woensdag 19 november 2014

Boompjes


25. - Het innerlijke leven

Dat is de nieuwe wereld, de eeuwige nieuwe wereld. Aan gene zijde van het denken met zijn vele problemen, zijn goed en kwaad, zijn straffen en beloning, zijn slavernij en heerszucht. Het is een wereld van volstrekte vrede zonder een schemering van angst of gedrochterlijkheden.
De mens is in zijn bewustzijn ontdaan van hoop en verwachting, van de tirannie der zinnen. Het is niet een wereld van worden, van ontwikkeling en evolutie, noch van berekeningen, lof en misprijzen, verachting of goedkeuren. Er zijn geen klopjes op de schouders van 'dat heb je goed gedaan mijn jongen', geen eerzucht, geen gemakzucht, geen hebzucht, geen in stand houden van de soort of van zichzelf. Er heersen geen rusteloosheden, geen blijken van ontevredenheid, geen dreiging met rampzaligheden en ondergang.
Er zijn geen gedresseerde dieren die een lekker hapje krijgen wat hun zou worden beloofd als ze netjes hun poot gegeven hebben of voldaan hebben aan wat de meester heeft gewild. In het innerlijke leven zijn geen profeten en geen machten die dreigen met 'als je niet, dan...'. er is niets dat de mens nog nodig zou hebben of behoeven en waar iemand zou zijn om zich daartoe op te maken en er een functie voor zou bekleden. De machtsverhoudingen, die de mensen zo prijzen in wat ze vriendschap en liefde noemen.

In het innerlijke leven komt de mens tot de ontdekking dat hij zelf oorzaak was van alle leed en alle ellende, die hij ooit heeft geleden. Als hij door de donkere gang moet gaan in zijn eigen onderbewuste leven, wordt hij geconfronteerd met al zijn tekorten die hij ooit beging, met al zijn zg. schulden met wat hij anderen en zichzelf aandeed. Al deze kreeft en kruisspinachtige gezichten loeren de mens en zijn ziel vijandig aan, toeziende of zij niet wraak kunnen nemen om haar te verscheuren. Maar deze ziel wordt gedragen door een onvernietigbare kracht, de wil tot de innerlijke regionen waar geen dreiging, geen hel, geen aangrijpingspunten meer zijn. En het moge waar zijn zoals sommige dichters en schrijvers beweren dat deze rijen van wraak, achterdocht en angst zich, als we er doorheengeschreden zijn, aaneensluiten tot een optocht van lasteraars, roddelaars en stenenslingers, ze veroordelen zichzelf, die zo graag tot een blijvend gericht willen behoren en het zal weldra blijken dat ze in de innerlijke regionen van het kostelijke leven der ziel niet kunnen doordringen en zelf veroordeeld worden tot de stroom der vergetelheid.

Het is wel aanduidbaar wat het werkelijke van onze zelfsubstantie is. De zelfsubstantie die, naarmate we er aan beantwoorden als een eigen kracht is die het bewustzijn versterkt en geen bedoelingen kent. Het beleven van deze kracht betekent dat we er in overeenstemming mee handelen. Dwz zodra we ons bewust worden van het centrale innerlijke werkingsveld, onderscheidt het zich van ons denken, in die zin dat het geestelijk leven als gewaarwording en kracht gaat overheersen.
Het kan zo sterk waarneembaar zijn dat het al het andere in het bewustzijn overvleugelt en de tegenstellingen waardoor we leven in de dagelijkse dingen verbleken.
Natuurlijk behoudt alles zijn zintuiglijke vorm zoals we die waarnemen, maar er is iets bijgekomen. Dat eigene is de kracht van het zelfbewustzijn, dat niet verwekt wordt door onze zintuiglijke waarneming, of we moeten daar het innerlijk gewaarworden ook onder verstaan.

Men hoort het niet, men ziet het niet, men tast het niet en niettemin manifesteert het zich in een besef van vrede en onverstoorbare veiligheid. En omdat het niet als een begrensdheid waar te nemen is, is er de neiging om over grote en onmetelijke woorden te gaan beschikken, waardoor het toch niet nader komt. Bv alomvattend, alomtegenwoordigheid, kosmische census, enz.
Het is mogelijk aan de rand van de zee te staan, terwijl een beetje water over je voeten golft, wat je een oceanische gewaarwording kan geven. Berust de atoomsplitsing niet op de macht van het kleine, waaruit zich het licht van duizend zonnen manifesteert?

De negende kaart van de tarot vertegenwoordigt de 'Hermiet'. Deze beantwoordt aan de negende Sephira van het kabbalistisch werkingsveld dat op magische wijze de verborgen ordening verzinnebeeldt, die aan mens en mensheid ten grondslag ligt. De naam van de negende Sephira is Jesod, waarvan de stam 'sod' fundament betekent. Het ligt voor de hand dat dit fundamentele onwankelbaar en onverstoorbaar moet zijn. Het heeft geen zin dit als een filosofische speculatie te accepteren. Het is nl een ervaarbare werkelijkheid, die gewild wordt met dezelfde onverzettelijkheid als de grondslag van het woord Jesod uitmaakt. Uit deze wilsonverzettelijkheid ontwikkelt zich in de ziel een kernachtig besef van een onwankelbaar beginsel, dat in zich alle krachten draagt, die de mens zich geleidelijk bewust wordt, waardoor hij ervaart deel te krijgen aan een oer-grond in zichzelf waarvan de draagkracht al groter en groter wordt, een rijk, dat als een onmetelijk geschenk zijn eigen genoemd kan worden. Niet in de persoonlijke opvatting als een bezit, maar als een deelkrijgen aan een universele, voor alle mensen bestemde wereld, waarin geen mijn en dijn meer is en 'al het mijne het uwe'.

In het bewustzijn daarvan is geen enkel belang noch verlangen te bespeuren. Alle gevoel van afgescheidenheid is er opgeheven en het besef voor zichzelf te moeten zorgen of op enigerlei wijze bezorgd te zijn, waarover dan ook, valt er gewoon weg. Alles wat een mensenkind zou te vrezen hebben, heeft hier geen aangrijpingspunten meer. En het werkt als een wonder dat in de onvolkomenheid en gebrekkigheid van het mensenbestaan dit volkomene en vervulde leven zich zou kunnen kenbaar maken.
Het ligt voor de hand dat vele mensen dit eenvoudig het Godsrijk noemen en hun onverzettelijke wil zelf het bewijs is daarin onwankelbaar te geloven. Dit rijk zal het begin en het einde betekenen van al het geschapene, van alles wat is. Het onmeetbare en tijdloze, het oneindige en onbegrijpelijk eeuwige, het blijvende temidden van alle tijdelijkheden.

Het merkwaardige en verblijdende van deze levensgang is, dat een ieder die deze onuitblusbare drang kent, zich hoe langer hoe meer bewust gaat worden alsof het een ontwaken is tot een geheel nieuw leven. Dit houdt in dat zijn besef van vrijheid en vormgeving meer en meer toeneemt, zodat hij doordrongen wordt van wat het zeggen wil te léven; niet enkel een passief ondergaan van alles wat er om hem heen en in de wereld gebeurt en daar voortdurend van onder de indruk te zijn of gehypnotiseerd, maar dat hij zelf de hand aan de ploeg vermag te slaan; wat in dit geval betekent dat hij zelf uit eigen beweging actief wordt, willend, scheppend en vormgevend aan zichzelf en zijn lot.
Deze eigen beweging zal hij niet voor zichzelf opeisen, alsof het iets is dat hem en hem alleen toebehoort. Het gevoel van het eigene komt voort uit een diep vertrouwd zijn met wat hem doet 'zijn en bewegen en leven' en dat zijn oorsprong heeft in het Al-éne, God. Indien hij dit gevonden heeft, weet hij zichzelf voor altijd geworteld in een lichtsubstantie, die nooit enige schade toegebracht kan worden, waardoor zijn dankbaarheid en onverstoorbaarheid begrijpelijk worden.

Het is natuurlijk niet mogelijk dat men deze wederkeer tot zijn oorsprong op welk een wijze ook kan gebieden. Immers in het rijk waarover we spreken heerst geen enkele dwang en geen enkel gebod. Er is geen sprake van heerszucht en niemand zou daar gebaat kunnen zijn met dwang en dreiging met die merkwaardige autoriteit, die van een mens een ondergeschikte maakt. Het 'al het mijne is het uwe' is wel de opperste maat der gastvrijheid, een gastvrijheid die eenvoudig door de kwaliteit ervan niet te schaden en aan te tasten of te misbruiken is.
Bovendien is het een vraag of men ook maar enigermate van een ander verwachten kan dat hij een weg zal gaan tot de ontdekking van de bron van zijn eigen 'Nijl'.

Om altijd te horen te krijgen dat een bepaald gerecht zo gezond en zo goed voor ons is en dat we dat juist moeten eten, verwekt een natuurlijke tegenzin om terug te keren naar een staat, waarin je zelf ondervindt wat goed voor ons is. Is het wel mogelijk om hierin van een goede bedoeling blijk te geven tov onze naaste, omdat hier alle bedoeling misplaatst is?
Want een bedoeling ontaardt spoedig in een aansporing en een aansporing wordt gemakkelijk een machtstendentie en zodra er macht aan de orde is, kan er geen sprake zijn van de eigen beweging waarvan de kern onze eigen zelfstandigheid is en die nooit en te nimmer de zelfstandigheid van een ander kan zijn.
Is het niet een uitgelezen voorrecht, in zich te kunnen beschikken over een besef van: ikben mijn eigen zelfstandigheid? Wat is hier dan door wie ook nog te bedoelen?

Zo gezien is het voor een mens niet mogelijk meer God te zien als een gebieder over heelal en wereld, over mens en mensheid. Immers de mens ontdekt in zich zijn vrijheid tot keuze, d.i. tot wilsbepaling. Hij behoeft niet te voldoen aan de innerlijke verlossingsdrang der noodwendigheid, maar juist daarom, omdat deze geen enkele vorm van dwang kent zal hij zich daarvoor gewonnen geven. Hij geeft zich voor de vrijheid zelf gewonnen. Deze ligt besloten in de bloei van zijn eigen noodwendigheid.
Een boom en een bloem zullen de drang van de natuurnoodwendigheid zonder enig verzet volgen. Zij kennen niets anders. Maar in een mens is een eigenheid die hij zich bewust wil worden en daarom zal hij er zolang 'naast' zijn met zijn bedoelingen en strevingen tot hij begrijpt dat de kracht van zijn levensnoodwendigheid tegelijk zijn eigen vrijheid en vervulling inhoudt.

Natuurlijk kan men ons voorwerpen: wat verbeeld je je eigenlijk wel? Weet je wel hoe nietig je bent en welk nummer onder de miljarden?
Maar onze afkomst en oorsprong zijn niet iets nietigs, ofschoon door het onbewijsbare ervan deze hoeksteen door vele bouwers zal worden verworpen. Men kan er zich geen voorstelling van maken en geen beeld van vormen.
Het is zelfs heel gemakkelijk te beweren, dat wat wij willen iets is als niets. Maar het feit dat uit dat zg. niets in ons de merkwaardige drang ontstaat naar vervulling, naar het besef van het tegendeel nl. dat uit dat niets alles voortkomt wat schepping genoemd kan worden en dat het de mens zelf is die hier de hand in heeft, maakt dat hij in het scheppend moment zijn grootst geluk vindt. Dit laatste trouwens niet als doelstelling maar als toegift, een geschenk waarvan hij niet had kunnen dromen.

Neen, het zal niet mogelijk zijn deze dingen aan een ieder uit te reiken, want menigeen staat ermee in zijn handen en weet er eigenlijk niets mee te beginnen. Natuurlijk kan onze rede hier tot op zekere hoogte de weg wijzen, maar als er niet een belevenis is die deze beweringen of inzichten bevestigt als gold het een ontmoeting die ons werkelijk van binnen aandoet en waardoor verrijking en verruiming tot de mogelijkheden behoren, dan zou zonder twijfel al dit werken en spreken en schrijven doelloos zijn. En dit nu is met de ondervinding van velen in strijd.
Dat geen beogen of bedoeling hier mogelijk is, blijkt ook daaruit dat wat we in ons zelf zoeken geen object is dat je kunt veroveren of verwerven. Het is niet iets dat je najaagt. Te weten dat wat we zoeken al sinds eeuwen op ons ligt te wachten. Dat het een goed is, een brood, dat wij zelf eens hebben laten liggen in de waan dat we het voor iets beters konden inruilen of verwisselen.

