masker met kraalogen, vroeg: lui, het is toch niet te veel?). Of zijn wij overgeleverd aan ontelbare archetypische functies uit het onbewuste, die zo tiranniek over ons heersen dat wij er niet toe komen ze tot ons bewustzijn door te laten dringen en waardoor een verborgen schuldgevoel oprijst als wij teveel van het goede zouden krijgen.

Dame doornroosje beschuldigt je van een heimelijk calvinisme en ofschoon je lieve moeder noch je vader ooit enige dwang hebben opgelegd aangaande een geloofsleven kun je niet vergeten, met enig heimwee, hoe de moeder als ze eens teveel in de lach schoot soms prevelde 'god vergeef me de zonde'. En zo lijkt het wel of je vanuit de grote ruimte van hemel en aarde, bergen, zon en meren gedreven wordt naar je slaapkamer op het noorden waar het uitzicht vele belemmeringen ondervindt en je gedwongen wordt tot enige concentratie omdat je wilt schrijven. Vreemd dat je je altijd weer laat verleiden tot een zeker weten willen waarom of je de dingen doet. Dat behoort tot de vloek van het weten willen. Al die vragen, die uitmonden in een 'waarom?' houden verband met onze nachtelijke en duistere verledens, een aardgebonden, verangstigende oer-tijd waarmee wij een mechanische samenhang willen ontdekken, vragen, die na een ogenschijnlijke beantwoording altijd weer nieuwe vragen doen opkomen in een veelheid die tot een zondvloed aanzwellen kan en waar ons bewustzijn in verdrinkt.

Stel je voor dat in het werkelijke leven, dat een geluk is en een verlossing, plaats zou zijn voor een waarom? Zo ben je het zelf die altijd weer geneigd is aan te komen met de bevestiging van een oerschuld. Waarom, waarom, waarom? Ach mens, je vergeet te leven. Trouwens alles komt neer op een zeker protest uit je innerlijke leven dat zich omsloten waant door al die pracht van een aangrijpende natuur en waardoor je vergeet dat alles wat je aan schoonheid omringt, een van de oneindig vele aanzichten is waarin je leeft en waardoor je zinnen gemakkelijk worden bespeeld.

Alsof het innerlijk leven dat uit eenheid is geboren, zichzelf ooit ontrouw zou kunnen zijn door zich prijs te geven aan de overweldigende veelheid van indrukken waaronder een mensenkind kan worden toegedekt. Het is juist krachtens de innerlijke eenheid, dat is je geest, waardoor in de enige werkelijkheid alle voorstellingen die door je zintuigen je bestormen, worden opgelost en weggesmolten. Toch komt die neiging om je terug te trekken uit de overheersing van overweldiging der omgeving uit een zeker instinct voort. Het is beslist geen intuïtie. Want dan heb je helemaal niets te vrezen. De werkelijkheid is één en onverdeeld en alles wat verdelen kan, splitsen of verdringen is een waan ten opzichte van de ene werkelijkheid. We willen ons altijd beschermen terwijl er niets te beschermen is.



Al die angst van het animale leven is niet ons eigenlijke leven. Er is niets te verliezen en je leeft in de stellige onverstoorbaarheid van de binnenste en de buitenste substantie die overal is zoals de lucht die je inademt binnen en buiten je. Het feit van je ademhaling is de bevestiging van de éne lucht binnen je en buiten je. Zo is er een innerlijke ademhaling van de levende ziel die daardoor zich eeuwig voedt in een ritme waarin het hart van de wereld als van de mens zelf klopt.
Als je je enerzijds zo sterk verwant kunt gevoelen met de natuur om je, is er geen enkele reden dat deze verwantschap iets vijandigs betekenen zou tov je innerlijke wereld. Immers je geest is de bevestiging van de eenheid van wat binnen is en buiten. Geestelijk gesproken, d.i. gezien uit zijn eigen oorspronkelijkheid, kan de mens zijn eenheid nooit verliezen, waar hij ook is.

Vanmorgen nog om half acht was alles in een dichte mist gehuld en zag je achter je venster de wolken heel bedaard voorbij trekken. Het zicht was daardoor maar enkele meters. Maar een uur later was alles opgeklaard en dit bleef het tot nu toe. Wel zie je langs gindse verre berghellingen weer nevels opkomen die zich misschien tot ondoorzichtigheden zullen verdichten.
Over het innerlijke leven heb je tenminste zelf wat te zeggen ofschoon vele mensen dit gewoon vergeten of zich laten overheersen door allerlei stemmingen of slaap. De helderheid en eenvoud ervan zijn zonder twijfel blootgesteld aan 'ijs en wederdienende elementen'. Dat is dan ook de reden dat je voortdurend op je hoede moet zijn, omdat je door het geweld der vergankelijke omstandigheden waarin de mensen zo'n grote rol spelen spoedig overheerst kunt worden.

Zeker, je zegt nu wel dat je de heerschappij moet voeren over je eigen gedachten en gestemdheden en je de kunst moet verstaan eenvoudig onwelkome en leedbrengende voorstellingen in je weigeren toe te laten, maar er zijn voortdurend invloeden die aan komen drijven en je overspoelen willen om van je bewustzijn een verloren gebied te maken met wrakhout en al. Natuurlijk blijft dat niet overheersen maar het kan je toch aardig te pakken nemen. Maar niet zo dat je in je wezen of nog innerlijker niet zeker weet dat het begoochelingen zijn, onwerkelijkheden die de allure hebben van machthebbers omdat ze nu eenmaal niets anders kennen dan macht uitoefenen. 


Machthebbers weten niets van een kracht die onverwoestbaar en onaantastbaar is. Zij geloven er niet in en lachen erom en hebben een grote verachting voor de onvernietigbaar menselijke zelfstandigheid als een individuele kwaliteit, die buiten het bereik ligt van alles wat gedacht kan worden. Je bewustzijn kan zeer weinig van dit ongrijpbare, lichte en heldere vermogen bevatten, maar je weet met de grootste stelligheid dat het er is omdat je de kracht ervan voortdurend ondervindt en die straling je overal begeleidt.

Deze begeleiding kun je als terzijde van je waarnemen of een plaats geven in je gemoed, in je hart, ook wanneer je onder een of andere druk zou staan van buitenaf, een druk die soms wel dit beginsel van je geest uit je zou willen verdringen. Als dit mogelijk was, zou je helemaal uit je lichaam zijn vertrokken. Als dan de bijenkoningin in de korf reisvaardig is, trekt het gedeelte van de zwerm die haar trouw is gebleven met haar mee.


Er is geen natuur, geen helder water, geen omgeving, geen 'ander' die de plaats in kan nemen van de kwaliteit die jezelf bent. Je zou misschien zeggen dat dit getuigt van de grootste zelfingenomenheid. Maar het eigenaardige is dat hierin geen sprake is van enige hoogmoed. Het komt omdat de mens in de regel niet geneigd is een geloof in zichzelf te hebben, waarin hij zou kunnen of willen beantwoorden aan de hoogste denkbare idee of gevoelswaarde welke hij ooit, waar ook, heeft ontmoet.
Ja, je bent geneigd in een bron van kracht te geloven, van innig, verhelderend eeuwig leven dat het vermogen heeft zichzelf in het lichaam uit de krachten van de ziel een gestalte te bouwen, die niet het uiterlijk lichaam zelf is, maar zich een steeds vernieuwende, intens levende, uiterst sensitieve vorm verschaft waarvan de frequentie zeer hoog ligt, hoger dan die van het waarneembare licht.



Het is ongeveer drie uur in de nacht van 17 op 18 juni. Er is tegenwoordig altijd wat om drie uur in de nacht als je wakker wordt uit een diepe warme wollige slaap. En ja hoor, dan is het weer zo ver. Je moet denken aan een jongen uit de derde klas van de Franse school die volgens de leraar altijd wat had. Nu eens een gebroken arm, dan weer een dichtgeslagen oog of een buil op zijn voorhoofd en toen hij eens een broertje kreeg, zei de leraar (Kuiers): zie je wel, hij heeft altijd wat. Nu heeft hij weer een broertje. En zo kan er zich op zo'n manier ook zoveel in je geest afspelen dat het niet bij te benen is. Ook nu weer en je moet het maar proberen neer te schrijven ofschoon het dan maar heel weinig is wat ervan overblijft. Gedurende het wakker worden, is het nog alles werkelijk, alles, maar zodra je het op de rand van je bed zittend, wilt neerschrijven, blijft er niets van over.



Je bent alles en je bent niets. Je bent jezelf en je bent helemaal niet. Je kunt er nu eenmaal goed tegen niets te zijn (dat alles is). Het is heel vredig en tegelijk vol lachen. Niet luidkeels. Nu ben je beslist niet luidkeels. Je bent oer-stil en neemt in die stilte zuiver waar in je en om je, in de wereld in je en buiten je. Eigenlijk weet je in die toestand niet meer goed wat in je en wat buiten je is. Het is alles één. Ik is één en er is niets anders dan ik. Je noemt dat nu maar ik. Het is niet te begrijpen en daarom denk je je er niet op stuk. Het is een belevenis, het is het leven, je bent het leven in alles wat je opneemt en dat is zoveel, zo oneindig veel, maar in het neerschrijven willen, wordt het tot niets.
Is het ook niet zo met sommige waterdieren die zolang ze onder de oppervlakte ronddrijven prachtig en schoon zijn. Maar zodra ze buiten het water worden gevangen, op het droge verworden tot een vormeloze massa waar alle subtiele expressie uit is verdwenen.

Toen ik gistermiddag deze kamer binnenging, mijn slaap-schrijf en waakkamer, kwam mij geheel onverwachts iets onbeschrijflijk stralends, doordringends en lichts tegemoet. Van louter verwondering moest ik gaan zitten en het onzichtbare licht vloeide om mij heen en door mij zodat ik zeggen moest: ik zie je niet, ik kan je niet zien, maar ben je die en die. Ja, zei het licht binnen in mij op een zeer heldere en blijde toon, een klank in mij: ja, ik ben die en die. En sprak verder: ik ben er altijd wel, maar je merkt het nooit. Ik kan veel beter bij je komen, vooral hier en nu. Het is een zuivere atmosfeer op 630 m hoogte in de bergen en er is geen belemmering om als een feest om je te zijn. Want van nu aan is het zeer feestelijk om bij je te zijn, jezelf te zijn, innig vereend met je te zijn in je Ik want je bent Ik.



Het besef van deze aanwezigheid was van zodanige aard dat je moest zeggen: wanneer zal ik je kunnen zien. Waarom zie ik je nog niet, maar gevoel je alleen maar. Je vreugde doet me bijna breken. Maar die en die zei: je breekt nooit en nimmer. Je bent werkelijk Ik en Ik is één, hoe kan je dan breken. Alles leeft in Ik dat je bent. Je bent immers alles?



En dit was het ook waaruit je zojuist wakker werd. Voor het inslapen, had ik het boek van Böll gelezen: 'Eng is de poort', uitgave van Contact, vertaald door Michel van der Plas. Böll schrijft in de ik-trant als een arme stakker waarvan de ellende vooral wordt geaccentueerd door de omgeving waarin hij gewoon is te vertoeven en die het hele boek door overheerst. Dan nog de voortdurend grauwe chronische armoede waaraan de held van het verhaal is overgeleverd, waartegen zo nu en dan gevoelens opkomen van verlichting en vredige glans. En het wil er niet bij je in dat het nodig is, als je de weg zoekt die naar de enge poort leidt, dat uiterlijke omstandigheden dit zoeken ooit zouden kunne overschaduwen. Eenvoudig omdat het innerlijk zoeken zich in contreien van het bewustzijn afspeelt waar de buitenwereld niet veel aan toe of af kan doen. Met alle waardering over de wijze waarop Böll de ontredderde situaties na de oorlog schildert.

Ook deze indrukken werkten mee tot het vroege ontwaken zodat het niet zo gemakkelijk was goed te realiseren wat er zoal in de toestand van je bewustzijn omgaat vlak voor je ontwaakt. Maar deze dingen kwamen een weinig bovendrijven toen je begon ze neer te schrijven.
Je ondervond en besefte op een niet te omschrijven wijze dat in het bewustzijn alles is en tegelijk als in één wereld bijeen gehouden wordt. Alle gescheidenheden van afzonderlijke dingen die je zou kunnen verenkelen in je denken, heffen zich op in de eenheid van het ontwakende bewustzijn. Zoals kookbelletjes die in het water naar de oppervlakte borrelen en daar dan in hun begrensdheid uiteen spatten.
Zo verrijzen ontelbaar vele droomgestalten in het ontwaken en dit onzegbaar vele wordt één in het bewustzijn. Het is een bevestiging dat het ik het bewustzijn is van het vele dat in al het onderscheidene tot rust en overgave komt. Ik is alles is één. Dit is ervaarbaar, maar niet in een roes, noch in een tijdelijke erkenning, maar in een onvernietigbare zekerheid die niet door het denkvermogen behoeft te worden bevestigd, maar waaraan het denken ondergeschikt is. Daarom beweegt zich Ik overal.

Alles en alles beweegt zich en voltrekt zich in het Ik en het is een verlossing voor ieder mensenkind, dat dikwijls zeer lijdt en zich verloren gevoelt, dit te ontdekken en te erkennen. Maar harde onverschilligheid en afgewendheid door verbittering uit verscheurdheid kunnen en willen het niet erkennen. In het ene Ik ontmoeten alles en allen elkaar. Alle mensheid is betrokken op het ene Ik.

Het zoeken naar deze zijnseenheid neemt duizenderlei vormen aan en al deze vormen zijn verhullingen van het ene. Door de mensen zelf wordt aan deze verhullingen macht toegekend en deze machten brengen onderling afgescheidenheden teweeg en leiden tot ogenschijnlijk onoverwinlijke tegenstellingen. Deze scheidingen kunnen alleen opgeheven worden in de bereidheid het wegvallen ervan te doorstaan.
Omdat dit in de regel als een offer, een sterven of een verliezen wordt ervaren, blijft een mens zijn afgescheidenheid handhaven. Wie wil nu wat hij zijn leven noemt, verliezen? Wie wil nu sterven? Dit sterven is enkel maar een gecomprimeerde angst en lost op in de ene kwaliteit van het bewustzijn. De dood is een aards aanzicht van het leven waarin de geboorte de tegenstelling is. Het Ik omvat beide. Als een mens sterft in zijn onverhulde bewustzijn, wordt hij ontvangen door het weergaloze licht van het al-ene Ik.

Je denkt aan Hillel uit de Golem van Meyrink. Deze zegt: 'als de mensen 's morgens uit hun dromen ontwaken, weten zij niet hoe ze aan een nog diepere slaap ten prooi vallen.' Daarom is het zaak het ik in ons te doen ontwaken dat niet betoverd noch gehypnotiseerd noch overweldigd wordt door alles wat onze zinnen en zintuigen bespeelt. Alle andere ik bestaat slechts door de vermeende afgescheidenheid. Wij leven als in droomgestalten tot wij wakker worden in het onverdeelde Ik. Dan behoeven wij nooit meer te vragen: Waarom? Maar is de weg der voleindiging gevonden.

In die zin is ieder ontwaken in de morgen dan een zekere voorbode van het ontwaken tot het zelfbewustzijn. In het droombewustzijn verdringen zich oneindig vele gestalten die naar de oppervlakte streven om zich daar een blijvende plaats te verzekeren, maar zij lossen op in de ruimte en het licht van het ontwakend bewustzijn.
En de mens die zijn leven leert zien als een nooit eindigende ontvouwing van zijn zelfbewustzijn zal van ogenblik tot ogenblik de toename ervaren van de verheldering van zijn geest en daardoor deel krijgen aan een grotere vrede in zijn gemoed. Er is geen grotere openheid en klaarte dan in dat werkelijke Zelf-zijn. Indien je dit wilt, ontdek je een nieuw geloof, een nieuwe poëzie, een nieuwe levenskunst, een 'kracht uit hoger kracht'. Hierdoor zal heel duidelijk worden, dat een mens op weg naar de ware werkelijkheid niets te vrezen heeft.

Het zal dus niet zo moeilijk zijn te ontdekken dat wij het zelf zijn die ons vervullen met allerhand overbodigheden waaraan wij geneigd zijn ons zonder slag of stoot over te geven. Die overbodigheden zijn in de meeste gevallen angstgevoelens die nog worden versterkt door voorstellingen van een negatieve natuur waardoor het bewustzijn zo kan worden overheerst dat het bijna niet meer weet te functioneren.
Deze schuld- en angstgevoelens houden zich met meer of minder belangrijke feiten uit het verleden bezig en hebben een beperkende en vertragende invloed voor een ieder die tracht in zich een weg te banen tot de bevrijdende werkelijkheid van het ene ik. Het zou betekenen dat aan schuld en angst een grotere macht kan worden toegeschreven dan aan de eigen volharding en wil tot de klaarte en openheid van de ware werkelijkheid, waardoor zou worden erkend dat de duisternis machtiger is dan het licht, de onwetendheid meer vermag dan de stralende bewustheid en de machteloze haat de kracht der liefde zou overtreffen. Wie dat gelooft en zich daartoe laat intimideren, is de weg naar de grote bevrijding niet waard.



Barend van der Meer

woensdag 26 november 2014

Waterplantjes


13. - De levens-eenheid en het dagelijks leven

Alles is er. En de eenheid van het leven omvat het, doorademt het en doordringt het. Er is niets buiten die eenheid. Haar te ontdekken en bewust te worden is de weg. Deze weg is oneindig. Ieder mens kan hem begaan in het voortdurend besef van de kracht van de levenseenheid. Deze kracht is als een verborgen vuur. Een verterend vuur dat bij voortduring de veelheid in zich kan doen uitstromen waardoor in de mens een nieuwe wereldorde wordt geboren in onophoudelijke vernieuwing. Het is als een grote herziening, een voor-ziening.

In het menselijk lichaam heeft een stofwisseling plaats. Deze stofwisseling is nauw betrokken op onze spijsvertering. Het 'vuur van de alchimist' in ons (Paracelsus) is voortdurend doende met dat omzettingsproces waardoor het leven in ons lichaam gaande gehouden wordt. Hoe meer en veelzijdiger wij verteren kunnen des te groter is onze alchimist. Paracelsus beweert dat zwijnen, slangen en mensen de sterkste alchimist hebben. Zij zijn in staat het meest veelzijdige menu te verorberen.

In Hebr. 10:31 roept Paulus uit: 'het is vreselijk in de handen te vallen van de levende God. Hij is als een verterend vuur'. Niettemin wordt gepredikt God boven alles lief te hebben. Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Maar dit verklaart de weerzin bij vele mensen God te leren kennen als een al-ene werkelijkheid. Hij die zelf onbeweeglijk is en alle bewogenheden in zich verslindt, omzet, verteert en herziet.

In ieder mens is een vonk Gods, zijn geestesvonk. Dit stelt hem in staat lief te hebben op een wijze dat hij er zich in gevoelt vergaan. Er is een andere uitdrukking voor deze goddelijke liefde. Gebeten zijn door de slang, nl het leven leren kennen als iets zeer essentieels, als een vonk die een vlam wordt en de vlam die uitgroeit tot een brand. Wie wil die brand in zijn innerlijk leven betrekken? Wie wil die liefde kennen die, eens gewekt, al het vergankelijke, het beweeglijke, in ons verteert en omzet om ons tenslotte werdergeboren te doen worden in een lichaam dat geheel vuurvast is, een liefde-lichaam, een goddelijk lichaam? Want dit is ons oer-eigen oorspronkelijk van godswege toekomende lichaam, onsterfelijk omdat het de weg door alle omzetting, alle vertering, alle omwenteling heeft afgelegd. De ware vrije mens is een innerlijk totaal vreesloze mens, ontwaakt in liefde, opgestaan in kracht en zich ontvouwend in een nooit ophoudende voleindiging.

Het is wel te begrijpen dat menigeen hiervan terugschrikt, en elk geval zijn ogen hiervoor wenst te sluiten omdat hij vooralsnog niet begrijpt dat hierin zijn verlossing, zijn opstanding, zijn werkelijke her-vorming ligt. Stel u voor iets in uw leven gevonden te hebben dat ge liefde noemt en dat van een onverzettelijke, niet te ontwrichten, ondeelbare kwaliteit is. Ja, dat dit het ware individuele beginsel is van ieder mensenkind, hoewel hij voorlopig er in de verste verte niet aan denken wil dit voor zijn levensgang, zijn werkelijk heil, voor zich en zijn medemensen te kiezen.
Hij zal er zich mee vertrouwd moeten maken dat hij niets behouden kan, dat alle vergankelijkheden tenslotte worden verteerd, maar dat de kracht die dit proces gaande houdt uit hemzelf voortkomt. Het ligt voor de hand, dat een mens niet van zins is in dit eindeloze omzettings- en stervensproces te geloven of er deel aan te willen nemen, maar het geschiedt ondanks hemzelf en hij zal, indien hij zijn ogen belieft open te houden, spoedig ervaren hoe oneindig heilzaam deze weg is.

Het is zoiets als in handen te vallen van de levende God. De erkenning dat er in het leven een macht is, een kracht en vermogen waaraan ook de dood en alles wat sterfelijk is, is onderworpen. Of wij het erkennen al of niet, het is onbetwijfelbaar zo. Indien nu een mens de ware liefde tot het leven kent zal hij zelf ook in niets ontzien willen worden. Ja, het zal zelfs duidelijk worden dat hij 'ja' gezegd heeft tegen alle moeilijkheden en beproevingen die hij op zijn weg zal tegenkomen. Dat dit 'ja' het geloof is in zijn eeuwig in wezen onveranderlijk, zijn onsterfelijk bestaan, niet van zijn aardse lichaam maar van een innerlijke gestalte die uit de geestesvonk in hem geboren worden kan en zodanig in kracht en licht toeneemt, dat de rode mantel van zijn lichaam tenslotte plaats moet maken voor een stralend organisme dat uit zielekrachten is gevormd en door de geest is verwekt.

Deze weg te gaan is het leven zelf te leven en het 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven' geldt voor een ieder mens in zijn individueel bestaan.
Het is noodwendig dat alles weer tot de levens-eenheid terug gaat.
'Alles komt uit het Ene voort en moet in het Ene zijn als het niet wil verdeeld, noch in de veelheid zijn.'(Angelius Silesius). En zoals de kabbalist zegt: in ieder getal is de eenheid aanwezig, zo ook is het ene overal in alle dingen die genoemd zijn.
De weg tot de levens-eenheid gaan is de weg tot zijn oorsprong. En de oorsprong is het oer-zijn wat het tehuis is van alles wat leeft, het leven waarin de dood niet is.

Indien een mens dus op weg is naar zijn eigen onverstoorbaarheid is hij op weg naar zijn oorsprong. En een ieder zal moeten beamen dat dit een innerlijke aangelegenheid is. Het wil niet zeggen dat zijn ziel zal zijn als schokvrij beton. Want dat is het uiterste van chaoskracht. Integendeel, zijn ziel zal zo gevoelig, zo vibrerend, zo levendig zijn dat door al deze vibraties heen die gevoeligheid en fijnheid gehandhaafd worden en dat alle grovere trillingen daarin niet kunnen doordringen.
Het maakt duidelijk, dat het innerlijke leven uit verschillende zones bestaat van krachten als evenzovele kleuren van de regenboog. Men heeft zelfs aan deze verschillende sferen waaraan wij innerlijk deel kunnen krijgen kleurrijke benamingen gegeven of er een trapsgewijze weg van gemaakt, waarvan het doel is al meer en meer het licht te benaderen dat al-doordringend, al-verterend maar ook onvernietigbaar is in de voortdurende omzetting van zichzelf. Het heeft weinig zin dat ons intellect zich van die benamingen meester maakt of die rangorden verstandelijk bepaalt naar ligging en functies. Deze zaken kunnen alleen door de ziel worden ervaren als realiteiten en zonder twijfel zich dan reflecteren in het brein. Ons brein is immers de reflector van alle voorstellingen?