Waarom verlaat een mens het betere voor het mindere? Waarom eet hij voortdurend de vruchten van de boom des onderscheids tussen goed en kwaad? Wat hij heden verwerpt prijst hij morgen en het goede dat hij gisteren verliet betreurt hij in het heden. Terwijl het ware brood zich niet door tegenstellingen onderscheidt.
Tijdloos en eeuwig is het Goddelijk manna er voor de mensen, maar de mensen zien het niet, hebben zich aan 'kennis' onwetend gegeten, herinneren het zich niet en doen alsof ze helemaal niet weten waar je het over hebt. Natuurlijk is dat de moeilijkheid dat onze zinnen er niet vatbaar voor zijn. Onze zinnen overheersen alles. Ons verstand laat zulke 'onzin' niet toe. Waarmee zullen we dan dat herkennen wat niets anders is dan wat men een subjectieve gewaarwording noemt en dat alleen gekend kan worden door beleefbaarheid?

Het innerlijk rijk laat zich niet ergens in de ruimte begrenzen als 'niet van deze wereld zijnde'. Dit laatste wil alleen maar zeggen dat deze wereld het niet vermag voort te brengen. Het is nl helemaal niet een produkt dat voortgebracht kan worden of waaraan we een tijdelijk begrip als deze wereld kunnen verbinden. Het is er, is er altijd geweest en zal er altijd zijn in alle eeuwigheid. De eeuwigheid is 's mensen deel: waarom keert hij er dan niet naar terug?
Hoe onzegbaar moet het weerzien zijn na zolang in de buitenste duisternis te hebben gedwaald? Wat dreef de verloren zoon op avontuur uit te gaan, het vermogen dat hij van huis uit meekreeg te verbrassen en mee te eten aan de zwijnentrog? Moest hij tot zelfbesef verwerven wat hij steeds in zo'n grote mate deelachtig was? Had slechts het 'verdiende' waarde voor hem? Was dat zijn eigenaardige hoogmoed die hem de val bereidde tot terugkeer? En in de diepste val verrijst het gouden oog der herinnering: ik ben altijd bij u.

Ligt het niet voor de hand dat een mens zijn rusteloosheid moe is? Het 'gejaagd door de wind'. Komt er niet een ogenblik waarin hij snakt dat de driften van het leven hem nu eindelijk eens met vree laten? en is daarvoor niet één remedie: dat hij zelf de driften van het leven leert verenigen in één hand? Dat die ene hand is wat hij zelf is. Dat zijn zelfstandigheid, zijn zelf-zijn, dit alleen vermag, zijn 'zijn'. Want zijn 'zijn' is de enige werkelijkheid.
Niet een object noch een subject maar een zelfbesef dat hij vermag te veroveren op alles wat hij niet is. Alles wat hij niet is. Want hij is niet zijn lichaam, noch enige ziekte van zijn lichaam. Hij is niet een weerspiegeling zoals de chaos in zijn brein weerspiegelen kan, op een wijze dat hij er slachtoffer van wordt. Maar hijzelf is niet een zoon van de chaos.

Hij is die hij is en zijn ik is wat het is: ik ben. Hoe is het mogelijk dat een mensenkind ervaart de bron te zijn van alle kracht die in hem is? Het is mogelijk door het zich te her-inneren. Want dit allerinnerlijkste ik, dit fundamentele en oereigenlijke trekt alle krachten automatisch tot zich. Dat weet hij als hij het ontdekt, het zich bewust wordt. Hij leert het gevoelen in de innerlijke vrede die hij zichzelf oplegt. Waartoe hij kan inkeren.
Dan deelt zich aan hem mee wat hij ervaart als de kracht van de geest en alles wat deze geest inhoudt. In de innerlijke rust van de ziel is het of alles tot weerspiegeling wordt. Het herinnert aan een uitdrukking in het Tibetaans Dodenboek: 'moge de Bhagavan Varja Sattva ons leiden langs het pad der weerspiegelende wijsheid wanneer wij door heftige toorn in Sangsara rondzwerven'. In te keren tot een innerlijke stilte en rust is hetzelfde als deel te willen hebben aan die verborgen ordening die zich daarin kenbaar maakt.

Het hele bewustwordingsproces is gelijk aan ontwaken van een uit zichzelf zijnde oer-gestalte, waarvan de gewaarwording als een mededeling, of als een gedachte die zichzelf denkt tot 'zichtbaarheid' in het bewustzijn verrijst. Dit ogenschijnlijke zichzelf denken is een geschenk dat hij van zijn God of namens zijn God ontvangt. Hier valt niets aan te nemen dat wij niet als het eigene herkennen.
Daarom moet een mens in zich geheel ontdaan zijn van de opdringerige tirannie van zijn privé-angsten of zijn lichamelijke wensen en klachten. Daardoor leert hij de onverzettelijkheid van zijn eigen wil kennen, waarin de kracht van het fundamentele zich aan hem mededeelt. Het is merkwaardig dat deze wil alle andere willen in zich opneemt en tot één maakt, waardoor we niet meer kunnen doen wat al die vele willen in ons willen. Wij verkiezen de vrijheid van die ene wil boven al het andere wat wij daarenboven nog zouden willen. Dit lijkt op een grote beperking, die we ons zelf opleggen, maar die in werkelijkheid betekent, dat alles in ons voedsel wordt voor de ontplooiing en bloei van wat zo schoon is genoemd: de gouden bloesem.

Ons denken waar de wetenschap zich op beroemt methoden te hebben gevonden om te bewijzen dat de dingen bestaan, existeren, is niet in staat tot het wezen van het bestaande door te dringen. Ook psychologisch vermag men niet vast te stellen wat het 'Ik' van de mens inhoudt, wat het is. Dit 'zijn' van het ik is alleen aan de mens zelf voorbehouden om te beleven en indien hij van deze belevenis getuigenis zou willen geven, moet hij het zwijgen er toe doen.
In dat zwijgen ligt de werkelijkheid van het eeuwig zijn besloten. Dit is een aldoordringende uiterst subtiele geestelijke potentie waarvoor geen tegenstelling en dus ook geen vijandschap in welke vorm ook bestaat. Zij komt voort uit het rijk 'dat niet van deze wereld is'. Dit is de werkelijkheid van het in zich onveranderlijke 'ik', zijn oer-zijn, geest uit oer-geest.

Het is een onbegrijpelijk wonder dat de vergankelijke mens als een tijdelijke lichamelijke verschijning niettemin een openbaringsobject kan worden van dit onnoemlijke, waar de mensen in de loop der eeuwen vele namen aan hebben gegeven, alsof zij het daarin vast wilden leggen. Lao Tse noemt het Tao, met de toevoeging: Tao dat gezegd kan worden is niet het eeuwig Tao. In de Kabbala is sprake van de goddelijke naam die niet uitgesproken worden kan. En aan het menselijk lichaam is de waarde toegekend van een tempel van de heilige geest.
Daarom, we kunnen het onnoemlijke niet uitdenken, noch uitvinden, niet als een subjectieve gewaarwording, die wij zouden vatten in iets alomvattends, noch als een object dat ergens een plaats zou hebben en omschreven zou kunnen worden.

Ik wist, dat ik als koning
Stond voor mijn eigen woning,
Centrum van ruimte, heerser over tijd;
Ik kwam, in smart verloren;
En 'k zag, ik was herboren,

Terugvergodlijkt tot mijn wezenheid.'
J.A dèr Mouw, Brahman I

Wat is toch een mens dat hem die innerlijke vrede, die onnoemlijke werkelijkheid, dit deel hebben aan het éne, waarin geen ander meer is, geschonken geworden kan? In dat geschenk moet hij noodwendig de schenker herkennen en in die herkenning ligt een eenwording besloten voor altijd. Dit voor altijd en eeuwig is in het ogenblik waaruit het levend nu bestaat. Alsof door het ogenblik, dat hij een fragment van de tijd noemt, het oog hem aanziet, dat een vreugde en een kracht uitstraalt, dat niet te omschrijven is, dat altijd op hem toeziet, niet als een strenge rechter, noch als een wreker van al zijn boze woorden en daden waarmee hij kwetste die hij liefhad, maar als een lachen dat zijn smarten doet verteren, een 'blijde boodschap' die hem voortdurend wordt medegedeeld waarin alle tegenstellingen vergaan en het verleden wordt opgelost, zodat er geen toekomst meer is.
Een eeuwig nu dat nooit uitgewist kan worden, eenvoudig omdat er geen uitwisser meer is. Daarvoor is alles geschied wat een mens ooit nog zou kunnen overkomen en niets kan hem meer worden aangedaan wat hem reeds niet aangedaan is.

Als een mens zijn geluk zoekt en hij heeft het gevonden, blijkt dat dit geluk niet speciaal zijn eigen geluk is. Het is het geluk voor en van alle mensen. Er is voor hem niets meer dat meer voldoet dan zichzelf schenken aan wat zich in zo grote volheid aan hem schenkt.
Hij is - zonder daaraan altijd te moeten denken - eigenlijk voortdurend doende zich te geven in al grotere volheid aan dat wat hem het leven geeft. De alles-gever is als een voortdurende glorie, een overwinnaar, waaraan men zich gewonnen geeft, waardoor men zelf tot overwinnaar wordt. De'ho nikon' die in de Openbaring het getal duizend is.

Het eigenaardige is dat ieder mens op zijn eigen wijze in zijn eigen leven dit doel bereiken kan. Er is niemand van uitgesloten als hij zichzelf - op welke gronden dan ook - niet uitsluit. Want een mens is geneigd in al zijn schuldgevoel en 'zondigheid' tot een ontkenning te geraken dat dit heil voor hem weggelegd zou zijn. Dan speelt hij zijn eigen rechter, omdat hij vindt dat er toch een rechter over hem moet oordelen en hij begrijpt niet dat hier een persoonlijke hoogmoed hem parten speelt die hem wel eens even vertellen zal hoe het is en hoe het moet.
Het is gewoon een kwestie van zijn eigen wil die maar al te vaak bepaald wordt door het oordeel van zijn medemensen, want het is een merkwaardig verschijnsel van een grote hypnotische kracht zich uit te moeten leveren aan wat anderen van hem denken of aan wat de vernietigende kritiek heet van de openbare mening. Immers wat hij zoekt - als hij wil - is het oord waarin alle kritiek zwijgt en alle oordeel ophoudt, niet omdat het niets ter zake doet als het gaat om wat hij naar zijn oorsprong is. Wat zal iemand gebeuren als hij een liefde ontdekt heeft die hem in staat stelt er alles voor te doorstaan en te ondervinden? Wat betekent 'anderen' als er maar één is en geen ander?

Een mens is zo toegerust - en hij weet het in de regel niet - dat hij de beschikking kan krijgen in zichzelf over een uiterst subtiel organisme dat men geneigd is bovenaards of bovennatuurlijk te noemen. Het behoort thuis in regionen van onze ziel die ons in aanraking brengen met de grootste stilte en rust en daardoor de verbinding vormen - alsof het een antenne was voor zeer hoge frequenties - met het leven van de geest. Het maakt de indruk dat dit geestelijk bewustzijn doorvloeid wordt van een verlichting en vrijheidsgevoel dat zijn weerga niet heeft en alles wat deze werkzame verbinding zou willen belemmeren, wordt door deze niet te weerstreven kracht omgekeerd en tot een nieuwe orde geroepen, waardoor het innerlijke leven zich voortdurend als een vernieuwende toestand voordoet.

Er is geen scheiding meer in dat geval tussen zijn z.g. aardse instelling en zijn bovenzinlijk vermogen. Er heeft een vereniging plaats, doordat het aardse zich aan het bovenaardse schenkt, waardoor het z.g. aardse leven in een nieuw licht verschijnt.
Uit dit alles blijkt, dat wij niet elkander te overwinnen hebben, maar dat we ons zelf vrij kunnen maken van alle dwaling die ons van de oorsprong scheidt.


Barend van der Meer

dinsdag 18 november 2014

maandag 17 november 2014

14. - Innerlijke revolutie 1

U hebt het wel gehoord: het koninkrijk moet met geweld worden genomen; het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan en de geweldigers nemen hetzelve met geweld. Wat is dat voor geweld? Groter dan het geweld der heerszuchtigen. Machtiger dan het geweld der onderdrukkers. Sterker dan het geweld van de dood. Wat is het voor geweld dat alle geweld tart en overwint? In de psalm staat dat 'Hij geweldiger is dan de baren der zee' en 'dat de goedertierenheid Gods een groot geweld over ons is'. U die zich van alle geweld wilt bevrijden; die zelf een geweldenaar in u hebt, een tiran, een beest, een hebzuchtig en angstig monster, een verschrikking, een doder, een vervolger en een weergaloze angstaanjager. Of hebt u die niet ontmoet? Ik heb hem ontmoet. Ik kan het u verzekeren. Meerdere malen in mijn leven ontmoette ik de geweldige, die mij vernietigen wilde, die mij vergruizelen en verdoen wilde. Maar welk een zegen, welk een vreugde en welk een kracht kan er in een mens varen, een kracht van boven, een kracht van God, een kracht uit het koninkrijk die de tiran onderwierp en de grote doder maakte tot een dienaar.