Onweerstaanbaar is het leven en onuitputtelijk. Het besef dat wij het zelf zijn is enerzijds overweldigend en anderzijds vervult het ons met een grote blijdschap. De overweldiging is bepalend voor de drang naar onze gelijkmoedigheid en deze wordt tenslotte tot een erkenning vol vertrouwen als een blijmoedige gelatenheid.
Want het stemt tot bescheidenheid als het besef van de oer-diepe grond van het leven tot ons doordringt. Boehme noemt het de 'Ungrundlichkeit' die zich kenbaar maakt uit de oer-grond. De manifestatie van de 'oer-grond' wordt tot oneindige veelheid van verschijnselen in wereld en schepping. Het is echter de mens waarin deze veeleenheid zich kan ordenen tot 'Ein-grund'. Bô Yin Râ zegt daarvan:
'Drie-bondige band
Bindt beide:
Eén in alles:
'Wereld', -
Alles in één:
'Mens'!
Ik: 'mens'
ben
Ik: 'wereld'. ---

In het dagelijks leven ligt dus de praktijk der voortdurende vernieuwing in een nooit eindigende verandering terwijl de oorzaak daarvan is de innerlijkste door en door bezielde onverstoorbaarheid. Het zijn uit niet-zijn. Van niet-zijn tot oer-zijn, van oer-zijn tot al-zijn en van al-zijn tot één-zijn.
Dit is niet bedoeld als een filosofie maar als een omschrijving van het leven dat zich aan ons voltrekt en waarvan het aan de mens gegeven is het zich bewust te worden indien hij dit kiest. 
Het is wel mogelijk dat dit proces niet direct herkend wordt maar er komt een ogenblik der ontmoeting dat die innerlijke doorbraak en bewustwording teweegbrengt. De weg is als een emanatie in ons, een werkzame lichtstraal van de geest. In deze geest is de liefde Gods werkzaam als een overweldigende belevenis en toch behoren wij in staat te zijn dit geweld te temmen, er vorm aan te geven en te maken tot een diep en groot meer, als een ontzaglijke reserve achter de stuwdam van ons willen. Dan is het mogelijk te ervaren hoe uit die energie in ons een nieuwe wereld wordt geboren, een innerlijke wereld, die zich zelf ordenende en ontplooiende die in kracht verrijst, in nieuwe zich voortdurend wijzigende gestalte.

Het is de her-groepering als een groei en ontvouwing van een innerlijke nog verborgen natuur die al meer en meer aan de dag treedt en waarin het heerlijk is te leven, niet als een zinnelijke affect waarvan men tijdelijk geniet als men zich daardoor laat leiden en dat steeds weer in zijn omgekeerdheid ervaren worden moet, maar een geheel nieuw geloof in zich zelf en alle aanbidding die hij ooit heeft voortgebracht door dit op een uiterlijke verschijningsvorm te projecteren is een opwelling tot zijn eigen oorsprong.

Er is een sterke vreugde die opwelt uit het ongeziene waardoor men moeite heeft zich te matigen om niet tot een ongevormde uitbundigheid te vervallen. Het komt voort uit o.a. de belangstelling voor de kabbalistische levensboom. De aandacht hiervoor maakt een herinnering gaande die als kracht gaat toenemen en achteraf de bron blijkt te zijn die onuitputtelijk is. Het is verwonderlijk welk een kracht de menselijke ziel opbrengen kan indien remmingen en frustraties overwonnen zijn. En dat er nog altijd tal van mensen zijn die dat niet kunnen, willen, noch geloven. Pascal noemt de menselijke verschijning een riet, maar een denkend riet. Wie voelt niet de broosheid van zijn lichaam als zich situaties voordoen die hachelijk zijn. Er zijn mensen die iedere morgen onder veel geproest en gesnuif hun eeuwige verkoudheid afreageren en daarvoor een half uur nodig hebben. In dat half uur verliezen ze een hoeveelheid vocht die niet aardig meer is en zij spreken er over als een regelmatige opruiming bij wijze van schoonmaak. En dat wordt dan begeleid door een toename van vrolijkheid en losheid waardoor zij moeten oppassen geen domme en onbeheerste dingen te doen door een teveel aan innerlijk geweld. Hun 'riet' keert zich om en om, vouwt zich onder geproest voor de zoveelste maal dubbel en wordt ondanks al die broosheid een stevige buis waardoor zich niet in de eerste plaats het denken met grote kracht beweegt maar wel een op-stromend leven waarin niets kunstmatigs is en waarvan je de oorsprong eenvoudig niet kunt vaststellen.

Mij is verteld, dat deze oorsprong zich te kennen kan geven in een gouden naam die zich uit een vergruizeling van alle persoonlijke verwachtingen vrij vermag te maken. De mededeling luidt: 'het was of mijn lichaam totaal verloren was en toen ik in de spiegel keek om mijn jammerlijkheid aan te zien, zagen uit die ontdaanheid mij de ogen aan met een vreemde uitdrukking die ik niet kende. Alsof iemand door die ogen keek van heel ver, die ik wel zelf was maar naar mijn weten nooit eerder had gezien. En terwijl ik die aanzag kwam uit een oer-diepte die naam in mij op. De kracht ervan was onzegbaar weldadig en al-genezend en zijn glans doordrong mijn ziel en lichaam met een milde zachtheid. Sindsdien heb ik het merkwaardige gevoel dat ik niet meer kan sterven'. 
Er zal zonder twijfel een ogenblik komen als bij ieder ander dat het lichaam het begeeft en de dood zijn intrede doet, maar dat zal die mens niet eens bemerken, omdat de bewustzijnstoestand voor de donkere poort dezelfde blijkt te zijn als daar achter. Dan is hij in werkelijkheid voorzien van de 'heilige sacramenten', waarvan de toediening niet afhankelijk is van een cultureel gebruik.

De gouden naam moet wel uit een gouden zone, een gouden stad zijn voortgekomen. Hier is te denken aan de gouden stad uit de Openbaring die in zekere zin een geheel nieuwe levensfase inluidt. De stad waarin geen gejammer is en waarvan het licht alle tranen wegwist.

Wat er verder van gezegd werd is het volgende: 'de naam vertegenwoordigde een blijvende kracht die ik zelf was maar zich toch niet aanmeldde als ik. Het was de kern van mijn leven. Een onschokbare en onvernietigbare kern en waar hij de uitspraak van is kan ik slechts vermoeden. Indien ik er aandachtig naar luister, blijft er niets van mijn zelfgevoel over alsof ik geen afgescheidenheid meer heb. Het bewustzijn wordt ingenomen door de kracht van stilte, de vreugde en zuiverheid van de atmosfeer. Ik word tot naam maar ga er tegelijkertijd in verloren. Daardoor word ik gewaar, dat ik uit mijzelf ben voortgekomen. Al het puin wordt opgeruimd. Mijn lichaam wordt tot vat maar vormt zich opnieuw uit de diepte en ik zie het zich vernieuwen uit zijn oorsprong'.

Meditatie: luisteren in de stilte naar het zachte en doordringende - Ik ben het - Ik ben het en doe het eindeloos. Geduld is hier geen woord meer. Bevestiging van: Ik ben het. Van het positieve en scheppende, het omvormende, altijd doorgaande, kracht schenkende. Blijde verwondering, dankbaarheid, terugtrekken uit de wereld der voorstellingen, uit het weerkaatsende bewustzijn.
In de leegte plaats bereiden aan het scheppende, het zich onttrekken aan al het bevangende, al het overheersende. Ruimte-grootheid-openheid. Het wonder der innerlijke drie-eenheid, beleefbaar in het zelfbewustzijn, de zelf-toestand der eeuwige vernieuwing. Voortdurende omwenteling, eindeloos vormend en hervormend. Onveranderlijk in veranderlijkheid, onbewogen in beweeglijkheid. Zijn in wording tot openbaring werkzaam, al-overwinnend tot een eeuwig zijn.

De oer-kracht van het Dharma Kaya (het 'waarheidslichaam') dat niet nader aan te duiden. Het wordt met oer-licht aangegeven dat de wortelkracht is van al het bestaande en al-wijsheid vertegenwoordigt. Het is zonder kleur, zonder begin en einde, eeuwig en komt in de mens tot werking in zijn waarheidsliefde) manifesteert zich in de pracht en schoonheid van het Sambogha Kaya en verlichamelijkt zich tot aanschouwing van het veranderlijke en beweeglijke Nirmana Kaya, onsterfelijk, en in staat in menselijke gestalte te incarneren.

Dit zijn drie lichamen in één en deze worden in die eenheid elkanders identificaties. Dat is het lichaam, lichtend en schoon van de wedergeboorte, het vrije en onbelemmerde, waaruit de verlichting in de wereld kan plaatshebben als de uit de Lotus geborene, de Padma Sambahva. Daaruit komt voort de zachte, stille, doordringende en geduldige kracht, die nooit ophoudt, alomtegenwoordig is, en de wonderbaarlijke veranderingen en omzettingen teweeg brengt.
Het is een wegbereidende kracht, dienstbaar enerzijds, geen dwang kennend maar die juist de dienstbaarheid verheft tot het toonaangevende, zonder opschik, eenvoudig door te zijn wat het is. Uit dit mysterie ontstaat het zich vrijelijk incarnerende lichaam van de gezalfde en gezegende, dat de dood niet kent en eeuwig duurzaam is.
Want de dood is in de omwenteling begrepen en allen die deel krijgen aan de kern van de 'diamanten as' en zich van daaruit gevormd gevoelen zullen onsterfelijk zijn. Als een mens zonder ophouden het vergankelijke leven beleeft, openbaart zich uit die beweging de geestesvonk als een stille vlam die naarmate de omwenteling zich gaat voltrekken, wordt tot een vuur. Hierin ligt het geheim van leven en dood. Het 'ik ben voor de schepping der wereld'en 'voor Abraham was ben ik'. Dit heet in het oosten Tao.

Als wij beantwoorden in 'maat en getal' aan deze inwonende wet ontstaat er een voelbare zekerheid in het proces der omwenteling. Deze wordt tot innerlijk leven en laat het licht doorschijnen van een kosmische harmonie. Dit is een buitengewone stimulans om voortdurend werkzaam te blijven in het zich veranderende leven. Men ervaart hier dat het onvergankelijke in het vergankelijke onafgebroken werkzaam is, het blijvende in het tijdelijke. Het bewustzijn is 'aangehaakt' geworden in een onlosmakelijk verbond met het Al-ene en voor de mens die het ondergaat is het de bevestiging dat de grondwet van het heelal liefde is. Dit doet hem geheel in overeenstemming zijn met de noodwendigheid van zijn bestaan.

Het is ons altijd te doen om dat land der vreugde en der stille zelfvoleindiging, waardoor al het andere in het leven doorzichtig wordt gemaakt en 'oplost'. Het is de weg die een werkelijk bevredigende verzoening schenkt met het begoochelende en misleidende zinnenleven. Men is echter niet zo spoedig geneigd hierin als een der allerbelangrijkste inzichten in ons dagelijks leven te geloven. In de regel wordt de verwerkelijking van deze opvattingen verschoven naar een situatie voor later wanneer je z.g. de eeuwigheid bent ingegaan. Dat zou dan na de dood zijn, na het einde van het aardse leven. Maar het is alleen maar mogelijk als je de tijd verslagen hebt en daardoor een nieuwe ruimte gemaakt hebt in je bewustzijn en niet meer gekweld en vervolgd wordt door de tijdelijke en vergankelijke dingen, hetzij vreugde of smart, geluk of ongeluk, waarvan de mensen willen dat zij een eeuwige waarde zullen behouden.
Alles wat de mens vrees inboezemt is gedoemd onder te gaan. Wat zelf geen vrees kent kan onmogelijk vrees verwekken. In iedere geweldenaar ligt een angst op de loer dat hem zijn macht ontnomen zal kunnen worden. Alles wat ons vervolgt of beangstigt en verontrust is eindig en meestal laat een mens zich verleiden om deze dingen schromelijk te overdrijven en zo op te blazen alsof ze zich onuitwisbaar in het geheugen moeten griffen. Daardoor blijft de vernietigingsdrang steeds in werking, maar staat toch tenslotte in dienst van het geheel. De ware werkelijkheid van een mens kan n.l. niet vernietigd worden.
Terwijl het binnengaan in de nieuwe wereld ons geleidelijk ontheft van alle bezwaren en hindernissen, ook al zou ogenschijnlijk ons lichaam er aan stuk gaan, zullen wij toch ontdekken hoe dit meer en meer deel krijgt aan het land der vreugde, waar geen ziekte kan binnendringen en de scherpe haken der tegenstellingen worden uitgeschakeld. Ziekte en scherpte behoren tot de uiterlijke wereld.

Gustav Meyrink zegt in een van zijn werken dat het wreed is de mensen over dit oord en koninkrijk te spreken. Het is of iemand een gevangene bezoekt om hem te vertellen hoe heerlijk alles buiten is, hoe de vogels kwinkeleren en de mensen zo vrolijk lopen te genieten in hun losse vrijheid. Maar ik vertel aan de gevangenen hoe het mogelijk is in zichzelf de verandering te beleven voor altijd die plaats kan vinden in hun bewustzijn, hoe er aan henzelf dit leven ten grondslag ligt en hoe uitermate belangrijk het is daaraan eens aandacht te gaan schenken en een verandering te brengen in hun gezindheid.

Want het is een kwestie van gezindheid, de aanwezigheid van een 'beschermende achterhoede', van een teruggegaan zijn in zichzelf en een zich terugtrekken en alles te durven doorstaan en te aanvaarden wat er op onze weg komt alsof wij dat zelf zo gewild hebben. Ook geeft het niet anderen de schuld te geven van onze eigen tekorten. Daar is niet aan te beginnen en wij begeven ons daardoor in een eindeloos heen en weer praten over schuld of geen schuld. Aanvaard alle schuld want op weg naar het binnenste rijk zal alle schuld, welke ook, van u afvallen. Het is een lichte en onuitsprekelijk gelukkige weg alsof ge voortdurend vergezeld wordt van entiteiten en krachten die u waarlijk liefhebben en gaarne bij u zijn en u geen ogenblik zouden willen krenken.

Het: 'wat gij niet wilt dat u geschiedt, zo doet dat ook niet aan een ander', is en blijft het begeleidend werkzaam beginsel dat zeer vruchtbaar is in schenkende kracht en innerlijke zekerheid. Trouwens als Jezus zegt dat hieraan de hele wet en de profeten hangt dan is dit de zin van de bijbel in een nutshell. Er staat: alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo: want dat is de wet en de profeten. Volgens dit voorschrift is het erom te doen dat wij het zelf zijn die met liefde en begrip, met oprechtheid en eerlijkheid tegenover onze medemensen staan, omdat wij ook zelf zo behandeld zouden willen worden.
Als wij er niet van houden overreed te willen worden, dat wij dat anderen dus ook niet doen. Als wij niet overheerst willen worden dat wij ook anderen niet tiranniseren, enz.

Eigenlijk allemaal teveel om op te noemen. Er is bovendien de karmische wet in vervat dat wij gebonden blijven aan de gevolgen van onze daden, gedachten en wils-impulsen en slechts daarvan bevrijd kunnen worden als wij ophouden anderen op een of andere manier schade te berokkenen wat slechts mogelijk is, als wij de alverlossende liefde Gods gevonden hebben.
De consequentie van dit korte maar uiterst praktische 'gebod' is dezelfde als van het boekje 'Licht op het Pad' van Mabel Collins: 'voordat de ogen kunnen zien moeten ze niet meer in staat zijn tranen te storten'. Want alleen als wij nog niet genoeg zien zal onze verblindheid tot handelingen en oordelen verleiden, die ons steeds weer tranen doen oogsten. En voordat de oren kunnen horen moeten ze hun gevoeligheid verloren hebben. Deze onvatbaarheid voor tranen en gevoeligheden wat ons gehoor betreft is dan pas opgeheven als wij zelf niet meer kwetsen kunnen of krenken hetzij naar ons woord of naar ons gedrag. Immers een mens is beschermd door zijn eigen gezindheid. Die gezindheid zal blijken uit een positieve en moedige kracht.

Maar door de aanvankelijk zuivere instelling zonder enige bijbedoeling dienen wij vooral het loutere zelf in ons. Want voor het zelf dat van de grootste kracht is en zich uit de geestesvonk ontwikkelt bestaat geen gehechtheid, dus ook geen enkele angst. Want dit Zelf is onze eigenlijke naaste, er is niemand die ons meer na is dan het Zelf. Hij is onze vriend en toeverlaat. Hij is steeds zichzelf en daardoor uiterst betrouwbaar. 
Er is veel in de mens dat nog niet aan het Zelf beantwoordt en dat zich dus als een vijand tegen hem gedraagt. Dit is niet alleen in de buitenwereld zo, maar ook in de mens die deze weg bewandelen wil. Want wie wil zich consequent stellen onder die wet van het zelf? Alleen hij die weet hoe hij tegenover de mensen wil zijn, dat is de wereld, in een uitermate praktisch voorschrift voor het dagelijkse leven. Want als het zelf alle gehechtheid heeft opgegeven, dan hebben wij ook alle gehechtheid tegenover de mensen opgegeven.

Het betekent dat het u niet meer ontroert hoe zij ook tegen u zijn, d.w.z. niemand kan u werkelijk schaden omdat ge geen gehechtheid meer hebt aan iets wat hen betreft. Indien ge wilt dat de mensen u niet overheersen, wil dan zelf ook in geen geval in u zelf overheerst worden. Het voorschrift waaraan wet en profeten hangt betreft het begaan van de weg tot de juiste instelling die niet uit een intellectuele opvatting voortkomt maar uit een wijze van zijn en doen in het dagelijks leven. Het voorschrift eist bezinning, een in zichzelf gekeerd zijn, een doorzien van onze eigen bedoelingen en wensen en drijfveren.

Het zegt hoe wij zelf aan het stuur moeten zitten van het eigen organisme, ook als dit organisme ons brein is. Dat wij in hitte en koude dezelfde zijn, in smart en genot, in eer of schande, wat er ook over ons komt. Het komt er nl niet op aan hoe de mensen tegen ons zijn. Dat is niet bepalend voor onze blijvende instelling en geesteshouding. Het gaat om een innerlijke gelijkmoedigheid, die steeds dezelfde is of wij temidden van vrienden of vijanden verkeren, of men liefheeft of haat. Wij leren onze eigen weg kennen tot ons ware vaderland en dat kan een ieder die van goeden wille is.

Er is hierin geen sprake van organisatie. Is daarvoor een organisatie nodig om deze omgangswet te vervullen waaraan het grootste belang wordt toegekend, het belang hoe of wij zelf zijn en behoren te zijn om deel te krijgen aan de innerlijke onverstoorbaarheid, in welk gezelschap wij ook verkeren. 
Daardoor zullen wij er toe komen een innerlijke structuur, ja een innerlijk lichaam te ontwikkelen, dat zich vrijelijk bewegen kan in de wereld van licht en klaarte. Men wordt er vrij van hoogmoed en geveinsdheid, er is geen machteloosheid die een mens tot haten doemt. Het is een verborgen werkelijkheid die, hoewel ingehuld in het dagelijkse leven met al zijn besognes en menselijke verhoudingen en ontmoetingen steeds dezelfde doet zijn in het grootste geduld. Hier wordt geduld niet als een opgelegde beproeving gezien maar eenvoudig als een toestand, een eigenschap der innerlijkheid die van tijd de maat verloren heeft. Het is een wereld waarin geen vrees heerst en die ook niet gevreesd kan worden.

Stel u voor, dat wij een geweldenaar waren die gehoorzaamd moet worden, een potentaat die wel eens de waarheid zal zeggen en de mensen klein zal krijgen. En nu blijkt dat er niets klein te krijgen is. Alles is klein (of groot). Iedere maatstaf valt weg van iemand die geen vrees kent en ook niet naar welke vreugden ook haakt. Hij is die hij is en zijn kracht en vermogen liggen eenvoudig in het feit dàt hij is en dit gevoelt als een geworteld zijn in iets dat zelf onwankelbaar is. Want in de nieuwe wereld is geen angst. Daar zijn goede en slechte gevolgen geleidelijk opgeheven en is er geen uitzien naar resultaten of vruchten van een handeling. Geen uitzien naar beloning, maar in het ogenblik deelhebben aan iets dat in zich voleindigd is. Denkt u niet dat wat de mens gekregen heeft uit de handen van God niet volkomen is, dat dan nog een extra beloning in uitzicht gesteld moet worden als daarin zijn hoogste heil en vervulling ligt?

In deze levenspraktijk komt duidelijk het gevolg van het oordeel uit: 'met welk oordeel gij oordeelt zult gij wederom geoordeeld worden'. Wat ge uw naaste in een oordeel aandoet zal u wederom aangedaan worden. En indien wij een ander bedriegen zullen wij wederom bedrogen worden. Het is eigenlijk een karmische wet dat ieder mens gebonden blijft aan de gevolgen van zijn handelingen, gedachten en wilsimpulsen en al naar gelang de kwaliteiten ervan, zelf wederom te oogsten heeft wat hij teweegbrengt. Het is een onontkoombare wet die alleen door bezit van de liefde Gods wordt opgeheven daar de weg tot de grote verandering alle schuld oplost. Wij komen dan vanzelf tot een zuivere levensinstelling die zich innerlijk een grote hoeveelheid geestelijke 'good-will' bezorgt en die ons in staat stelt eventuele schulden, die wij zouden maken, direct te vereffenen. Volgens dit simpele voorschrift is het er ons om te doen met liefde en begrip, oprechtheid en openheid tegenover onze medemensen te staan en daardoor in ons zelve een vorm van immuniteit te verwerven die eenvoudig het gevolg is van onze eigen positieve instelling. Het is deze instelling, die geen bijbedoeling kent, waardoor wij het loutere zelf-zijn dienen. Dit zelf-zijn is het dat ons tenslotte tegen alle schade en dreiging beschermt, wat ons het besef geeft van niets meer te vrezen te hebben in welke omstandigheid ook. 

In de kracht van het zelf bestaat geen gehechtheid meer, dus is er ook niets te verliezen. Het Zelf is onze eigenlijke naaste. Er is niemand die ons meer na is al kennen wij de uitdrukking: ik heb je meer lief dan mijzelf. Dit lijkt mij eenvoudig niet mogelijk, want slechts het zelf kan zo zelf-vergeten liefhebben. Dat is altijd de liefde van het zelf: het schenkt zich. Wat zal men meer.

Het Zelf is onze vriend en werkelijke toeverlaat.
Heer Jezus die door heel de wereld gaat
kwam ook voorbij een marktgewoel.
Een dode hond lag op zijn weg
en was voor een huisdeur heen gesleept.
Een troep stond rond het lijk rondom 
zoals gieren zich om aas verzamelen.
De ene sprak: mij wordt mijn brein 
door deze stank gewoon verpest.
De ander sprak: wat voor zin heeft het? 
Uitschot van graven brengt maar ongeluk. 
Zo zong een ieder zijn eigen wijs 
om de dode hond zijn lijf te smaden. 
En als nu Jezus aan de beurt kwam 
sprak hij zonder smaad en goedgezind, 
welwillend en vriendelijk van natuur: 
'De tanden zijn zo wit als paarlen'. 
Dit woord maakte alle omstanders 
gelijk doorgloeide schelpen, heet.

vrij naar Goethe (West-östlicher Divan)

Barend van der Meer

vrijdag 21 november 2014

Rode lantaarn


15. - Innerlijke revolutie 2

Als het er om gaat een strijd aan te binden om een orde te herstellen in onszelf en wij dat dan ook zelf moeten doen, is het mogelijk daarvoor een weg te vinden 'als streden wij niet'. Dat zou het minst vermoeiend zijn en het meest doeltreffend. Wij zouden echter een uitgangspunt in ons zelf moeten kiezen en dit uitgangspunt zou een dominante moeten zijn, die nooit verliezen kan. Dit zou tot de erkenning kunnen leiden dat in ons een 'uit zichzelf' zijnde kwaliteit is, een manifestatie van het oer-zijn waarin een ieder mens geworteld is.