Want als u het koninkrijk wilt veroveren dan hebt u het geweld nodig van uw standvastigheid van uw overgave in liefde en getrouwheid. Het geweld van uw goddelijke wil, het geweld van een onmetelijke macht waarboven niets en niemand zich verheffen kan. Dan hebt u de macht van een liefde nodig die goddelijk is, al zou u er maar een sprankje van hebben. Want het sprankje wordt tot een groot licht en het licht openbaart zich in u als de eeuwige kracht waarin uw ziel geworteld is. Een licht boven alle licht, een kracht boven alle kracht, een liefde boven alle liefde. Het is een kernachtige kracht, een in-werkelijke verlichting. Het is wat u zelf zijt en waarin u zelf zijt geworteld. Daarin wordt uw wil tot God bevestigd. Uw wil tot het koninkrijk, uw wil tot de allerhoogste, eeuwige wezenheid en waarachtigheid. De wil tot uw waarlijke afkomst en uw onaantastbare werkelijkheid waarin geen dood is en geen afscheid. Waarin alle tranen gedroogd zijn en geen smart en lijden meer zijn en waarvan de poort voor alle mensen openstaat.


Want de wil tot God is, is niet meer de wil tot iets anders. De wil tot de wereld en het tijdelijke leven is vol onrust en onzekerheid. Wat heeft het tijdelijke leven op de wereld u te bieden? Bezit, goederen, veiligheid, genot, roes, slaap? Kies, wat wilt u? Wilt ge ervaren dat al deze dingen niet bieden wat u zoekt? Als u misschien zegt: ik heb liefde nodig en innerlijke kracht. Ik heb vrede nodig in mijn gemoed en zekerheid in mijn ziel. Als u zegt: ik heb God nodig en zijn woning, mijn afkomst en mijn heil. Ik ga u er van spreken. Van zijn rijk dat ook het uwe is. U hebt er als zijn kinderen in gewoond en u weet het niet meer. Het rijk waar geen omwentelingen zijn. Waar wij over spreken en schrijven zijn verborgenheden. Maar niet in de sensationeel occulte zin van dat woord en ook niet dat deze dingen het daglicht niet zouden verdragen. Integendeel. Van deze zaken is gezegd, dat men ze van de daken moest verkondigen. Maar haast niemand die het doet. Eenvoudig omdat de mensen er niet in geloven. Zij geloven niet in de betere wereld die binnen in ons zou zijn. Het verborgen koninkrijk, het licht- en liefderijk waarnaar de mensen zoeken, maar het niet kunnen vinden, omdat ze het nog niet zien.


De mensen zijn druk doende om de wereld te verbeteren. Dat zeggen ze. Misschien menen ze het werkelijk, maar zijn ze de prooi van een grote dwaling. Zeker, de mensen zijn erg druk bezig met het christendom te verbreiden en bijbels in alle talen te laten drukken, opdat toch maar een ieder van haar vaak onbegrijpelijke inhoud zal kennisnemen. Wij leven in een tijd van allerlei nieuwe bewegingen, die soms een min of meer profetisch karakter dragen en waarvan het grote aantal belijders imponerend is. En allemaal om een nieuwe, een betere wereld te verkrijgen. Wij ontwikkelen ons op een reusachtige manier en zijn versteld dat dit al maar door kan gaan. D.w.z. er ontstaat een vorm van paniek waar dit alles heen moet. Wij kunnen dus naar de maan vliegen en wij horen niet eens een kosmisch protest, dat wij zelfs de maan als asbelt gebruiken voor de dingen, die wij niet meer mee terug kunnen nemen. Over schillen, dozen en oude couranten gesproken. Ik breng u de gemengde gevoelens over van de onzichtbare maanbewoners. Natuurlijk is het een grapje, nou ja. En dan onze eigen wereld. Onze eigen straat bij wijze van spreken. Welk een afbraak. Welk een opbouw die spoedig weer afgebroken wordt. Sommigen zeggen dat dat evolutie is. Uit afbraak en opbouw bestaat het leven. En dus ook de ontwikkeling der wereld. En die tragische strijd der tegenstellingen van goed en kwaad en geboorte en dood, van te zijn of niet te zijn en rijkdom en armoede.

Wat willen wij toch? Nou, wij zoeken een betere wereld. Maar die wereld is er al. Altijd geweest en zal er altijd zijn. Maar de toegang is alleen in onszelf, nergens anders. En dat gelooft haast niemand. Er is trouwens ook niemand, die het interesseert of u dat werkelijk gelooft. Velen vinden het belachelijk. En toch bedoelen wij die verborgen wereld. Maar de entree ligt onder het puin. Wereldpuin. Hebben wij zelf verzameld. Het is eenvoudig waardeloos. Als wij het opruimen werpen wij het in de stroom der vergetelheid, de enige stroom die wij niet kunnen verontreinigen. Het is een ontzaglijke ervaring als wij de toegang vinden tot dat verborgen rijk en die betere wereld. Een wereld waarin geen leed is, geen angst, geen dreiging, geen ondergang, geen opbouw en afbraak, geen ziekte en dood, geen duisternis. Maar licht en kracht. Liefde en harmonie, onverstoorbaarheid en wonderdadige vrede.

Een wereld van onbegrijpelijk geluk, onbegrijpelijk, omdat het vanuit 'de verte' moeilijk te realiseren is of voor te stellen. Het geheim ervan ligt in de eigen zelfstandigheid, de werkelijke zelfstandigheid. Onder zelfstandigheid versta ik een werkzame substantie (geen materie), een licht-substantie, iets oer-eigens, dat een mens in staat stelt zichzelf te zijn. Die ontdekking is bijna een schok. Waardoor hij echt op zijn eigen benen kan staan. Een zelfstandigheid, die aanvankelijk nog geringer is dan een mosterdzaadje. Zij wordt een geestesvonk genoemd en is ingebed in het innerlijk leven, niet in het denkleven, maar in de werkelijke zelfbelevenis, in stilte, in uit zichzelf opstromende kracht als een fontein die onder water verlicht is.

Alle leiding, die een mens behoeft, is niet die hem afhankelijk van de leider maakt of hem op een of andere wijze aan hem bindt. De werkelijke leiding bestaat in de eerste plaats uit eerbied, waarachtige eerbied voor dat beginsel, een eerbied die begeleid wordt door liefde, een vorm van toewijding, die geen gebondenheid kent of wil. Zoals men in zijn tuin een kleine plant verzorgt, die aandacht behoeft en alleen die dingen nodig heeft, die haar doet groeien en tenslotte bloeien en zo mogelijk vrucht dragen. Want die plant blijft niet klein. Gesteld dat men werkelijk zijn zelfstandigheid wil, de onaantastbare, de zich door alles heen handhavende, de onverstoorbare en geheel betrouwbare. Een zelfstandigheid die u zelf is en die u liefhebt als uzelf, tegelijk wetende dat het zelf een openheid is waaruit de licht-emanatie uit de lichtwereld, de verborgen wereld in u vorm en gestalte vermag aan te nemen. Dit geloof en dit willen zijn volstrekt niet in strijd met de eigenlijke waardigheid van de mens. Want die waardigheid ligt in zijn oereigenheid, in zijn onschokbare zelfstandigheid, in zijn waarachtigheid en echtheid, waarop hij te allen tijde kan rekenen.

Misschien zegt iemand: daar geloof ik helemaal niet in, want daarin heb ik juist heel andere ondervindingen, die mij maken tot een speelbal, een gedrevene, een verstrooide en een dor blad dat vergaat. Maar die iemand vergist zich. Ook zijn waardigheid ligt in een werkelijke waarde, een werkelijke levenswaarde. Een waarde die geen angst kent en ook nooit angstaanjagend is. Waardoor zal de zekerheid van een goddelijke zelfstandigheid in de mens aan te tasten zijn? Want dat is het enige wat hij werkelijk is. Natuurlijk is het een onuitwisbare belevenis dat geen omstandigheid, in welke situatie hij zich ook moge bevinden, zijn werkelijke zelfstandigheid weet te ontwrichten. Want daar moet zijn kwaliteit op berekend zijn. Niet dat zijn lichamelijkheid wordt verwoest. Nee, dat is geen beproeving voor zijn zelfstandigheid. Maar wat hem innerlijk aangedaan kan worden.

Het goud blijft altijd goud. Een edelsteen altijd een edelsteen. Daarom spreekt men over die wonderdadige geestelijke licht-substantie als het kleinood der ziel. In het boeddhisme spreekt men over het diamanten lichaam en daarmee bedoelt men het 'Boeddha-lichaam', in het Tibetaanse Dodenboek het Waarheidslichaam, het Dharma Kaya. Paulus zegt dat het het lichaam van Christus is: 'want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke in Christus Jezus, onze Here' (Rom. 8:38-39). Is dit niet een getuigenis van een wonderbaarlijke zelfstandigheid die Paulus de vrijheid schenkt zijn liefde te belijden? 
Zo is er sprake van een verborgen lichaam in de mens, dat uit zijn geestesvonk als kiem is verwekt door de godsliefde en dat onbederfelijk wordt geheten. Men spreekt in het christendom nogal gemakkelijk over de wedergeboorte en het 'aandoen van de nieuwe mens' en bedoelt in de regel daarmede, dat men een of andere geloofsbelijdenis aflegt en deel uitmaakt van een kerk. Men heeft zelfs de kerk het lichaam van Christus genoemd, zodat in geen geval hiermede een werkelijke innerlijke vernieuwing, de opstanding en geboorte van de eeuwige oorspronkelijke en waarachtige mens als zoon Gods in een stralende zelfstandigheid aangeduid werd. Het was eigenlijk een nogal huiselijke gebeurtenis. Je ondergaat een bepaalde ceremonie, waardoor je je vernieuwd moet denken of geloven, zoals je verwisselt van een kostuum. Je legt de oude mens af, de oude Adam - niet de eerste - en je doet de nieuwe mens aan. De latere nieuwe mensen komen daarop niet meer terug, ofschoon je zo zou denken, dat het wel een ommekeer teweeg gebracht moet hebben. In werkelijkheid is het niet iets van een besluit waartoe je door wat voor omstandigheden dan ook geprest zou kunnen worden. Je kunt het niet zo maar doen. In werkelijkheid is het helemaal niet gemakkelijk. Allerminst. Het is een groot werk. En dat kan voor een 'gelovig' mens misschien een teleurstelling zijn dat het toch echt waar is. Dat deze vernieuwing voor alle eeuwigheid echt plaats kan vinden. 

Ik weet het met grote stelligheid. U zult misschien zeggen, en het ligt haast voor de hand: alles goed en wel, maar daar heb ik niets aan. Ik vraag u niet om de dingen die ik zeg voor waar te houden. Helemaal niet. Daarin bent u geheel vrijof u ze voor waar wilt houden, al of niet. En toch kan ik mij wel voorstellen, dat ze iets in ons aanspreken. U bent een mens en ik ben een mens. En dit is waar: zo lang er mensen zijn op de wereld, waarvan wij weten, is er op een of andere wijze, min of meer duidelijk, soms geheimzinnig, over deze dingen gesproken. Er is over God gesproken en zijn rijk. Er is natuurlijk heel veel over gezegd dat het binnen in ons zou zijn, maar er is niet veel van getuigd, dat er mensen waren die dit rijk onomstotelijk kenden als de allergrootste werkelijkheid. onuitwisbaar en heel beslist, doordat zij zich een innerlijk gelijkwaardig lichaam verworven hadden,waaraan de levende God zich bekend kon maken. Dat was een geestelijk lichaam en had niets van doen met het vleeslijk lichaam. Vlees is vlees en geest is geest. 

Zonder twijfel waren deze eschatologische zaken onderwerpen van waarachtige en echte eerbied en vroomheid en toch hoort men weinig over de verwerkelijking ervan. In ieder geval worden deze dingen niet van de daken verkondigd, maar zeer zorgvuldig behoed alsof men bang was dat ze in verkeerde handen zouden geraken. Maar waarom eigenlijk? Vanwaar die angst? Had men het voorbeeld van de gekruisigde voor ogen, een politieke misdaad in die dagen? Want het ging beslist en duidelijk om een machtskwestie, waarover nog wel een en ander te zeggen valt. Of huiverde men voor de tragische vervolging der martelaren omdat men de waarheid liefhad en de levende God trouw was, waardoor men de grootste voorzichtigheid meende te moeten betrachten? Later zag men van die martelingen en brandstapels af omdat men een veel beter middel gevonden had. Men bagatelliseerde de ware werkelijkheid van de menselijke vernieuwing en gaf er een waarde aan van strooigoed om de gelovige zielen mee zoet te houden. Natuurlijk zullen heel veel mensen een grote kracht, een werkelijke innerlijke kracht verkregen hebben door deze heilige dingen en ook in die kracht gestorven en opgestaan zijn. 

Maar het onderwerp waarover we nu spreken is: innerlijke revolutie en een revolutie, als die slaagt, betekent een algehele omwenteling. Het leidt tot een toestand waarin niets blijft staan, dan alleen wat werkelijk staat als een rots. Er zijn nu eenmaal waarden die je door welke revolutie dan ook niet omkrijgt. Een orkaan gaat door de wereld, die alles wat wankel is, ondersteboven werpt.
Wij kunnen niet zeggen dat wij er geen erg in hebben. Er gebeurt zoveel dat aanleiding is tot panische geruchten. U weet het wel: 'ge zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, maar wordt niet verschrikt'. 
Overstromingen, hongersnood en aardbevingen. Het is of zij voortkomen uit de angsten der mensen en hun onzekerheden. Het gaat niet aan om gelijk als cynische mensen te spreken dat iets dergelijks altijd gebeurt, dat het eenvoudig een drang is in het natuurlijk gebeuren tot zelfvernietiging, opdat er niet teveel mensen zullen komen. Alleen zij die zo spreken zijn er toch maar liever niet bij. En het is wel te begrijpen dat velen geen waarde hechten aan een God die dit alles zou laten geschieden.

U vindt nl. nergens een dergelijke God die een verwoester is en een doder. Want dit is in het rijk Gods niet. Het gaat om een blijvende waarde en dat wij die ons bewust zouden zijn, in het besef van tijdloosheid, van eeuwigheid en oneindigheid. Dit wordt te kennen gegeven in het feit dat God de dagen verkort heeft om der uitverkorenen wil. Dit verkorten der dagen ligt in de mogelijkheid dat ons bewustzijn deel krijgt aan het innerlijk rijk waarin geen dagen meer worden geteld en waardoor die merkwaardige toestand optreedt dat hoewel wij een vergankelijk lichamelijk leven hebben, de lichamelijke ouderdom geen vat krijgt op onze innerlijke geesteshouding die geen toekomst noch verleden meer kent. De verkorting der dagen geldt alleen voor de uitverkorenen. 
Dit laatste suggereert steeds een zekere voorkeur alsof de godheid zich een willekeur veroorlooft die tot een uitverkiezing leidt. Dit is niet mogelijk. Door sommige gelovigen wordt dan verondersteld dat de almacht Gods tot willekeurige besluiten leidt en dat zulks krachtens zijn almacht mogelijk is. Dit moge voor primitieve mensen zo lijken, maar het is totaal in strijd met de wetten van het rijk Gods 'dat binnen in u lieden is'.

Eigenlijk is dit rijk zijn eigen wet en zijn eigen 'zijn'. Zodra een mens er deel aan krijgt, verlaat dit deel hem nooit meer, maar de oneindige weg is zodanig dat zijn verlichting voortdurend toeneemt, hoewel hij zelf blijft wie hij is.
Het zelf is onveranderlijk in zijn functie en bewustzijnsmiddelpunt, maar het gebied waarover het al groeiend de beschikking krijgt, neemt toe in kracht, licht en vermogen. Dit is de weg. Het is vooral in dit aardse leven dat het de mens mogelijk is op innerlijke wijze werkzaam te zijn. Hij zou werken zolang het dag is. Het betekent dat, als hij met de dood deze wereld verlaat, hij zich in ieder geval bevindt inde toestand die hij zichzelf innerlijk vormde. En het hangt geheel af van zijn gelouterde innerlijke staat in hoeverre hij voort kan gaan of opstijgen kan naar lichtere en blijdere zones. Er is dus geen sprake van enige willekeur en uitverkiezing in die zin, want zijn plaats wordt bepaald door de innerlijke situatie die hij zich heeft verworven.

Wij begrijpen het revolutionaire van de menselijke toestanden als wij er aan denken hoe zeer hij zijn innerlijk leven verontreinigt en in zijn ziel zich een puinhoop vormt die een aanvankelijk ondoordringbare barrière is voor het loutere innerlijke bewustzijn. Dit op te ruimen lijkt voor menigeen ondenkbaar, juist omdat hij zich een dergelijke afgescheidenheid van zijn oorsprong helemaal niet bewust is. Indien hij al niet zijn innerlijke nood en machteloosheid gevoelt, moet hij haar ontdekken en dit zal een oorzaak zijn van de inzet van zijn gehele wilsvermogen waarvan hij geleidelijk al meer en meer doordrongen wordt.
Want een mens begrijpt haast nooit direct hoe waardevol het is wat hij op deze wijze voorstaat. Op die weg is niets te forceren, maar hij komt ertoe intenser te leven en het allemaal niet zo gemakkelijk op te vatten. Het heeft geen zin te hard van stapel te lopen en ook niet een laaiend enthousiasme te voeden dat naderhand maar strovuur blijkt te zijn. Het gaat om onze afkomst. De mensen zijn zo ver verdwaald van hun oorsprong dat ze in het geheel niet meer in die oorsprong geloven. Men vraagt zich niet af wat het eigen bewustzijn is en of men daarin werkelijk zeggenschap kan krijgen.


Wij leven maar al te gemakkelijk onder een hypnose van indrukken en gebeurtenissen die zich in het bewustzijn - of in de z.g. onderbewuste toestand - fixeren en dan zeer moeilijk te verwijderen en op te lossen zijn. En toch wordt men voortdurend geholpen op die innerlijke weg naarmate de vreugde en dankbaarheid ervoor toenemen. Wij zijn van huis afgedwaald en weten niet eens meer dat er een tehuis is dat alles overtreft wat ooit de wereld ons kan bieden.

Er is een film van Pasolini die 'de Zwijnestal' heet en een afzichtelijk beeld geeft van de mensenwereld en die de nasmaak geeft dat wij allemaal zwijnen zijn. Het is erg eenzijdig. Natuurlijk is ons lichaam animaal. Je kunt dat het lichaam niet kwalijk nemen of je het nu een leeuw, een krokodil, een ezel of een zwijn vindt. Waar het om te doen is, is het feit, dat het een veel te grote plaats in ons bewustzijn inneemt en op alle zetels tegelijk wil zitten. Bijna alle impulsen, alle strevingen, alle gewaarwordingen en wensen, alle eerzucht en drang tot zelfbehoud worden door het lichaam bevolen. Als wij nagaan hoe wij onze dagen doorbrengen, hoe wij werken en zwoegen, vragen wij ons af welk een macht ons daartoe drijft. Wij verbazen ons over het uithoudingsvermogen van de vogels wanneer ze hun jongen verzorgen. De ganse dag is het een af- en aanvliegen van boom tot nest met wormpjes en insekten en kruimeltjes, onvermoeibaar en onafgebroken. 


Het is eenvoudig een drift die niet te stuiten is, afgezien nog van de paringstijd, waarbij dezelfde rusteloze aandriften in een andere vorm verschijnen. En nu zou de mens iets zijn dat van een dergelijk drift- en natuurleven verschoond zou zijn? 'Tierischer als jedes Tier!'. Maar er ontstaat de revolutie als wij ons niet meer dwingen laten. Als wij er door onze bewuste wil naar trachten het driftleven in de hand te krijgen en het grote animale zwijnencomplex te onderscheiden waarvan de mens dan bezeten kan zijn. Bovendien is dat aardse lichaam een ontmoetingsplaats voor alle wereldse machten en krachten wanneer er sprake is van dat ware Ik in ons het te temmen krijgt, zodat er binnen in ons een landingshoofd kan worden gevormd van geesteskrachten, zielekrachten die zich - miljoenen en miljoenen - scharen om het echte i als middelpunt, een ik waaraan alle eerzucht vreemd is, alle zucht tot leven en zelfbehoud en dat uit de aard der zaak dan ook vrij is van angst temidden van al die andere angsten.

Want 'de wereld' is een ontzaglijk vermogen dat met sterke ketenen ons wil boeien en onderwerpen en bedreigen op zulk een geraffineerde en uitgeslapen wijze dat het zijn weergave niet heeft. En toch valt dit alles in duigen en wordt gedwongen zich geheel en al in alle puin en verwarring, in alle opstandigheid en strijd, te onderwerpen aan de macht van de geest die in ons is en zijn oorsprong heeft in dat wat wij zelf zijn. Zodra wij de Godsliefde in ons toelaten, die liefde die niet meer zichzelf zoekt, die niet bang is te verliezen, ja, die niet verliezen kan, omdat het 'geweld' ervan alle driften aan banden weet te leggen, om te zetten tot innerlijke kracht en van het dier gedaan weet te krijgen dat het zich laat temmen en zich voor de ploeg laat spannen, inderdaad om 'hand- en spandiensten' te verrichten.

Alles zal gehoorzamen aan die wil Gods die zich in de mens als iets oer-eigens kan manifesteren indien hij dat met alle kracht en geheel zijn hart en ziel, met geheel zijn geest wil. Dat heeft tot gevolg de z.g. uitverkorenheid omdat hijzelf het is die het kleinood aan te bieden heeft in naam van de hoogste orde, vrijheid en vrede. Wat alles niet wegneemt dat hij steeds de machten der vergankelijkheid ontmoeten zal waarvoor hij waakzaam moet zijn, van dag tot dag, van ogenblik tot ogenblik, zonder zijn mildheid en zelfbegrip, zonder zijn medegevoel en mededogen voor zijn medemensen te verliezen. De mens, de eerste, werd gezegd, dat hij niet zou eten van de boom der kennisse van goed en kwaad. Dat is de boom der tweeheid die de dood in zich bergt omdat er van het ogenblik af dat hij daarvan at een nieuwe onderscheiding nodig was voor een nieuwe wijze van kennen.

Dat heette zijn val, want de mens werd niet alleen verwikkeld in de tweeheid man en vrouw, maar in het beginsel dat leidde tot de veelheid met al haar verstrengelingen. Hijzelf was het die deze keuze deed en nog altijd doet. De ontwikkeling in de veelheid is een verlies. Niet alleen dat hij geen heerschappij over haar kan hebben zonder de eenheid, maar omdat hij zelf in die mate tot prooi van de chaos wordt dat hij daardoor de oorspronkelijke eenheid ging vergeten. Want nu wilde hij alles weten, ovegeleverd aan de libido sciendi, de hartstocht van het weten-willen, dat de mensen rusteloos maakt. Want hij houdt niet op met wegen en meten en waarnemen, ofschoon er toch altijd die mogelijkheid blijft tot terugkeer. Want in de eenheid die hij verlaten heeft is geen weten van de veelheid. Er is alleen maar een beleven.


Het koninkrijk der hemelen, dat binnen in ons is, kent geen enkele tegenstelling en kan daardoor niet geweten worden. Daarom kan het verstand ons niet de weg naar wijzen.



Barend van der Meer

Koe met kalf


12. - Over het geluk

In deze wereld? In deze wereld. Maar hebt u de krant dan niet gelezen en de radio niet gehoord en naar het nieuws gekeken op de tv? En hebt u dan geen mensen gesproken of hebt u niet gehoord waar ze het over hebben en wat ze zo druk bepraten? Hebt u vanmiddag ook niet op het Leidseplein gestaan dat je de kriebel kreeg in je keel en zo kortademig werd alsof je niet genoeg lucht kreeg? En niet de boeken gelezen van George Orwell: '1984' en Zamjatin: 'Wij'; en een van de meesterwerken van onze wereldliteratuur? 'Apologie van een gek' van Strindberg, waarvan Alain Jouffroy in l'Express zegt dat die nog altijd onze tijdgenoot is? ls je dat dan allemaal gezien, gehoord, gehoest en geademd hebt en ook nog gelezen, waarom heb je dan nog zin om over het geluk te spreken? Hoe kun je, hoe durf je, hoe wil je?