Zonder twijfel is deze eenheid-van-het-zijn te ervaren, maar de omstandigheid die tot deze gebeurtenis kan leiden, is van zo verschillende natuur dat er geen enkel voorschrift voor gelden kan. Iedere voorstelling die wij ervan trachten te maken, loopt toch uit op een gelijkenis waarvan er vele zijn, terwijl de werkelijke ervaring geheel anders is dan je had gedacht. D.w.z. de omstandigheden waaronder ze plaats kan vinden.
Maar hoe dan ook, het betekent altijd dat het ware ik, het zelf, niet afgescheiden is van zijn oorsprong, maar eenvoudig in eenheid ermede verenigd. Dit in eenheid leven met onze oorsprong is dan eigenlijk de grondtoon van ons leven en nu is maar de vraag: hoe kunnen wij dit verenigd zijn dagelijks toepassen in de voortdurende strijd die wij te voeren hebben als wij gehoor geven aan onze innerlijke noodwendigheid: veelheid te ordenen tot eenheid, of chaos herscheppen tot orde?

Want als wij ons in het dagelijks leven in stand willen houden op een wijze dat het leven beantwoordt aan wat het naar zijn wezen is: open, licht, zuiver en zeer blijde in zijn waarachtigheid, dan zullen wij tegelijkertijd voortdurend moeten toezien dat ons bewustzijn dat zozeer van het echte leven vervuld kan zijn, niet wordt geïntimideerd of overheerst door allerlei onwerkelijke en tijdelijke stralingen, krachten, moeilijkheden en zorgen die van evenzovele angsten en dreigingen vergezeld kunnen gaan.
Daarom is het van belang het bewustzijn, waarvan ieder van ons als een schoon werktuig is voorzien, zodanig te vervullen met de krachten van ziel en geest dat het een groot weerstandsvermogen ontwikkelt ten opzichte van die werkelijkheden die aantoonbaar voorbijgaand, vernietigend of ziekteverwekkend zijn.

Hierdoor zouden wij de noodlottige revolutie die alles in ons wil ontwrichten, kunnen doen verkeren in een evolutie uit zichzelve, een spontane ontvouwing van lichtkrachten tot een nieuwe orde in het bewustzijn waardoor aan een menswaardig bestaan voldaan wordt.
Het is als bij de Zen-meesters die ons herinneren aan een levensstaat die zij 'satori' (= bevrijding) noemen en waarvan zij in hun leer en praktijk te kennen geven dat zij reeds aanwezig is. Dat, waarnaar een mens zoekt als verlossing, is er al lang én is er ook altijd geweest maar hij heeft er zich blind voor laten worden zodat het buiten zijn waarneming kwam te liggen.
En in deze blindheid is hij zo geïmponeerd geworden door zijn onvermogen tot waarnemen en gewaarworden dat het eenvoudig niet in hem opkomt dat hij wederom een open oog zou kunnen krijgen voor dit éne nodige. Aldus zijn er heel veel mensen die al bij voorbaat zeggen: ik zie zelfs niet wat je bedoelt, met als gevolg: die man wil ons iets doen geloven, wat er helemaal niet is. Aan deze mensen kan ik niet vragen: geloof in uzelf als een eenheid en ondervind wat dàt zeggen wil.

De moeilijkheid ligt vooral in ons lichaam dat in het dagelijks leven een uiterst belangrijk geval is. Er speelt zich voortdurend een strijd in af tussen leven en dood. Tenminste zo wordt het dikwijls opgenomen. Te zijn of niet te zijn is niet een vraag van onze ziel, maar van ons brein, evenals alle tegenstellingen zoals ziekte en gezondheid, liefde of haat, lust en onlustgevoelens, moed en vrees, voor- en tegenspoed. Als het goed gaat met ons lichaam, dan zeggen de mensen dat dàt de grootste schat is en als het niet goed gaat, is Holland helemaal in last. Natuurlijk is het van belang dat wij gezond zijn en gelukkig en welvarend in de huiselijke zin van dat aardige woord, maar het is de vraag of deze tegenstellingen in onze gevoelens en bewuste leven nu zulke grote afmetingen moeten aannemen.

Want tenslotte ben ik - en dat zal zo met iedere mens zijn - wat mijn bewustzijn is. Waar is het van vervuld, waardoor wordt het bezield? Heb ik het zelf tot mijn beschikking of wordt het getiranniseerd door mijn lichaam? Laat ik de omstandigheden heersen over mijn bewustzijn? Dat betekent: wordt mijn toestand bepaald door mijn vijf zintuigen, mijn ogen, mijn neus, mijn mond, mijn handen en mijn oren? Of ben ik zelf ook nog iets dat daarvan niet alleen onafhankelijk is maar dat in staat is mijn zintuigen te gebruiken zoals ik dat zelf kies en goeddunk?
Het zelfstandigheidsbesef maakt dat wij ons maar niet aan iedere indruk uitleveren of ons daardoor laten beïnvloeden op een wijze dat wij er geen leven door zouden hebben. Ben ik ik? Of ben ik dat niet? Want voor mij is mijn zijn, mijn ik-heid, de enige ware toestand, het enige dat ik met geen mogelijkheid kan ontkennen en ook niet wil ontkennen. Ik ben-ik, leef en ben één in alles en allen wat ik is.

Het zou zinloos zijn indien het 'Ik ben' niet zichzelf zou kunnen zijn en dit alleen maar een frase was uit een heilig boek. Dit zelf-bewustzijn wordt niet bepaald in zijn kracht en wezen door wat er van buitenaf in binnenkomt, wat het dan ook is. Maar enkel en alleen door te zijn wat het is. Daarom is in de eenheid van dit zelf-zijn geen ziekte, geen verstoring, geen schaduw, geen pijn, geen lijden in welke vorm ook. Het is zijn eigen realiteit en deze beantwoordt niet aan de toevallige situatie van het lichaam, de persoonlijke gevoelens en de duistere gedachten en voorstellingen. Die bestaan niet in de ware werkelijkheid van het 'ik ben' en deze kwaliteit is eenvoudig uniek voor ieder mens en betekent de terugkeer naar zijn oorsprong, naar God.

Het is best mogelijk dat er mensen zijn die eenvoudig deze levensmogelijkheid, deze kracht, dit licht van het bewustzijn ontkennen en gewoon beweren dat het onzin is. Dat een mens niet bekwaam is om door middel van het sprankje goddelijkheid dat in hem is, toegang te krijgen tot een rijk, dat niet speciaal van deze wereld is, maar dat niettemin op deze aarde in onszelf gerealiseerd kan worden en wel alleen door tot onderscheiding te komen, wat voorbijgaand en wat eeuwig is.

Want door deze onderscheiding wordt de nieuwe liefde wakker, liefde tot een onsterfelijk leven, liefde tot wat aan alle mensen ten grondslag ligt. Geen sentimentaliteit, geen teleurstelling die men incasseren kan, geen verwachtingen, die de bodem worden ingeslagen maar liefde tot het leven zelf, juist omdat het van zo een bijzondere kwaliteit is. Het wonder is trouwens, hoeveel revolte en tegenstrijdigheden die in die aanvankelijke strijd hard op elkander botsen er ook mogen zijn, dat zij alle niet bestand zijn tegen de kracht, het licht of de straling van het zelfbewustzijn dat als een eenheid geen tweeheid of verdeeldheid bewust kan zijn, waardoor er eenvoudig geen verdeeldheid heerst.
Wat weet het verstorende element van deze essentiële eenheid? De diabolus, de doorelkanderwerper, heeft er geen zin. Alle realiteiten die ontbinden of vergankelijk zijn, worden gedomineerd door die ene realiteit, waarvan de mens het voorrecht bezit er door de kracht van zijn bewustzijn deel aan te krijgen.

Indien men eenmaal de kracht bezit, gedachten en voorstellingen en zich opdringende gewaarwordingen een halt toe te roepen als ze ziekelijk, verdrietig of verstorend willen werken, zal het besef opkomen hoe uit het eigen innerlijk, krachten opwellen uit de bron van het zelf, die zeer werkelijk zijn en betrouwbaar.
Daardoor zijn ze uit zichzelve ordenend en harmonisch in het uiterlijke leven werkzaam en werpen vruchten af. Er is niet langer enige vrees die uit de uiterlijke wereld tot ons zou komen. Er zijn wel, wat je noemt, wereldse genoegens en vreugden die ons van buitenaf geschonken worden, maar tov het innerlijke leven mis je ze niet. Het innerlijke leven is immers niet te overtreffen? De constante vreugde ervan is onverstoorbaar en heeft geen tegenstelling nodig door haar eigen afwezigheid.

Als onze impulsen gericht zouden zijn op de innerlijke oorsprong van alle leven dan zouden ze zichzelf opheffen in die oorsprong en daardoor zou de eigenlijke impulsiviteit teniet worden gedaan. Ook als een mens vervuld is van een onbewingbare drang naar het zelf, dan zal deze onbedwingbaarheid tenslotte zichzelfve vernietigen in het vuur van het beoogde doel.
God is verterend vuur en het is uit innerlijke noodwendigheid dat wij ons tot Hem begeven, in de kracht onzer liefde die tenslotte onze geestelijke lichamen laat overblijven wijl deze uit goddelijk materiaal zelve zijn voortgekomen. Dan zijn wij zelf verterende vuren geworden en alle schijngestalten gaan in ons bewustzijn teniet. Daarin ligt het geheim van het onsterfelijke leven en de merkwaardige gewaarwording dat men gedurende zijn aardse leven aan deze omzetting is uitgeleverd terwijl dat wat ons verteert de overheersende dominantie blijft.

De innerlijke revolte treedt op wanneer wij in ons persoonlijke leven geneigd zijn ons te wreken of ons in onze eer getast te gevoelen, tekort gedaan, teleurgesteld of op een andere wijze gekwetst. Het is natuurlijk helemaal niet leuk om behandeld te worden als een nul of niet gezien te worden in wat wij onder onze persoonlijkheid verstaan. Wij kunnen er niet van slapen, gevoelen ons diep gekrenkt en vervullen ons met wraakgevoelens. Ook gevoelen wij ons bedrogen als een ander niet aan onze verwachtingen beantwoordt, wie die ander dan ook is, en dragen de wereld en onze medemensen een wantrouwend hart toe. En toch schijnt er een bewustzijnstoestand te zijn - ze is er met de grootste stelligheid - waarin een mensenkind van al deze zaken nauwelijks of helemaal geen last heeft.

Het is t.o.v. het geluk van die toestand eigenlijk niet meer van belang. Het is wel te begrijpen dat het niet een gering offer is dat wij moeten brengen, het offer van de persoonlijkheid met alles wat er aan vastzit. Dat offer is niet meer of minder dan de kruisdood. Het betekent de volstrekte bereidheid zich zonder enig verzet of tegenweer, zonder enige overheersing van gekrenkte trots of haat of het hele tumult van onze aan flarden gescheurde dierbare persoonlijkheid met status, goede naam en al, over te geven en ons te laven aan het licht ener nieuwe geboorte; een onaantastbaar bewustzijn dat zijn heil en vreugde niet te danken heeft aan welke pogingen tot verlichting van buitenaf, welk medeleven ook en goed bedoelde sentimenten, maar enkel en alleen aan de innerlijke God die zich in dat zich vernieuwende bewustzijn alomtegenwoordig openbaart, als een niet te schokken werkelijkheid van bewustzijn.
Dit nl. is de oorsprong van ieder bewustzijn, maar de mensen zijn zozeer met het belang van hun persoonlijkheid en hun lichamelijkheid vervuld, dat zij daardoor de ware eenheid, het werkelijk onverdeelde, de enig genezende en zegenende werkelijkheid niet meer kunnen bevatten.

Daarom is het niet van het minste belang als iemand ons op de rechterwang slaat of ons van een mantel berooft. Berovingen, dood, verschrikkingen, bedreigingen, verstikkingen en alle drama's en ellenden die zich dagelijks afspelen onder de mensen bestaan eenvoudig niet meer omdat het bewustzijn, het oorspronkelijke en van binnenuit spontaan gevormde onder de uit zichzelf bewegende en zijnde goddelijke wet, voor eeuwig en altijd de overhand gekregen heeft in het onverwoestbare samenstel des mensen. Dit samenstel moge zijn lichaam tot tijdelijke woning hebben, maar is niet zelf dit lichaam. Het is nl de innerlijke mens, de geestelijke mens, die zich met miljoenen stralende krachten van de ziel heeft bekleed, die drager is van het bewustzijn Gods, waarin alle lijden is opgeheven, alle ellende is teniet gedaan.

Zolang wij nog een aards lichaam hebben, hebben wij deel aan de wisselingen in dit lichaam als 'randgebied', maar deze wisselingen zijn voorbijgaande realiteiten en kunnen niet meer het bewustzijn van binnenuit ondermijnen. Trouwens het hele aardse geharrewar komt in een ander licht te staan. Men beleeft het wonder van de aanwezigheid van het 'koninkrijk' in het bewustzijn. Er is toch immers niets tegen het zo te noemen? Alle dingen tot in de kleinste verhoudingen ordenen zich opnieuw. Alles wat er zich niet mee in overeenstemming bevindt, staat er eenvoudig buiten en valt weg.

In dat buitenste gaan de vernietigende en elkander bedreigende krachten, de chaosverwekkende, altijd door. En zolang 'het buitenste' de mens overheerst, zal hij mede verscheurd en geteisterd worden. Dit houdt immers op zodra de mens zelf van goede wil wordt en in zich omkeert door te erkennen dat deze wilsomkeer in het vervolg op een nieuwe, een innerlijke bestemming is gericht. Op die werkelijke wilsomkeer komt het aan, en geen macht in de hemel en in de wereld kan ingrijpen in de vrije keuze van de mens. Ook God zelf kan dat niet. Het zou geheel in strijd zijn met de vrijheid van zijn wil, waaraan een ieder mens zijn eigen vrije willen heeft te danken.

De mensen zeuren altijd: waarom, als God almachtig is, kan hij in onze misère geen verandering aanbrengen. Hij kan in geen enkele misère verandering aanbrengen, maar een ieder die Hem liefheeft kan ervaren hoe deze liefde leidt tot een grote verandering in het eigen bewustzijn, een ruimte maken voor het nieuwe en enig ware om dan te ontdekken dat Hij ons in onszelf op een onbegrijpelijke wijze liefheeft en zijn hoog tehuis voor ons openstelt. Het is de mens zelf die de toevoer afsnijdt tot het innerlijk rijk en zich dan gaat beklagen dat Hij niet binnenkomen kan.

Chaos en eenheid zijn moeilijk verdraagbare begrippen. Chaos kan eenheid in het geheel niet beseffen, ook al gedraagt zij zich als een vijand van alle orde. Chaos bestaat omgekeerd voor het rijk der eenheid eenvoudig niet. Hoe kan voor God twee-heid, veelheid bestaan? God is al-eenheid en er is geen enkele afgescheidenheid in Hem. Als een mens deel krijgt aan de levende God wil dat zeggen dat hij in zijn bewustzijn die weergaloze toestand kent der onverdeeldheid waar niets anders is dan het onzegbaar ene.
'En liefde als vreemd aan de eenheid, is vergaan in de adoratie van uw eeuwig wezen' dicht Der Mouw. Alles is een kwestie van bewustzijn. Wanneer er nu een ononderbroken staat van bewust-zijn is, waarin iedere afgescheidenheid als 'onderscheiding' niet meer aanwezig is dan alleen in overeenstemming met het ene, dan kan er dus geen tweeheid of veelheid meer zijn. Alles wordt opgenomen in één en de onderlinge begrenzingen der afgescheidenheid vervallen. Daarom is begrijpelijk dat de eenheid niet de veelheid binnen kan gaan en ook niet de veelheid de eenheid. In het rijk Gods is alles op zijn plaats en niets is er dat die harmonie kan verstoren.

Daarom ook is de grote tegenspeler, de geest van de donkere afgrond, de vorst der duisternis, geen vijand van God. God heeft geen vijand. Voor Hem bestaat hij eenvoudig niet, het kan niet. Jezus zegt: Satan ga achter mij. Meyrink laat Hillel zeggen in het boek 'De Golem': 'Ik geloof niet in hem al zou hij hier voor mij staan'. Ik ken mensen van een edele natuur waarbij je niet moet aankomen met verontschuldigingen of berouw of het vertellen van roddel of kwaad over medemensen. Ze zien je aan of ze je helemaal niet begrijpen en zijn onverstoorbaar in hun vriendelijkheid.  Ik heb iemand - toevallig een hooggeplaatste in rang - eens vijfmaal vriendelijk horen vragen: zoudt u mij dat nog eens willen vertellen (het was eenvoudig roddel). Bij de zesde keer pas zag de roddelaar in dat hij geheel aan het verkeerde adres was en maakte hij beschaamd dat hij weg kwam.


Welneen, voor God is er geen leed, noch kwaad. Hoe het mogelijk is dat er mensen zijn die God wreed laten straffen, die zelfs volkeren en vijanden vernietigt. Ja, dat tot Hem gebeden wordt persoonlijke vijanden te verdelgen en dergelijke onzin meer is onbegrijpelijk wanneer Hij een wezen is dat wij moeten aanbidden en liefhebben. Men aanbidt geen machthebbers en tirannen, geen bedreigers en straffers, geen vernietigers en doders. Die horen in de ware werkelijkheid niet thuis. Mensen die met hun gehele ziel en verstand in dergelijke machten geloven, zijn zelf zo. Het geloof in een tiran maakt je zelf tot tiran. Het geloof in een duivel maakt je zelf tot een duivel, enz. Immers de mens wordt gevormd door zijn eigen geloof. Als het geloof de gietvorm is, zal het de wil zijn die zich het eerst in ons bewustzijn waarmaakt. Een levend geloof maakt ons tot levende mensen.

De mens is iets dat in de oorsprong van zijn leven thuishoort. Dit kan hij niet begrijpen maar wel beleven. Men begrijpt niet dat men beantwoorden kan aan wat men zelf oorspronkelijk is. Want dit heeft niet in de eerste plaats met ons begrip te maken, maar met onze gevoelens en de staat van bewustzijn waarin wij verkeren. Het is een soort herkenningsproces waardoor mogelijkheden zich verwerkelijken kunnen omdat ze een zelfbevestigende waarde hebben. Hoe wij ertoe gekomen zijn onze oorsprong de rug toe te keren en ons hebben laten verleiden tot spookachtige en onware werkelijkheden die ons aan onszelf ontrouw deden zijn, beseffen wij pas als wij hersteld zijn van onze verwarring. Want het leven dat zich slechts aan onze vijf zintuigen mededeelt, is een onwaar en bedrieglijk leven. Het zal ook nooit de bedoeling zijn geweest zich daarin te begeven en waarschijnlijk heeft dit wel uit te staan met de boom van kennisse van goed en kwaad. Het eten van die boom wil zeggen dat wij ons nog steeds vervullen met de weerspiegelende God der tweeheid die spreekt uit de taal der slang.

De mens heeft zich laten wijsmaken dat hij in dit geval kon zijn als God en hij begon zelf een wereld te scheppen en te laten zien hoe hij de wereld kon bevolken en er de baas in kon spelen. Tot nog toe heeft hij er niet veel van terecht gebracht. Laten wij daarom de wereld weer terugvinden die goed was zoals zij was. De wereld is binnen in ons zelve maar wij kunnen haar niet binnentreden met onze vijf lichamelijke zintuigen. Wij moeten ze daarvoor niet gebruiken.
Kunt u zich voorstellen, welk een drukte ze gaan maken, met het brein voorop, wanneer wij beweren dat er een wereld is niet van deze wereld, een wereld van God zoals Hij die ons geschapen heeft? Dat het de enige mogelijkheid is dat wij andere ogen en oren gaan gebruiken? Dat het innerlijke zintuigen zijn die wij daarvoor nodig hebben, iets dat de mensen allang intuïtief aangevoeld hebben, maar hen toch weer misleid heeft als ze denken dat ze de speciale zintuigen daarvoor zouden moeten ontwikkelen. Ook hiervoor geldt: zoek eerst het Koninkrijk en alle dingen zullen u toegeworpen worden.

Als wij de praktische levensinstelling die voortkomt uit de kracht van ons bewustzijn leren handhaven, komen wij op zeker ogenblik aan waar wij behoren te zijn. Dit ogenblik vergt van ons het volstrekt loslaten van alle gewaarwordingen en bevangenheden die het aardse leven ons kunnen schenken en waaraan wij zo gehecht zijn. In dit loslaten, dat hetzelfde is als 'zijn leven verliezen' ligt het overgaan over de drempel. Het is of wij bij een hoge gastheer genodigd zijn die zegt: ge behoeft niets maar ook niets van uw eigen bezit en benodigdheden mede te nemen, want alles is hier voor u in ruime mate aanwezig. Dat zou op een volstrekt zorgeloze en verzorgde toestand duiden die ge gaat doorbrengen bij uw gastheer. Welnu, hij zal zeggen: al het mijne is het uwe.

Trouwens, er is de mogelijkheid dat, gesteld dat wij ons nimmer nog met deze zaken hebben beziggehouden, er toch een ongewoon ogenblik in ons leven komt dat enerzijds ons zo vreemd en stil aandoet en anderzijds ons in verbinding brengt met een onvergetelijke werkelijkheid, alsof wij door een lichtflits in ons bewustzijn werden getroffen.
Misschien heeft de schrijver van het evangelie deze lichtflits bedoeld als hij spreekt over de zoon des mensen die als de bliksem is. Het kan immers zijn dat in de nacht van het leven, als wij verdwaald zijn in het gebergte, wij overvallen worden door een onweer waaruit zo een bliksem tevoorschijn schiet waardoor wij ineens beseffen waar wij zijn. Dit besef kan ons onder angst en beven (misschien waren wij bevreesd voor het onweer) tot een bijzonder bevrijdend besef brengen, nl dat er in werkelijkheid niets aan de hand is met onze verlorenheid en ellende of wat wij daarvoor hielden, omdat die bliksem ons bijlichtte ter oriëntering en ons deed 'zien' dat wij vlak bij huis waren. Dit zou een onvermoede en onbeschrijflijke verlichting geven.

Dit moment wordt vergeleken mdet de komst van de Christus, de mensenzoon, die dan hetzelfde blijkt te zijn als de staat der eigen innerlijke verlichting, waarin ons het bewustzijn weer geschonken wordt van 'hoe het is'. Dit weten 'hoe het is' is van een bijzondere kracht die toeneemt naarmate onze aandacht en liefde er groter voor wordt. Wij zouden ook kunnen zeggen: eens getroffen door dat verblindende flitslicht, heeft het zichzelf in het bewustzijn nader ontstoken en daardoor op gang gebracht.
Het is of de geestesvonk uit haar rust is gestoord en een verbinding tot stand bracht met het afgescheiden deel van ons verduisterd bewustzijn. Alsof het begin van een brug ontstaat die de toestand der verlichting met die der verduistering verbindt.
Op dat ogenblik begint de ommekeer die de innerlijke revolutie tot gevolg heeft.