En toch wordt dit een brief over het geluk. Het geluk van het leven. Het geluk van de liefde tot het leven. Het lachend geluk, het werkelijke geluk, het unieke, echte, onverstoorbare en stralende. Uit deernis met de wereld en de wezen en de ziekenhuizen en de krankzinnigengestichten en allen die lijden schrijf ik u over het geluk. Over het geluk dat als een licht op u afkomt, dat u aanraakt, doordringt, opheft, blijde maakt, verwonderd, verbaasd; ongelooflijk dat het zo maar tot u komt zodat u vergeet te hoesten en te pruilen en te denken en te schelden en uw ontevredenheid te betuigen en over andere mensen te praten.
Oja, vergeten te denken. Het geluk denk je niet, dat is iets dat je zo maar van binnen uit, omdat u het herkent, omdat er geen reden voor is, omdat u leeft en - is er nu toch een reden voor? - omdat u leeft en van het leven houdt.

U wilt mij niet geloven, maar u leeft altijd ook als mensen beweren dat het niet kan. U leeft altijd en stel u eens voor dat u altijd van het leven zou houden. Dat het leven uw geliefde was. Het liefste dat u bezat en zelf bent. Ik bedoel niet uw lichaam, niet uw ziekte, niet uw verdriet, niet uw twijfel, niet uw gewone chagrijn en ook niet uw ergernissen. En nog veel meer bedoel ik niet. Alleen maar uw leven dat altijd bij u is en waaruit u bent en dat uw geliefde is en vóór al het andere. Misschien zegt al het andere: dat gaat zo maar niet: ik eerst en dan je leven. Maar het is echt waar, zonder leven geen liefde. Hoe kun je nou iets geven als je geen leven hebt. Hoe kun je iets zijn zonder leven. Niemand kan zich voorstellen wat dat is. Het levenloze is een onmogelijkheid, een eeuwige niet-bestaanbaarheid. Het is niet bekend, je vindt het nergens.

Maar het leven. Het leven klopt in u maar u hoort het niet. Ja, misschien zegt u: mijn hart slaat over, of ik heb hoge koorts, of ik gevoel me zo flauw. Maar het leven leeft binnen in u. Het heeft ogen en oren, het leven. Het lacht, het leven, maar u weet het niet. Natuurlijk weet u het niet, want dan zou u zelf ook lachen en niet vervelend zijn of boos. Echt, het leven lacht en is blij. Het is altijd blij, het is onvermengde blijheid, vreugde en angstloos. Dacht u dat het leven bang was? Nooit. Het kent geen angst en geen lijden, het straalt, het is licht, het kan niet ophouden te leven en te stralen en te lieven en gelukkig te zijn. Het is als met een innig geliefde die je altijd liefhebt, altijd, omdat het nu eenmaal zo is en omdat je niet op kunt houden lief te hebben.

Als u van het leven houdt moet u zorgen dat u het zich niet laat ontfutselen, het sterke, het stralende, het schitterende leven, de volheid van het leven. U moet er op de bres voor staan, niet uit behoudzucht, niet uit angst het te verliezen, niet uit saaiheid of gebrek aan belangstelling. Natuurlijk saaiheid en gebrek aan belangstelling is de ontkenning voor het leven. Het gaat zich verschuilen achter grafgewaden. Het maakt zich onzichtbaar in vervelende grauwheid en grijsheid. Het wijkt terug voor somberte en melancholie. Houdt u van somberte en melancholie? Bent u er gek op? Houdt u van ziekte en narigheid? Verzamelt u het? Ik ken iemand die verzamelt rouwbrieven als een ander postzegels, gouden tientjes of suikerzakjes. En ik weet van een heleboel mensen dat ze angsten en narigheden verzamelen. Kasten vol. Niet alleen in hun bovenkamer, maar ook in de buurt van het middenrif. Natuurlijk ook verder nog naar beneden. Ze zeggen: 'ik kan er niets aan doen'; ze hebben geen tijd voor iets anders. Het is net als het werk aan de lopende band. Weet u dat het lichaam niet uw leven is?

Misschien is het lichaam wel ziek of ongelukkig. Zo veel te meer moet u iets in het lichaam laten werken dat er goed voor is en het opbeurt. Dat gaat van het hoofd uit. Het begint in het hoofd. Daar verzamelen zich allerlei voorstellingen, net als in de tweede kamer. Het hoofd zit propvol. Er kan haast niets meer bij en bijna wordt een mens er bewusteloos van. Hij moet zijn bewustzijn ontruimen. Hij moet de slang erop zetten en net zo lang zijn bewustzijn met water bespuiten tot het helemaal schoon is. Wat voor water? Dat u altijd bij u hebt. Hebt u niet bij Lao Tse gelezen dat het leven is als water en gaarne naar de laagste plaatsen stroomt? Dus u kunt in zekere zin overal bij. Het komt overal, het leven. En het luistert naar u. Het luistert naar uw wil. Want het willen is een kracht uit het midden van uw bewustzijn. Ge moet aandacht hebben voor het middelpunt.

Van daaruit gebeurt het. Aandacht, heldere aandacht, onvermengde aandacht. Laat gedachten er zich niet mee bemoeien. Vervul uw brein met aandacht, uw bewustzijn met aandacht. Rustig, stil, vertrouwend en onophoudelijk. U houdt toch van het leven? Meer, nog meer. Want waar u van houdt, daarvoor hebt u aandacht. Dat gaat op het laatst vanzelf en dat is als een ononderbroken stroom van aandacht voor het heldere onvermengde leven. U moet niet in de eerste plaats van uw lichaam houden, ook niet van uw maag noch van uw tong noch van allerlei andere organen van uw lichaam. Let maar eens op: wat u veel aandacht geeft, daarvan houdt u. Dat is wis en zeker.

En wij hebben het over het geluk. Niet over een man of een vrouw, meisje zus of jongetje zo. Niet over een spaarpot of de cholera. Nee, over het geluk. Eerst het geluk dan het leven. Eerst voor al het andere, het geluk, het werkelijke, dat zijn oorzaak in het leven zelf heeft op het ogenblik, op dit ogenblik, op ieder ogenblik, tot u voelt dat u contact hebt met uw eigen leven in u, binnen in u, want het heeft een beginnen in u en eens verwekt houdt het nooit meer op.
U zegt misschien: eerst mijn maag, of eerst een man of een vrouw, of eerst een auto, of eerst de honderdduizend, of eerst al het andere en dan het geluk. Maar dat is de omgekeerde weg. Eerst het ene en dan al het andere (als u het nog zou willen).

Al het andere gaat tot u stromen, overvloedig gaat al het andere tot u stromen. Maar blijf ondanks alles het eerst het geluk liefhebben. Het lachende, het vreugdevolle, het innige, het u zelf behorende, het oorspronkelijke, het sterke en alles overheersende dat u wilt, dat u voorstaat, waartoe u besloten bent en waarnaar u van ogenblik tot ogenblik haakt en het wil en het kunt en het noemt en het boven al het andere hooghoudt. Want er zijn miljard indringers en bedriegers die willen zich aan u verkopen en zeggen: ik ben het geluk. Maar er is maar één geluk, zoals er maar één leven is en één God en één u en één ik en één werkelijk onverdeeld leven. Eén onverdeeld leven.

Wees niet zo erbarmelijk bescheiden. Zeg niet: ach, had ik maar een kruimeltje geluk. Een kruimeltje. Wat doe je met een kruimeltje geluk? Je kunt het niet eens kado geven. Wie geef je nu een kruimeltje geluk? Aan de zieke geluk schenken, aan de tragische geluk schenken, aan de verlorene geluk schenken, aan de overledene geluk schenken, aan de stervende geluk schenken, aan de scheidende geluk schenken, aan de gevangene, geluk schenken, aan de miljarden geluk schenken. Wat doe je met een kruimeltje? Wees niet bescheiden. Vergeet voor het geluk al het andere. Vergeet te zondigen, vergeet het kwaad spreken, vergeet te vloeken, vergeet te schelden, vergeet jaloers te zijn, vergeet te wreken, vergeet je ongerust en angstig te maken, vergeet je geld te tellen, vergeet dat je honger hebt, vergeet de dood en vergeet alle ellende. Omdat er een wonderbaarlijk leven in u is dat u moet leren kennen en beminnen en vrijhouden van de miljoenen onreinheden en overweldigende verduisteringen.

Vergeet dus uw klachten en wil het geluk, met geheel uw hart en al uw kracht, met geheel uw verstand en gemoed en hersenen en geest. Kies toch wat u bemint, kies toch wat u liefhebt en jank niet over de dingen die u niet hebt, de kinderen die u niet hebt en de echtgenoten die u niet hebt en de bedgangers die u niet hebt en de moordenaars en huichelaars en kwaadsprekers en gesjochten jongens die u niet hebt. Laat u toch niet overdonderen door al die gezichten.
Hebt u wel eens in een kamer gestaan met allemaal spiegels? U kon u zelf op letterlijk alle manieren zien en deze manieren weerspiegelden zich nog eens honderdvoudig als in het oneindige. Weet u dat het allemaal weerspiegelingen zijn? Herinnert u zich het woord van het zien in een duistere spiegel? En alles wordt oneindigvoudig in de wereld weerkaatst, alles en alles.

En al die oneindige weerkaatsingen van alle gebreken en tekorten en ziekten en ellende overweldigen u. Maar het geluk vind je nergens weerkaatst. Het geluk is niet te weerkaatsen. Het is uniek en van edele kwaliteit. Het is het enige. Er is niet mee te marchanderen. Heb het lief en het heeft u lief. Wees het trouw en het blijft altijd bij u. Het zal niet weglopen, het kan het niet. Want als het spiegelbeeld ervan de deur uitloopt en tegen u vaarwel zegt en het zegt u goedendag voor altijd, wel dan weerkaatst zich die groet in u en ge schenkt het vertrekkende spiegelbeeld uw geluk. Want het geluk dat ge schenken kunt als een onuitputtelijke kracht dat is het geluk. Kom, kies het en wil het en heb het lief en begrijp dat het geen eisen stelt. Het is hier en het is nu. Het leven, het echte en het ware en onvermengde en stralende. Het schijnt in de duisternis als een licht en laten wij het uiteindelijk - alsjeblieft - eens 'begrijpen', (al staat er dan geschreven: 'en de duisternis heeft het niet begrepen').

Er schijnen machten in de wereld te zijn, die ons mensen zeer ongelukkig willen maken. Maar niettemin is er een eigen willen, een geloven en een hopen, dat er een geluk van absolute waarde is dat geen macht ter wereld ontwaarden kan, waar niets buiten ons zelf ook maar iets over te zeggen heeft. Ook al zou men zich stap voor stap met ons bemoeien en ieder uur voorschrijven hoe wij moesten leven, het geluk dat wij voorstaan moet geheel vrij kunnen zijn en onafhankelijk van welk een dwang, van welke voorschriften, van welke bedreigingen ook. Natuurlijk kunnen die machten ons bezit aantasten en ons lichaam. Ze kunnen ons lichaam opsluiten en het op allerlei manieren trachten te schaden en te verminken. Men kan naar ik gelezen heb, lichamen in een duistere cel opsluiten in eenzaamheid en verschrikking en het is waar dat men het uitermate kan pijnigen zoals dat bij een kruisiging het geval is.

Maar niettemin is er een substantie in de menselijke ziel die onbereikbaar is voor alle vervolgers en haters, voor alle machthebbers, die tenslotte ook mensen zijn en grote stakkers in al hun geborneerde grootdoenerij en dreigende woorden. Het zijn bezetenen van de aardgeest, ze kennen geen liefde voor hun medemensen en kunnen niet verdragen dat er wegen zijn, geheel andere dan de hunne, waarlangs het onvervreemdbare geluk te verwerven is en voor alle eeuwigheid voor hun grijphanden onbereikbaar.

Het is zo veilig verscholen in de diepte van de ziel, het spreekt zulk een vreemde taal, dat geluk, dat de alledaagsheid van de grove natuur het helemaal niet kan vernemen. Het is het oorspronkelijke beginsel in ieder mens, zijn levensbeginsel, dat wat hij is en dat daardoor zijn onvervreemdbaar bezit is.
Omdat het lichaam zeer behoeftig is, kan men het in zijn behoeften treffen. Behoeftig aan sympathie, behoeftig aan lichamelijke liefdedaden, behoeftig aan eten en drinken, aan gezelligheid en mensen met wie je tot uitwisseling kunt komen. En als aan dit alles niet zou worden voldaan zou je het op 't laatst uitschreeuwen naar God, uit honger en dorst, uit armzaligheid en verkommering. Maar dit geldt alleen voor het lichaam en alles wat daaraan verwant is. De aarde is verwant aan het lichaam. Welnu, het geluk wat wij op het oog hebben is niet verwant aan de aarde. De aarde kent het niet en vindt het maar vreemd en ontkent het en de vorst der duistere aarde lacht er maar wat om en heeft er een vreselijke minachting voor. Ik zeg vreselijk, omdat het werkelijk een verschrikking zijn kan.

Maar het geluk verschrikt niet. Het is van een hoedanigheid die niet verschrikken kan. Het is niet te imponeren zoals een kind niet te imponeren is. Begrijp mij goed. Ik bedoel de open vrijmoedigheid van een kind. Natuurlijk kan men het slaan en bang maken en daaraan is geen kunst. Men tracht altijd kinderen te dreigen als ze dit of dat niet doen willen of zij iets in hun hoofd hebben wat ouders niet of niet meer begrijpen. Want de mensen verstikken het geluk. Zij stoppen hun lichamen en breinen, hun harten en zielen vol met allerlei sensaties, die er helemaal niet in thuis horen en zeggen dan oververzadigd: dat is pas leven. Maar het water waarin zij baden is verontreinigd, de lucht die zij inademen is verstikkend, de hartstochten die zij plegen te volgen zijn bedwelmend en bewustzijnvernauwend.

Daarom keren wij weer tot het geluk terug dat alles kan doorstaan. Stel u voor, een liefde die alles doorstaat. Alles. Dit behoeft natuurlijk niet een openbare vertoning te worden waarvan de mensen die het zien zeggen: zie toch eens aan hoe ze een medemens behandelen kunnen. Welnee, geen sterveling behoeft het te weten, waardoor je natuurlijk lang niet altijd malse oordelen tegenkomt. De ene haalt verachtelijk zijn neus op voor zelfs maar de denkbare mogelijkheid. Geluk op deze wereld is een farce, een waanzin, een belachelijkheid. Bovendien, er is een groep die zich heimelijk de elite denkt waarvoor het geluk onaristocratisch is, eigenlijk iets om de neus voor op te trekken. Geef ons maar de zoete melancholie, de trage weemoed en het 'spleen', daar houden wij het mee op deze godsjammerlijke wereld, waar geluk niet geduld wordt en wij moeten blijven rondgaan als uilen in doodsnood. Nee, zeggen zij, het geluk is voor de gokkers en de gelukzoekers en de loterijmensen, maar niet voor ons in onze ethische, maar decadente allure.


Maar laten wij ons niet op zijwegen begeven. Wij weten wel, wij gunnen elkander alles en het geluk is er alleen maar om verstoord te worden en benijd. Daarom, op uw tocht zult ge vele hongerige ogen ontmoeten van zielen, die zich niet uit het lijden konden verheffen of het niet wilden. Wie ziet nu het leed als een kwaad dat overwonnen moet worden? Slechts weinigen, want vele eeuwen zijn wij vergiftigd met de opvatting dat lijden het werkelijk algemeen menselijke is, dat het schoon is te lijden en dat wij daarin elkander kunnen begrijpen. Maar geluk? Wie voelt er mee met een gelukkig mens? Daarom, het geluk laat men liggen en gelukkige mensen ziet men niet aan, tot zij vertrokken zijn van deze wereld en men de moed heeft ze weer uit de herinnering op te laten komen en stil hun woorden weer uit te spreken, omdat wij mensen zo een onuitsprekelijke behoefte hebben aan echt en waarachtig geluk. Geluk zoals kinderen het kennen. O mijn geluk, hoe bemin ik u.

Ik ben het geluk

Ik ben het geluk, maar ge kunt mij niet grijpen en organiseren 

noch bevelen, niet bedwelmen, noch vangen.
Hoog ben ik, licht, onvermengd en helder
en stroom naar ieder mensenhart uit.
Het pure leven, ontdaan van denken, menen, voorstelling, 

reden en vragen naar waarom.

Ik ken geen waarom en antwoord alleen maar 

met mijn tegenwoordigheid, verscholen in uw hart.
Ge behoeft mij niet te begrijpen en als ge vraagt: 

zijt ge voor mij gekomen, dan antwoord ik: 
Ja, voor u, altijd voor u.
Geloof mij toch, herken mij.


Misschien kom ik van heel ver en ben 

voor u onverstaanbaar als een vreemde, 
omdat ik kom uit 'in den beginne' 
het allereerste van het leven, 
dat als een onbereikbaar punt is in uw herinnering.
Want ik ben altijd bij u geweest, ook vóór uw herinnering.
Ik ben de pure smaak van het leven zonder bitterheid, 

niet wrang en zonder enig lijden.

Ik weet wel waar doorheen ge waadt en wat ge er voor over hebt 

mij te aanschouwen en de uwe te noemen, 
alles hebt ge er voor over ofschoon uw voeten zijn geschonden 
en de tocht soms zwaar was, 
maar ik ben balsem voor uw voeten 
en voor de gebroken en vertrapte harten.

Ik, uw geluk, ik zie u aan en herken het stralen van uw ogen.
Er is geen oordeel in deze vreugde en geen enkele nagedachte.
Heb daarom geen wroeging en wend u oprecht tot mij.
Want ik, uw geluk, kan u ontslaan uit boeien 

van schuld en noden, van angst en dreiging en dood.

Ik, het geluk, ben uw ware, echte leven, 

uw weg en uw waarheid.
Zie, en herken mij en ge hebt u zelf gevonden.
Ook moogt ge geen naam aan mij verbinden, 

geen enkele naam.
Want welke naam gij mij ook zou geven: 

ik ben het geluk.


Barend van der Meer

zondag 16 november 2014

Als de herfst komt


9. - Jezus onder de mensen

'Maar gij zult mij zien;
want ik leef en gij zult leven.' 
Joh. 14: 19-20

Hier is de ontmoeting. Maar niet ieder ziet hem. En dat is altijd het struikelblok. Wij hebben ogen en wij zien niet. Wij hebben oren en wij horen niet. En dit is zo vaak herhaald, ook door die mensen die niet zien noch horen, dat het in de regel niets meer zegt. Want welk een bron van twijfel of inbeelding is door deze woorden niet ontstaan. Wie durft er voor uit te komen dat hij innerlijk heeft leren zien en horen. Hij loopt kans uitgelachen te worden of beschaamd gemaakt. Hier geldt hetzelfde als de reactie van Fillipus op de woorden van Jezus in Joh: 14: 'Indien gij mij gekend had zoudt gij ook den Vader gekend hebben. Thans reeds kent gij hem en hebt gij hem gezien'. Maar Fillipus zeide tot hem: 'Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg'. Dit is een illustratie van blindheid, van niet zien zodat al de woorden die Jezus uit zijn innerlijke wereld, de onzichtbare, had gesproken voor Fillipus zonder inhoud waren geweest.

Wat wonder dat Jezus zich heeft beklaagd: ben ik zolang bij u en hebt gij mij niet gekend? Hier betekent hem niet gekend te hebben eenvoudig: hem niet gezien te hebben. Want wat weten over het algemeen de mensenkinderen van de mens. De eigenlijke mens is in ons verborgen, niet omdat hij zich verschuilt maar omdat hij zich nog niet de bevoegdheid heeft eigen gemaakt zich 'zichtbaar' te maken.
Weet menigeen niet dat er in hem een onuitgesproken wereld is die hij zich niet voldoende bewust kan maken door erover te kunnen spreken. De verborgen goddelijke mens in ons ligt nog zo in de windselen dat er heel wat tijd en geduld voor nodig is hem te ontwikkelen. En menigeen geeft het maar op en laat zijn ware menselijkheid in een ongeboren toestand achter en gaat heen van de aarde, met zijn dood niet zoveel verschillend van de toestand waarin hij hier geboren is.

Jezus kondigt aan: "Nog een kleine tijd en de wereld aanschouwt mij niet meer; maar gij aanschouwt mij, want ik leef en gij zult leven'. Deze aanschouwing is mogelijk doordat hij zijn discipelen de parakleet zendt, de vertrooster in hun harten die als de heilige geest gekenmerkt wordt en waarmee gemeend is: De geest der waarheid die in hun harten zal wonen, de geest der onderscheiding en herkenning die de onveranderlijke kracht der waarheid is waardoor het godskind in ons, dat wij zelve zijn, gekenmerkt wordt. 
Deze waarheid kan niet aangenomen worden op enig gezag. Het echte laat zich op geen enkele wijze dwingen en is onbevreesd. Het is het kenmerk van de ontwakende geestesvonk, het licht dat in een ieder mens binnengaat, indien hij hier in de wereld wordt geboren. Dit licht is tegelijk het licht der waarheid en indien wij het ons bewust gaan worden, zien wij de wereld in het licht liggen, de wereld waarin wij dagelijks leven.

Het is het licht dat op de weg schijnt die wij gaan en wij ondervinden aanvankelijk hoe moeizaam het in de duisternis onzer onbewustheid tot een groter vermogen komt. Het is de heilige geest die in ons de vonk aanblaast tot vlam. Dit heeft niets van doen met onze overdenkingen. Het is een innerlijke aangelegenheid, zoals liefde tot de waarheid, liefde tot het licht, liefde tot onze oorsprong, liefde tot de ontwakende zoon in ons, alleen maar beleefbaar is.
Het zijn dingen die tot het werkelijke en dagelijkse leven gaan behoren en die geheel uit eigen beweging geschieden, niet door dwang van buitenaf. Het is eenvoudig een gevolg van innerlijk ontwaken in licht en kracht en als er sprake is van het ontluikende echte en ware dan moet al het andere in ons zich daaraan onderwerpen, al gaat dat gepaard met eindeloze tegenspraak. Want op dit pad moet steeds weer de overwinning worden bevochten.

Ik leef en gij zult leven. Gij zult eeuwig leven als gij hem ontmoet en herkent. In die ontmoeting is een weergaloze vreugde want alle angst wordt erdoor vergeten. Alle bezorgdheid. Er heeft een ommekeer in ons plaats alsof het is dat ons afzonderlijk persoonlijk wilsvermogen weer in overeenstemming gebracht wordt met een oer-wil, een oer-bron van kracht en licht, waardoor ons leven meer en meer als uit één stuk gevormd wordt en geleid, terwijl niet in het minst afbreuk wordt gedaan aan ons eigen vermogen tot zelfvorming en de vrije keuze die daarvoor nodig is.
Vrije wil en vrije keuze zijn schone woorden. Om ze werkelijk te realiseren is niet zo eenvoudig als men zou denken. Er is een ondervinding van verhoogd worden door de ontmoeting. Dit heeft niets met eerzucht te maken maar wel met een vernieuwing alsof men meer boven de dagelijkse dingen uit kan komen en ze ons niet meer zo overheersen.

Wij worden erdoor veranderd en voor deze verandering kunnen wij moeilijk een maatstaf aangeven, zoals dat wel gebeurt als mensen graden en schone titels worden verstrekt die de rangen onder ons mensen moeten aangeven. Natuurlijk zijn er graden van menselijkheid en bewustzijn, maar het zal niet veel zin hebben deze met een schone rang te benoemen, met alle respect overigens voor de wereldse indelingen. Deze laatste vervallen nu eenmaal niet, maar de waarden der innerlijke menselijkheid worden op geen enkele graadmeter aangebracht. 'Wat noemt men mij goed, niemand is goed dan EEN'.
Door de ontmoeting wordt men veranderd. Er is iets onalledaags in ons dagelijks leven gekomen. Het is of de sleur doorbroken wordt en het verlangen naar iets geheel nieuws bevestigd. Er is een begin van branden en lichten, een ontstoken worden. Het ontsteken van miljoenen kaarsen over de wereld met kerstmis is slechts symbool van een verborgen verlangen, zelf tot brandende kaars te worden. De weg tot het licht weerspiegelt in de liefde tot alle licht, al is het maar van een kaars.

Indien wij eenmaal ontbranden zal dit licht ons nimmer meer geheel en al verlaten. Het zal toenemen in ons leven wanneer wij er ons naar richten en op de dag van het overschrijden van de drempel van het innerlijke rijk zal het één met ons worden. Als het licht der zon onbelemmerd onze kamer binnenschijnt, hoever overigens de eigenlijke lichtbron ook van ons verwijderd mag zijn, zeggen wij: er is zon in de kamer. In alle licht is zon en in alle zon is licht.
Acht gij het niet mogelijk dat gij innerlijk deel kunt krijgen aan het licht en dat dit het licht der wereld is?
Daarom, als men hem ontmoet, begint de warmte en de liefde en zijn licht in uw hart naar binnen te schijnen, hoewel hij zegt: 'Alles wat ik tot u spreek zeg ik uit mij zelve niet; doch de Vader die in mij woont hij doet zijne werken' Het maakt duidelijk hoe de godheid zich vermenselijkt tot Vader en deze zich tot zoon in het innerlijke leven, d.i. de Christus, de gezalfde. Indien een mens voor zich deel krijgt aan God in het bewustzijn van zijn geest geschiedt dit door bemiddeling van de zoon waardoor hij één wordt met Christus. Dit is de ontmoeting.