Barend van der Meer

woensdag 19 november 2014

Boompjes


25. - Het innerlijke leven

Dat is de nieuwe wereld, de eeuwige nieuwe wereld. Aan gene zijde van het denken met zijn vele problemen, zijn goed en kwaad, zijn straffen en beloning, zijn slavernij en heerszucht. Het is een wereld van volstrekte vrede zonder een schemering van angst of gedrochterlijkheden.
De mens is in zijn bewustzijn ontdaan van hoop en verwachting, van de tirannie der zinnen. Het is niet een wereld van worden, van ontwikkeling en evolutie, noch van berekeningen, lof en misprijzen, verachting of goedkeuren. Er zijn geen klopjes op de schouders van 'dat heb je goed gedaan mijn jongen', geen eerzucht, geen gemakzucht, geen hebzucht, geen in stand houden van de soort of van zichzelf. Er heersen geen rusteloosheden, geen blijken van ontevredenheid, geen dreiging met rampzaligheden en ondergang.
Er zijn geen gedresseerde dieren die een lekker hapje krijgen wat hun zou worden beloofd als ze netjes hun poot gegeven hebben of voldaan hebben aan wat de meester heeft gewild. In het innerlijke leven zijn geen profeten en geen machten die dreigen met 'als je niet, dan...'. er is niets dat de mens nog nodig zou hebben of behoeven en waar iemand zou zijn om zich daartoe op te maken en er een functie voor zou bekleden. De machtsverhoudingen, die de mensen zo prijzen in wat ze vriendschap en liefde noemen.

In het innerlijke leven komt de mens tot de ontdekking dat hij zelf oorzaak was van alle leed en alle ellende, die hij ooit heeft geleden. Als hij door de donkere gang moet gaan in zijn eigen onderbewuste leven, wordt hij geconfronteerd met al zijn tekorten die hij ooit beging, met al zijn zg. schulden met wat hij anderen en zichzelf aandeed. Al deze kreeft en kruisspinachtige gezichten loeren de mens en zijn ziel vijandig aan, toeziende of zij niet wraak kunnen nemen om haar te verscheuren. Maar deze ziel wordt gedragen door een onvernietigbare kracht, de wil tot de innerlijke regionen waar geen dreiging, geen hel, geen aangrijpingspunten meer zijn. En het moge waar zijn zoals sommige dichters en schrijvers beweren dat deze rijen van wraak, achterdocht en angst zich, als we er doorheengeschreden zijn, aaneensluiten tot een optocht van lasteraars, roddelaars en stenenslingers, ze veroordelen zichzelf, die zo graag tot een blijvend gericht willen behoren en het zal weldra blijken dat ze in de innerlijke regionen van het kostelijke leven der ziel niet kunnen doordringen en zelf veroordeeld worden tot de stroom der vergetelheid.

Het is wel aanduidbaar wat het werkelijke van onze zelfsubstantie is. De zelfsubstantie die, naarmate we er aan beantwoorden als een eigen kracht is die het bewustzijn versterkt en geen bedoelingen kent. Het beleven van deze kracht betekent dat we er in overeenstemming mee handelen. Dwz zodra we ons bewust worden van het centrale innerlijke werkingsveld, onderscheidt het zich van ons denken, in die zin dat het geestelijk leven als gewaarwording en kracht gaat overheersen.
Het kan zo sterk waarneembaar zijn dat het al het andere in het bewustzijn overvleugelt en de tegenstellingen waardoor we leven in de dagelijkse dingen verbleken.
Natuurlijk behoudt alles zijn zintuiglijke vorm zoals we die waarnemen, maar er is iets bijgekomen. Dat eigene is de kracht van het zelfbewustzijn, dat niet verwekt wordt door onze zintuiglijke waarneming, of we moeten daar het innerlijk gewaarworden ook onder verstaan.

Men hoort het niet, men ziet het niet, men tast het niet en niettemin manifesteert het zich in een besef van vrede en onverstoorbare veiligheid. En omdat het niet als een begrensdheid waar te nemen is, is er de neiging om over grote en onmetelijke woorden te gaan beschikken, waardoor het toch niet nader komt. Bv alomvattend, alomtegenwoordigheid, kosmische census, enz.
Het is mogelijk aan de rand van de zee te staan, terwijl een beetje water over je voeten golft, wat je een oceanische gewaarwording kan geven. Berust de atoomsplitsing niet op de macht van het kleine, waaruit zich het licht van duizend zonnen manifesteert?

De negende kaart van de tarot vertegenwoordigt de 'Hermiet'. Deze beantwoordt aan de negende Sephira van het kabbalistisch werkingsveld dat op magische wijze de verborgen ordening verzinnebeeldt, die aan mens en mensheid ten grondslag ligt. De naam van de negende Sephira is Jesod, waarvan de stam 'sod' fundament betekent. Het ligt voor de hand dat dit fundamentele onwankelbaar en onverstoorbaar moet zijn. Het heeft geen zin dit als een filosofische speculatie te accepteren. Het is nl een ervaarbare werkelijkheid, die gewild wordt met dezelfde onverzettelijkheid als de grondslag van het woord Jesod uitmaakt. Uit deze wilsonverzettelijkheid ontwikkelt zich in de ziel een kernachtig besef van een onwankelbaar beginsel, dat in zich alle krachten draagt, die de mens zich geleidelijk bewust wordt, waardoor hij ervaart deel te krijgen aan een oer-grond in zichzelf waarvan de draagkracht al groter en groter wordt, een rijk, dat als een onmetelijk geschenk zijn eigen genoemd kan worden. Niet in de persoonlijke opvatting als een bezit, maar als een deelkrijgen aan een universele, voor alle mensen bestemde wereld, waarin geen mijn en dijn meer is en 'al het mijne het uwe'.

In het bewustzijn daarvan is geen enkel belang noch verlangen te bespeuren. Alle gevoel van afgescheidenheid is er opgeheven en het besef voor zichzelf te moeten zorgen of op enigerlei wijze bezorgd te zijn, waarover dan ook, valt er gewoon weg. Alles wat een mensenkind zou te vrezen hebben, heeft hier geen aangrijpingspunten meer. En het werkt als een wonder dat in de onvolkomenheid en gebrekkigheid van het mensenbestaan dit volkomene en vervulde leven zich zou kunnen kenbaar maken.
Het ligt voor de hand dat vele mensen dit eenvoudig het Godsrijk noemen en hun onverzettelijke wil zelf het bewijs is daarin onwankelbaar te geloven. Dit rijk zal het begin en het einde betekenen van al het geschapene, van alles wat is. Het onmeetbare en tijdloze, het oneindige en onbegrijpelijk eeuwige, het blijvende temidden van alle tijdelijkheden.

Het merkwaardige en verblijdende van deze levensgang is, dat een ieder die deze onuitblusbare drang kent, zich hoe langer hoe meer bewust gaat worden alsof het een ontwaken is tot een geheel nieuw leven. Dit houdt in dat zijn besef van vrijheid en vormgeving meer en meer toeneemt, zodat hij doordrongen wordt van wat het zeggen wil te léven; niet enkel een passief ondergaan van alles wat er om hem heen en in de wereld gebeurt en daar voortdurend van onder de indruk te zijn of gehypnotiseerd, maar dat hij zelf de hand aan de ploeg vermag te slaan; wat in dit geval betekent dat hij zelf uit eigen beweging actief wordt, willend, scheppend en vormgevend aan zichzelf en zijn lot.
Deze eigen beweging zal hij niet voor zichzelf opeisen, alsof het iets is dat hem en hem alleen toebehoort. Het gevoel van het eigene komt voort uit een diep vertrouwd zijn met wat hem doet 'zijn en bewegen en leven' en dat zijn oorsprong heeft in het Al-éne, God. Indien hij dit gevonden heeft, weet hij zichzelf voor altijd geworteld in een lichtsubstantie, die nooit enige schade toegebracht kan worden, waardoor zijn dankbaarheid en onverstoorbaarheid begrijpelijk worden.

Het is natuurlijk niet mogelijk dat men deze wederkeer tot zijn oorsprong op welk een wijze ook kan gebieden. Immers in het rijk waarover we spreken heerst geen enkele dwang en geen enkel gebod. Er is geen sprake van heerszucht en niemand zou daar gebaat kunnen zijn met dwang en dreiging met die merkwaardige autoriteit, die van een mens een ondergeschikte maakt. Het 'al het mijne is het uwe' is wel de opperste maat der gastvrijheid, een gastvrijheid die eenvoudig door de kwaliteit ervan niet te schaden en aan te tasten of te misbruiken is.
Bovendien is het een vraag of men ook maar enigermate van een ander verwachten kan dat hij een weg zal gaan tot de ontdekking van de bron van zijn eigen 'Nijl'.

Om altijd te horen te krijgen dat een bepaald gerecht zo gezond en zo goed voor ons is en dat we dat juist moeten eten, verwekt een natuurlijke tegenzin om terug te keren naar een staat, waarin je zelf ondervindt wat goed voor ons is. Is het wel mogelijk om hierin van een goede bedoeling blijk te geven tov onze naaste, omdat hier alle bedoeling misplaatst is?
Want een bedoeling ontaardt spoedig in een aansporing en een aansporing wordt gemakkelijk een machtstendentie en zodra er macht aan de orde is, kan er geen sprake zijn van de eigen beweging waarvan de kern onze eigen zelfstandigheid is en die nooit en te nimmer de zelfstandigheid van een ander kan zijn.
Is het niet een uitgelezen voorrecht, in zich te kunnen beschikken over een besef van: ikben mijn eigen zelfstandigheid? Wat is hier dan door wie ook nog te bedoelen?

Zo gezien is het voor een mens niet mogelijk meer God te zien als een gebieder over heelal en wereld, over mens en mensheid. Immers de mens ontdekt in zich zijn vrijheid tot keuze, d.i. tot wilsbepaling. Hij behoeft niet te voldoen aan de innerlijke verlossingsdrang der noodwendigheid, maar juist daarom, omdat deze geen enkele vorm van dwang kent zal hij zich daarvoor gewonnen geven. Hij geeft zich voor de vrijheid zelf gewonnen. Deze ligt besloten in de bloei van zijn eigen noodwendigheid.
Een boom en een bloem zullen de drang van de natuurnoodwendigheid zonder enig verzet volgen. Zij kennen niets anders. Maar in een mens is een eigenheid die hij zich bewust wil worden en daarom zal hij er zolang 'naast' zijn met zijn bedoelingen en strevingen tot hij begrijpt dat de kracht van zijn levensnoodwendigheid tegelijk zijn eigen vrijheid en vervulling inhoudt.

Natuurlijk kan men ons voorwerpen: wat verbeeld je je eigenlijk wel? Weet je wel hoe nietig je bent en welk nummer onder de miljarden?
Maar onze afkomst en oorsprong zijn niet iets nietigs, ofschoon door het onbewijsbare ervan deze hoeksteen door vele bouwers zal worden verworpen. Men kan er zich geen voorstelling van maken en geen beeld van vormen.
Het is zelfs heel gemakkelijk te beweren, dat wat wij willen iets is als niets. Maar het feit dat uit dat zg. niets in ons de merkwaardige drang ontstaat naar vervulling, naar het besef van het tegendeel nl. dat uit dat niets alles voortkomt wat schepping genoemd kan worden en dat het de mens zelf is die hier de hand in heeft, maakt dat hij in het scheppend moment zijn grootst geluk vindt. Dit laatste trouwens niet als doelstelling maar als toegift, een geschenk waarvan hij niet had kunnen dromen.

Neen, het zal niet mogelijk zijn deze dingen aan een ieder uit te reiken, want menigeen staat ermee in zijn handen en weet er eigenlijk niets mee te beginnen. Natuurlijk kan onze rede hier tot op zekere hoogte de weg wijzen, maar als er niet een belevenis is die deze beweringen of inzichten bevestigt als gold het een ontmoeting die ons werkelijk van binnen aandoet en waardoor verrijking en verruiming tot de mogelijkheden behoren, dan zou zonder twijfel al dit werken en spreken en schrijven doelloos zijn. En dit nu is met de ondervinding van velen in strijd.
Dat geen beogen of bedoeling hier mogelijk is, blijkt ook daaruit dat wat we in ons zelf zoeken geen object is dat je kunt veroveren of verwerven. Het is niet iets dat je najaagt. Te weten dat wat we zoeken al sinds eeuwen op ons ligt te wachten. Dat het een goed is, een brood, dat wij zelf eens hebben laten liggen in de waan dat we het voor iets beters konden inruilen of verwisselen.