Het woord evangelie bestaat in het Grieks uit twee lettergrepen. Eu betekent goed en angelion = bericht, dat men om het niet zo prozaïsch te laten klinken heeft gemaakt tot 'blijde boodschap'. Dit is de oorspronkelijke betekenis van het woord. Ook het woord engel is eraan verwant. Want angellein = boodschappen en engel is een verbastering van het woord angelos, dat bode betekent. Onze bijbel wemelt van engelen, van boodschappers in zichtbare en onzichtbare gestalten. De onzichtbare engelen doen zich in het innerlijk leven voor en kunnen stralend en lichtend zijn, maar ook bedrieglijk en duister. Op deze weg ontwikkelt zich het innerlijke onderscheidingsvermogen in waarheid als gij de waarheid liefhebt en in zelfbedrog wanneer men zich voortdurend misleidt. Dit laatste wordt duidelijk door de teleurtstelling en verduistering die de zelfmisleiding tenslotte teweeg brengt. Het bedrieglijke kan zich op de weg naar het licht niet handhaven.

Jezus was voor de mensen de boodschapper bij uitnemendheid. Dit was mogelijk door zijn alomvattende en aldoordringende liefde, waardoor de alomtegenwoordige onzichtbare godheid zich langs alle trappen van de lichtengelen waarneembaar kon maken om zich in zijn lichaam te voleindigen. De mensen leven en leefden in de ban der afgescheidenheid, die veroorzaakt werd door de materiële ontwikkelingskrachten die hun zielen en daardoor hun drijfveren houden in een horizontaal werkzame wereldbeweging. Jezus was drager van de positief scheppende lichtbeweging, verticaal gericht op doorbraak door de in horizontaal vlak gerichte omhullende en insluitende aardekrachten. Het gevolg daarvan was een kruisiging in de liefdevolle mens, een werking die zich totaal voleindigde in de kruis-dood waarin het leed der wereld in iedere vorm werd doorstaan en overwonnen.

Het is niet waar dat God dit ooit gewild heeft. De mens Jezus heeft dit lijden op zich genomen als gevolg van zijn verlossingsweg en zijn liefde tot de mensheid. Een goddelijk willen waarin hij zich niet heeft ontzien en waarvoor hij de bittere beker tot de laatste druppel heeft geledigd. Door deze onbeschrijflijke daad heeft hij voor altijd, zolang er mensen op aarde zullen wonen, een weg gebaand en een deur geopend 'ter ontkoming' aan iedere vorm van slavernij en menselijk lijden, wat alleen door de liefde Gods, waarvan zijn boodschap overstroomde, is mogelijk gemaakt.
Het is niet mogelijk deze wereld ooit geheel van lijden te bevrijden. Het lijden is een noodzakelijke voorwaarde voor het vergruizelen van de versteende harten en het bewerken tot een vruchtbare akker. Voor de mens die een weinig van deze godsmensenliefde kent, is het leed niet erg omdat dit vernietigd wordt in de vlam waaruit het mensenkind voor eeuwig zich vernieuwen zal en worden zal tot levend, lichtend woord. Dit woord is niet: Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten. God verlaat zijn kinderen nooit en te nimmer. Integendeel, tot op het laatste ogenblik heeft hij God beleden en hem uit de innigheid zijns harten gedankt:
Eli, Eli lamah azahvtha-ni
waarvan de vertaling luidt;
Mijn God, mijn God, hoe verheerlijkt gij mij!
Het is geen mythe, dat Jezus door erbarmen bewogen tot de wereld ging. Hij zag de duisternis op de wereld en hoe de mensen daaronder leden terwijl zij niet hoopten op enige uitkomst. Zij wisten amper dat zij verduisterd waren. Zij wisten ook niet meer - en nog niet - dat zij naar hun ware afkomst uit een lichtwereld geboortig waren. Dat zij uit eigen vrije beweging zich daaruit begeven hadden en daardoor een diepe kloof veroorzaakt hadden tussen het rijk Gods en hun eigen bewustzijn.
De levende herinnering hadden zij daaraan verloren doordat zij in het mensendier hun intrek hadden genomen, waardoor de verduistering hand over hand toenam.

Er waren altijd helpers en heilanden geweest die getracht hadden de mensen te verlossen en hun de kracht van hun liefde te schenken, maar steeds vielen de mensen weer terug of begrepen niet of gaven zich geen moeite ze te herkennen. De macht der materieel werkzame krachten was zo groot en hun omsluiering zo dicht dat nergens meer het licht der wereld werd onderscheiden. Het was werkzaam in de mythen waarmede de mensen leefden, maar niet in de werkelijkheid van hun dagelijks bestaan. Jezus verliet het Koninkrijk, de hoge goddelijke lichtstaat en ondernam de gevaarlijke tocht naar de diepten der aarde om als een licht onder de mensen te verschijnen.
De hoogheid van zijn liefde was onnoemlijk en de kracht ervan wordt niet overtroffen. Het is onbegrijpelijk dat een goddelijk mens dit op zich vermag te nemen en op die wijze een deur te openen voor de liefde Gods onder de mensen. Welk een tegenkrachten, welk een laster en smaad kreeg hij niet te overwinnen. Het gaat niet aan te beweren: 'Hij was immers goddelijk, hij noemde zich toch de zoon Gods? dan was het ook geen kunst hier te verschijnen'. 

Men vergeet dan - het is bijna boosaardig - dat hij zich met het vergankelijk gewaad van de aardse mens moest bekleden en daardoor deel kreeg aan een lijden en een strijd waaraan niets menselijks vreemd meer is.
Hoe werd hij niet gelasterd, gesmaad en vervolgd. Vanaf het ogenblik zijner openbare verschijning heeft de vorst der duisternis, die niets van zijn zending begreep en kon begrijpen en waarvoor geen God bestond, hem bevochten en doet dat nog tot op de huidige dag.
Maar het licht dat Hij in het mensendom ontstak is niet meer te doven. Hij zelf is het die in dat licht leeft. Een ieder mens zal dit moeten erkennen, omdat het beginsel ervan in hemzelf aanwezig is. Hij zal dan de weg vinden tot oplossing van zijn lijden en tekorten. Want alle fouten en dwalingen, alle zonden en ziekten van de mensenkinderen ontstaan door gebrek aan dit licht. Al die vertwijfelde mensen, al die zoekers en smachters, allen die in de ontkenning Gods leven en zich zo machteloos gevoelen, zij hebben vergeten dat de oplossing voor al hun noden in hen zelf ligt, binnen in hen zelf.
Het gaat niet om goed en kwaad. 

Deze weg bewandel je niet om deugdzaam te willen zijn. Maar je zoekt hem uit innerlijke nood gedreven en het is bijna verpletterend van vreugde als je ontdekt dat het werkelijk waar is, al lig je dan ook als een zwakke vlonder op de rand van de afgrond. Hij leeft niet in die zin onder de mensen dat hij zich bekend zou maken en zeggen: ik ben Jezus de Nazarener. Na zijn dood is hij de Nazarener niet meer gebleven. Maar men zal zijn licht tegenkomen en in zichzelf leren herkennen en dit zal een grote verlossing betekenen en een zo grote blijheid en bevrijding dat men het haast niet zou geloven of verdragen kan.
En toch is dit waar. Gij kunt u direct op weg begeven als gij luistert naar de stem in u zelf. Hij was een kind Gods, de zoon van God in de mens, maar wij zijn het zelf ook, hoewel bedolven en omhuld door gesteente en korsten aarde. Natuurlijk trachtte de geest der aarde hem te boeien en vooral te verachten, natuurlijk zocht de duivel hem te verzoeken als hij moe was van het vasten en uitgeput van het zwerven in de woestijn. Trouwens de lichtverachter heeft hem toch tot het uiterste kunnen vervolgen en de mensen ertoe gebracht hem te kruisigen. 

Overal in de toenmalige wereld werd de kruisiging toegepast door de Romeinen tegen ieder die zich tegen hun dictatuur en gezag verzette. Het is de meest smartelijke dood. Vóór de kruisiging werd het lichaam gegeseld en tot bloedens toe geslagen om dan naakt en bewegingloos aan het folterhout gehangen te worden, met doorboorde polsen, verscheurde pezen en zenuwen die razende pijnen veroorzaakten. 
Het is de meest wrede en duivelse foltering die ooit werd uitgevonden, temeer omdat het sterven aan het kruis dagen lang kon duren. Bij Jezus trad de dood binnen twee à drie uur in, waarover zelfs Pilatus zich verwonderde dat het zo gauw afgelopen was. Nee, men kan niet zeggen dat de aardgeest niet aan zijn trekken gekomen is bij die vreselijke dood en het lichamelijk lijden tot het uiterste.

Het is natuurlijk volkomen uitgesloten dat ooit een God der liefde op die wijze zijn zoon opgeofferd zou hebben om de mensen te redden. Het zou zo een bovenmatige smaad zijn dit te durven beweren, zulk een griezelige, sadistische, verfijnde en uiterst liefdeloze leugen, dat het eenvoudig onbegrijpelijk is dat mensen hun ziel tov de godheid zo wensen te vergiftigen.
Na de lichamelijke dood van Jezus brak voor eeuwig de verheerlijking aan waarvan zijn hele leven reeds doordrongen was. Een verheerlijking waarvan hij de goede moordenaar deel liet uitmaken in de woorden: 'Heden zult gij met mij in het paradijs zijn'. De doorbraak was geschied, het offer tot in de laatste vezel volbracht. Het donkere wolkgordijn scheurde vaneen en er brak een overvloed van licht over de aarde uit. Het plechtanker dat de aarde met het Koninkrijk verbonden houdt was diep en onwrikbaar in de bijna ontgoddelijkte wereld geworpen, een onwrikbare zekerheid biedend aan ieder mensenkind dat zich op weg naar het licht begeeft. 

Het leven van Jezus is van een onsterfelijke realiteit en zal niet ophouden zich te bevestigen in de innerlijke belevenissen der mensen, belevenissen die evenmin voorbijgaand zullen zijn als het lichtend brandmerk dat zij in de ziel teweegbrengen als eeuwig werkzame herinnering.

Barend van der Meer

Licht op het zand


zaterdag 15 november 2014

24. - Over kiezen, geloven en willen


Geloven is een kwestie van keuze. Ieder mens is vrij om te kiezen. Ook als hij zich daartoe gedwongen gevoelt. Dat betekent dan de vrijheid zich te laten dwingen. Ja of neen. Doen of niet doen. Het is volstrekt een eigen zaak als we kiezen wat we willen. In een verkiezing kiest iemand een ander, die vertegenwoordigt wat hij zelf voorstaat. Hij kan gezamenlijke belangen voorstaan waaronder ook zijn eigen belang. En dus brengt hij zijn stem uit. In het dagelijks leven kan een mens een beginsel kiezen, een ding, een substantie, een levensbeschouwing. Ook kiezen mensen elkander. Dit wordt bepaald door wat er van de mensen tot elkander uitgaat. Bij nader onderzoek is dat niet altijd eenvoudig, wat menige keuze twijfelachtig maakt. Ook hierin laten wij ons leiden door onze sympathieën en soms bijkomstige belangen. Ook zijn er vaak dwingende behoeften die de keuze beïnvloeden. In ieder geval is het zeker dat onze keuze er veel toe afdoet de vorm van onze levensgang te bepalen. En daardoor van grote invloed is op ons eigen lot. Haast niemand vraagt zich af waarom we eigenlijk kiezen. Het is heel gewoon en voor de hand liggend  dat ons dagelijks leven voortdurend gekenmerkt wordt door kiezen en verwerpen. 