Waarom verlaat een mens het betere voor het mindere? Waarom eet hij voortdurend de vruchten van de boom des onderscheids tussen goed en kwaad? Wat hij heden verwerpt prijst hij morgen en het goede dat hij gisteren verliet betreurt hij in het heden. Terwijl het ware brood zich niet door tegenstellingen onderscheidt.
Tijdloos en eeuwig is het Goddelijk manna er voor de mensen, maar de mensen zien het niet, hebben zich aan 'kennis' onwetend gegeten, herinneren het zich niet en doen alsof ze helemaal niet weten waar je het over hebt. Natuurlijk is dat de moeilijkheid dat onze zinnen er niet vatbaar voor zijn. Onze zinnen overheersen alles. Ons verstand laat zulke 'onzin' niet toe. Waarmee zullen we dan dat herkennen wat niets anders is dan wat men een subjectieve gewaarwording noemt en dat alleen gekend kan worden door beleefbaarheid?

Het innerlijk rijk laat zich niet ergens in de ruimte begrenzen als 'niet van deze wereld zijnde'. Dit laatste wil alleen maar zeggen dat deze wereld het niet vermag voort te brengen. Het is nl helemaal niet een produkt dat voortgebracht kan worden of waaraan we een tijdelijk begrip als deze wereld kunnen verbinden. Het is er, is er altijd geweest en zal er altijd zijn in alle eeuwigheid. De eeuwigheid is 's mensen deel: waarom keert hij er dan niet naar terug?
Hoe onzegbaar moet het weerzien zijn na zolang in de buitenste duisternis te hebben gedwaald? Wat dreef de verloren zoon op avontuur uit te gaan, het vermogen dat hij van huis uit meekreeg te verbrassen en mee te eten aan de zwijnentrog? Moest hij tot zelfbesef verwerven wat hij steeds in zo'n grote mate deelachtig was? Had slechts het 'verdiende' waarde voor hem? Was dat zijn eigenaardige hoogmoed die hem de val bereidde tot terugkeer? En in de diepste val verrijst het gouden oog der herinnering: ik ben altijd bij u.

Ligt het niet voor de hand dat een mens zijn rusteloosheid moe is? Het 'gejaagd door de wind'. Komt er niet een ogenblik waarin hij snakt dat de driften van het leven hem nu eindelijk eens met vree laten? en is daarvoor niet één remedie: dat hij zelf de driften van het leven leert verenigen in één hand? Dat die ene hand is wat hij zelf is. Dat zijn zelfstandigheid, zijn zelf-zijn, dit alleen vermag, zijn 'zijn'. Want zijn 'zijn' is de enige werkelijkheid.
Niet een object noch een subject maar een zelfbesef dat hij vermag te veroveren op alles wat hij niet is. Alles wat hij niet is. Want hij is niet zijn lichaam, noch enige ziekte van zijn lichaam. Hij is niet een weerspiegeling zoals de chaos in zijn brein weerspiegelen kan, op een wijze dat hij er slachtoffer van wordt. Maar hijzelf is niet een zoon van de chaos.

Hij is die hij is en zijn ik is wat het is: ik ben. Hoe is het mogelijk dat een mensenkind ervaart de bron te zijn van alle kracht die in hem is? Het is mogelijk door het zich te her-inneren. Want dit allerinnerlijkste ik, dit fundamentele en oereigenlijke trekt alle krachten automatisch tot zich. Dat weet hij als hij het ontdekt, het zich bewust wordt. Hij leert het gevoelen in de innerlijke vrede die hij zichzelf oplegt. Waartoe hij kan inkeren.
Dan deelt zich aan hem mee wat hij ervaart als de kracht van de geest en alles wat deze geest inhoudt. In de innerlijke rust van de ziel is het of alles tot weerspiegeling wordt. Het herinnert aan een uitdrukking in het Tibetaans Dodenboek: 'moge de Bhagavan Varja Sattva ons leiden langs het pad der weerspiegelende wijsheid wanneer wij door heftige toorn in Sangsara rondzwerven'. In te keren tot een innerlijke stilte en rust is hetzelfde als deel te willen hebben aan die verborgen ordening die zich daarin kenbaar maakt.

Het hele bewustwordingsproces is gelijk aan ontwaken van een uit zichzelf zijnde oer-gestalte, waarvan de gewaarwording als een mededeling, of als een gedachte die zichzelf denkt tot 'zichtbaarheid' in het bewustzijn verrijst. Dit ogenschijnlijke zichzelf denken is een geschenk dat hij van zijn God of namens zijn God ontvangt. Hier valt niets aan te nemen dat wij niet als het eigene herkennen.
Daarom moet een mens in zich geheel ontdaan zijn van de opdringerige tirannie van zijn privé-angsten of zijn lichamelijke wensen en klachten. Daardoor leert hij de onverzettelijkheid van zijn eigen wil kennen, waarin de kracht van het fundamentele zich aan hem mededeelt. Het is merkwaardig dat deze wil alle andere willen in zich opneemt en tot één maakt, waardoor we niet meer kunnen doen wat al die vele willen in ons willen. Wij verkiezen de vrijheid van die ene wil boven al het andere wat wij daarenboven nog zouden willen. Dit lijkt op een grote beperking, die we ons zelf opleggen, maar die in werkelijkheid betekent, dat alles in ons voedsel wordt voor de ontplooiing en bloei van wat zo schoon is genoemd: de gouden bloesem.

Ons denken waar de wetenschap zich op beroemt methoden te hebben gevonden om te bewijzen dat de dingen bestaan, existeren, is niet in staat tot het wezen van het bestaande door te dringen. Ook psychologisch vermag men niet vast te stellen wat het 'Ik' van de mens inhoudt, wat het is. Dit 'zijn' van het ik is alleen aan de mens zelf voorbehouden om te beleven en indien hij van deze belevenis getuigenis zou willen geven, moet hij het zwijgen er toe doen.
In dat zwijgen ligt de werkelijkheid van het eeuwig zijn besloten. Dit is een aldoordringende uiterst subtiele geestelijke potentie waarvoor geen tegenstelling en dus ook geen vijandschap in welke vorm ook bestaat. Zij komt voort uit het rijk 'dat niet van deze wereld is'. Dit is de werkelijkheid van het in zich onveranderlijke 'ik', zijn oer-zijn, geest uit oer-geest.

Het is een onbegrijpelijk wonder dat de vergankelijke mens als een tijdelijke lichamelijke verschijning niettemin een openbaringsobject kan worden van dit onnoemlijke, waar de mensen in de loop der eeuwen vele namen aan hebben gegeven, alsof zij het daarin vast wilden leggen. Lao Tse noemt het Tao, met de toevoeging: Tao dat gezegd kan worden is niet het eeuwig Tao. In de Kabbala is sprake van de goddelijke naam die niet uitgesproken worden kan. En aan het menselijk lichaam is de waarde toegekend van een tempel van de heilige geest.
Daarom, we kunnen het onnoemlijke niet uitdenken, noch uitvinden, niet als een subjectieve gewaarwording, die wij zouden vatten in iets alomvattends, noch als een object dat ergens een plaats zou hebben en omschreven zou kunnen worden.

Ik wist, dat ik als koning
Stond voor mijn eigen woning,
Centrum van ruimte, heerser over tijd;
Ik kwam, in smart verloren;
En 'k zag, ik was herboren,

Terugvergodlijkt tot mijn wezenheid.'
J.A dèr Mouw, Brahman I

Wat is toch een mens dat hem die innerlijke vrede, die onnoemlijke werkelijkheid, dit deel hebben aan het éne, waarin geen ander meer is, geschonken geworden kan? In dat geschenk moet hij noodwendig de schenker herkennen en in die herkenning ligt een eenwording besloten voor altijd. Dit voor altijd en eeuwig is in het ogenblik waaruit het levend nu bestaat. Alsof door het ogenblik, dat hij een fragment van de tijd noemt, het oog hem aanziet, dat een vreugde en een kracht uitstraalt, dat niet te omschrijven is, dat altijd op hem toeziet, niet als een strenge rechter, noch als een wreker van al zijn boze woorden en daden waarmee hij kwetste die hij liefhad, maar als een lachen dat zijn smarten doet verteren, een 'blijde boodschap' die hem voortdurend wordt medegedeeld waarin alle tegenstellingen vergaan en het verleden wordt opgelost, zodat er geen toekomst meer is.
Een eeuwig nu dat nooit uitgewist kan worden, eenvoudig omdat er geen uitwisser meer is. Daarvoor is alles geschied wat een mens ooit nog zou kunnen overkomen en niets kan hem meer worden aangedaan wat hem reeds niet aangedaan is.

Als een mens zijn geluk zoekt en hij heeft het gevonden, blijkt dat dit geluk niet speciaal zijn eigen geluk is. Het is het geluk voor en van alle mensen. Er is voor hem niets meer dat meer voldoet dan zichzelf schenken aan wat zich in zo grote volheid aan hem schenkt.
Hij is - zonder daaraan altijd te moeten denken - eigenlijk voortdurend doende zich te geven in al grotere volheid aan dat wat hem het leven geeft. De alles-gever is als een voortdurende glorie, een overwinnaar, waaraan men zich gewonnen geeft, waardoor men zelf tot overwinnaar wordt. De'ho nikon' die in de Openbaring het getal duizend is.

Het eigenaardige is dat ieder mens op zijn eigen wijze in zijn eigen leven dit doel bereiken kan. Er is niemand van uitgesloten als hij zichzelf - op welke gronden dan ook - niet uitsluit. Want een mens is geneigd in al zijn schuldgevoel en 'zondigheid' tot een ontkenning te geraken dat dit heil voor hem weggelegd zou zijn. Dan speelt hij zijn eigen rechter, omdat hij vindt dat er toch een rechter over hem moet oordelen en hij begrijpt niet dat hier een persoonlijke hoogmoed hem parten speelt die hem wel eens even vertellen zal hoe het is en hoe het moet.
Het is gewoon een kwestie van zijn eigen wil die maar al te vaak bepaald wordt door het oordeel van zijn medemensen, want het is een merkwaardig verschijnsel van een grote hypnotische kracht zich uit te moeten leveren aan wat anderen van hem denken of aan wat de vernietigende kritiek heet van de openbare mening. Immers wat hij zoekt - als hij wil - is het oord waarin alle kritiek zwijgt en alle oordeel ophoudt, niet omdat het niets ter zake doet als het gaat om wat hij naar zijn oorsprong is. Wat zal iemand gebeuren als hij een liefde ontdekt heeft die hem in staat stelt er alles voor te doorstaan en te ondervinden? Wat betekent 'anderen' als er maar één is en geen ander?

Een mens is zo toegerust - en hij weet het in de regel niet - dat hij de beschikking kan krijgen in zichzelf over een uiterst subtiel organisme dat men geneigd is bovenaards of bovennatuurlijk te noemen. Het behoort thuis in regionen van onze ziel die ons in aanraking brengen met de grootste stilte en rust en daardoor de verbinding vormen - alsof het een antenne was voor zeer hoge frequenties - met het leven van de geest. Het maakt de indruk dat dit geestelijk bewustzijn doorvloeid wordt van een verlichting en vrijheidsgevoel dat zijn weerga niet heeft en alles wat deze werkzame verbinding zou willen belemmeren, wordt door deze niet te weerstreven kracht omgekeerd en tot een nieuwe orde geroepen, waardoor het innerlijke leven zich voortdurend als een vernieuwende toestand voordoet.

Er is geen scheiding meer in dat geval tussen zijn z.g. aardse instelling en zijn bovenzinlijk vermogen. Er heeft een vereniging plaats, doordat het aardse zich aan het bovenaardse schenkt, waardoor het z.g. aardse leven in een nieuw licht verschijnt.
Uit dit alles blijkt, dat wij niet elkander te overwinnen hebben, maar dat we ons zelf vrij kunnen maken van alle dwaling die ons van de oorsprong scheidt.


Barend van der Meer

dinsdag 18 november 2014