Het Nederlandse volk heeft een advies. Je maintiendrai. Dat staat in het Nederlandse wapen. Ik zal handhaven. Het symbool is een brullende leeuw met een zwaard in zijn uitgestrekte klauw. Dit is het devies in het wapen van het Nederlandse volk. Opgelegd pandoer. Pandoer is een plaatsje in het toenmalige Neder-Hongarije, waar echte vechtjassen te voet met een schietgeweer vandaan kwamen. Deze soldaten heetten pandoeren. Zijn wij een leeuwig volk? Neen. Ook volgens de dierenriem niet. We zijn wel vasthoudend en hebben in sommige gevallen wel iets van een terriër,Maar zo'n vasthoudende terriër loopt achteruit en daar heb je dan weer onze kreeft. Op een of andere manier klopt dat wel. 'Je maintiendrai'. Waarin willen wij ons handhaven en wat handhaven wij? Ons Lijf? Ons goed en ons bloed? Onze eer? Onze stand? Ons Oranje? Onze regering? Ons ja-woord bij alle mogelijke gelegenheden? Onze volksvoorgangers? Is er iets in ons particuliere leven dat wij willen handhaven? Ondanks alles? Is er iets unieks? Iets enig s in zijn soort dat meer is dan al het andere of waar al het andere aan ondergeschikt is? Zou iemand dat willen? En kiezen? En daardoor erin geloven? Iets dat alle moeite en moeilijkheden, alle strijd en teleurstellingen waard is boven al het andere? Willen kiezen en geloven?

Om in een mens te geloven moet je hem ontmoet hebben. Op een of andere manier. Misschien wel dat iemand over hem gesproken heeft en daarin iets van die mens overwaait, zodat je geneigd bent in hem te geloven. Dat denk je dan niet maar je voelt het. Natuurlijk kan je gevoel je bedriegen, want het is niet altijd even helder. Er zijn van die goedgelovige mensen, die vooral als ze dronken zijn, alles geloven en in een roes een handtekening zetten, waar ze de volgende dag wanhopig door zijn. Ik ken een man, die door een achteroprijder versuft gereden werd door de schok en deze trachtte van dat ogenblik gebruik te maken door die versufte een handtekening te doen plaatsen, waardoor de aanrijder vrijuit ging. Maar zo suf was hij toch nog niet. 

Er zijn bijgelovige lieden, die heel gemakkelijk alles geloven, als het maar een beetje bijzonder is. Een klein beetje maar. Het is aandoenlijk hoe bereid vele mensen zijn om iets aardigs  of liefs te geloven, als het maar even buiten het gewone en de sleur om gaat. Op zoek naar het wonderbaarlijke. Naar dat wat wonderen baart. Moet het een sensatie zijn? Een boeiende roddel? Een bom met het hele alfabet erin? Een luchtkasteel dat naar een ander zonnestelsel vliegt om daar mensen vandaan te halen die het beter weten dan wij? Als wij weten wat wij willen, behoeven wij niet meer bijgelovig te zijn. Je maintiendrai. Daar hoef je toch niet bijgelovig voor te zijn?

Iemand zegt tegen me: ik wil iets hebben dat je kunt zijn, iets dat niet te schokken meer is. Ik wil iets dat deugdelijk is. Een deugdelijke substantie die ik werkelijk goed kan noemen, want dat is iets dat deugt. Zij moet van een natuur zijn die onvergankelijk is en waarvan een onvergankelijke kracht uitgaat. Deze kracht moet in staat zijn al het andere in de wereld ondergeschikt te maken, een kracht der krachten die in mij de wereld overwint, die alles wat niet met haar overeenstemt in zich of aan zich onderwerpt of verwerkt.
Een kracht, die alle ellende vernietigt, alle smart lenigt, alle ziekte heelt en die tegelijk lichtend is en vol vreugde, een kracht die de oorsprong is van alle blijdschap en alle werkelijke lach. Die er nooit op uit is zich te handhaven, maar die doordat ze zichzelf verliezen wil, altijd maar intact blijft, onuitputtelijk is en voor ieder mensenkind bereikbaar. Een kracht, die een grote zegen voor ons allen betekent en een groot geluk. Die zo gaaf is en volkomen, dat niets en niemand iets aan deze volmaaktheid af kan doen. Een kracht die eeuwig is, dus nooit een einde neemt en die in staat is zich aan de mensen mede te delen op een wijze, dat zij dit in hun ziel gevoelen, want ik weet niet waarmede hij anders een kracht kan gevoelen, die van zo een subtiel, doordringend, pregnant vermogen is, dat, als je er mee in aanraking komt, het is of je een onuitwisbaar stempel ontvangt.

Ik zei: 'maar hoe kom je er in hemelsnaam bij om deze dingen te zeggen van een substantie die tegelijk een kracht is en die al deze deugden en wonderbaarlijke en bovenmenselijke eigenschappen in zich vervat? Wie heeft je dit ingeblazen? wie brengt je op het idee dat dit zou bestaan en je het zelfs zou kunnen willen? Van wie heb je dit gehoord en waar heb je het gelezen? Het lijkt wel of je de steen der wijzen wilt hebben of wilt aanzitten aan de tafel der goden waar ze nectar schenken en ambrozijn eten. Hoe kun je het zeggen, man en weten dat je dat wilt?
Het feit dat je dit wilt, betekent dat je het moet kennen, anders kon je er toch niet over spreken? Dat je het zo merkwaardig omschrijft is toch een teken dat je er iets van moet weten? En waarom vraag je dat aan mij? Waar zie je mij voor aan? Weet je niet dat als je zulke dingen werkelijk wil, echt en eerlijk, ze in je geest onmiddelijk beantwoord worden? Als je maar bezint op wat je vraagt. Je kunt toch iets niet willen dat je niet kent. Het moet je ingegeven zijn door de zelfstandigheid zelf die je zegt te zoeken. Wie zegt jou dat je dat niet bent?'

Hij zei: 'vergis je niet: ik ben maar een arm en vergankelijk mens. Ik heb zelfs een ziekte onder de leden, waardoor ik op een goede dag afscheid moet nemen. Dus praat mij niet van mij als iemand die dat is. Maar ik zou dit vermogen, deze aanwezigheid, juist omdat ik ten dode ben opgeschreven, zo graag ontmoeten. Ik heb het idee dat ik in deze ontmoeting van mijn angst om te sterven word verlost. Dat ik zelf een zo groot behagen en zo grote liefde kan opbrengen tot deze volkomenheid, dat ik in die ontmoeting niet meer de minste angst gevoel, noch van mijn lichaam, noch van mijn ziel, noch van enige andere zaak die ik zou kunnen verliezen, omdat er niets anders is dat mij meer waard is dan dat ene'.

Ja, antwoordde ik, 'maar als ik je zo hoor spreken, kan ik jou beter vragen dan jij mij. Want jij weet wat je wilt en formuleert dat voor mij alsof wij hetzelfde willen. Want wie zou dat nu niet willen. Iets dat zo licht is dat al het donkere erin verdwijnt, dat van een onsterfelijke gelukzaligheid is, waarin al wat sterfelijkheid betekent, in het bewustzijn vergaat. Dit is toch niet voor een enkel mens alleen? Wat jij wilt, wil je voor allen, want wie zou dat nu niet willen?'
nee, zegt hij, 'zo is het niet. Er zijn miljoenen mensen, dit dit niet willen, omdat ze het niet kiezen en ze kiezen het niet, omdat ze er niet in kunnen geloven en ze geloven het niet, omdat ze bevangen zijn en omhuld door de macht van wat zij werkelijkheden noemen en die toch slechts de produkten zijn van hun eigen voorstellingen uit de wereld waarin zij leven. Wat ik je hier zeg vinden miljoenen al zo onwaarschijnlijk en zo onmogelijk, dat als je het teveel zegt, je kans loopt dat ze je een strik maken'.

'Dit kan toch niet? Hier spreek je jezelf tegen. Je zegt dat het een kwaliteit is die niet geschaad kan worden, die meer is dan al het andere, die de hoogste is, die een opperste gelukzaligheid betekent, dat dit als er een weinig van afstraalt in de mensenharten, die harten lichter en gelukkiger maakt. Wat zou hierin een strik betekenen? Dit kan, als je in de werkelijkheid ervan gelooft en in een daarmede overeenstemmende wereld, op geen enkele wijze geschaad worden en nooit ondergaan.'
'Het is waar en eigenlijk heb ik het zo gemeend als je het nu zegt. Ik ben ervan overtuigd dat dit mogelijk is. Het onmogelijke is mogelijk en ik zal het liefhebben boven alles, al kost het mij duizend levens'.
En ik antwoordde: 'mijn jongen, dan behoef ik je toch niets meer verder te vertellen. Ik zou het niet anders kunnen dan je het nu zelf doet'.

Het is mogelijk het te ontmoeten. Het verwekt een sterk verlangen. In het verlangen is een willen verborgen. In het willen zelf is de gezochte kwaliteit en daaruit komt het vermogen voort te kunnen opbrengen wat je zelf verlangt. Als het wakker geworden is - het is een ontwaken, een gewaarwording in de ziel - wordt het tot een lichte, zich onderscheidende kracht. Het verwekt een vreugde en een lachen van blijdschap. Het is iets stil zegevierends dat niet op het persoonlijke betrokken is. Alles wat zich tot het persoonlijke behoort, gaat zich opnieuw richten. De aanbrekende 'dageraad' ontwikkelt zich op een wijze die om-scheppend, zoekend en voortdurend veranderend, werkzaam is alsof een individuele vorm moet doorbreken volgens een eigen innerlijke, onveranderlijke aanwezigheid, zodat het de indruk maakt van een zich ontplooien als een evolutie.

Al het andere dat niet aan de voorgestelde groei van die innerlijke vorm beantwoordt - en dat is zeer veel - begint zich te verzamelen om de middelpuntskracht van het innerlijk willen. Het zeer vele buigt en richt zich volgens het ene. Dit is een geleidelijk zich doorzettend proces. De zielekrachten van het lichaam, de nephesh, die van het gemoedsleven, de ruach en de ontelbare krachten van de geestelijke ziel, de Neshama, richten en realiseren zich in een nieuw patroon waaruit de zich vernieuwende mens ontstaat.
Het is begrijpelijk, dat deze revolutionaire strijd zich niet zonder slag of stoot voltrekt. De ene kracht, die Godsliefde is, zet zich door en er is niets dat haar tegenhouden kan. Na de barensweeën volgt de verlossing.

Het mensendier dat zich zo tiranniek kan gedragen in het lichaam heeft nu zijn meester gevonden en wordt beteugeld. En plotseling is hier de bestemming. De zwakke mens wordt opgericht. Het is een onvergelijkelijke ontdekking dat hij zelf wil is, dat hij een geestelijke kracht is en tegelijk gestalte krijgt in een innerlijke nieuwe geboorte, zijn oorspronkelijke schepping. De kwaliteit van zijn wil - het van goeden wille zijn - laat niets meer te wensen over. In die innerlijke toestand heerst geen enkel affect meer, hetzij van het lichaam of van het gemoed.

Er zijn geen tegenstellingen meer werkzaam en geen conflicten. Geen voor of tegen, geen leven of dood als voorkeur of angst, er is geen gevoel van afhankelijkheid van enige macht op aarde of in de hemel en er is geen vraag meer naar gezondheid of vrees voor ziekte. Iets van enig gehalte dat het leven van deze geesteshouding kan beïnvloeden lost op.
Het is het weer deel krijgen aan een verlichting als gevolg van het licht der wereld dat in ons is. Het is in alle mensen en het wil zich mededelen, zoals alle licht zich kenbaar wil maken. Als het eenmaal in het innerlijk leven is toegelaten, ook al is er slechts een sprankje van waar te nemen, zal het met zachtheid trachten door te dringen, om zich voor altijd een plaats in de menselijke ziel te verzekeren. Het is het onvertroebelde, het volstrekt onvermengde licht van het 'in den beginne'. De archeus bij uitnemendheid, het alleroudste, het allereerste, het eeuwige. Dit is de grootste, de sterkste, de doordringendste dominant in de ziel, het archetype van het stempel van de al-geest.

Dus de bestemming van de mens is in een verlichte toestand gelegen. Hij zal dat zeker kiezen als hij het werkelijk heeft ontmoet. Trouwens, moet iemand altijd van vlees en bloed zijn? Is het niet mogelijk dat in de grote stilte, waarin een mensenkind zich kan bevinden, hij getroffen wordt door dat onzichtbare? Al heeft hij er slechts een vermoeden van. Dit vermoeden kan zijn belangstelling opwekken en deze belangstelling kan uitgroeien tot een merkwaardig besef van: dat is het. 'Ik gevoel dat het dat is omdat de aanraking ermede mij een grote en onbeschrijflijke zekerheid schenkt' en dat een mensenkind van dat ogenblik aan het er op toelegt er meer van deelachtig te zijn en dus tracht zijn leven er mee in overeenstemming te brengen. Op die weg komt hij tot ontdekkingen waarvan hij nooit gedroomd heeft. Maar het centrale punt van zijn wilsgerichtheid en de onverstoordheid, die daarin zijn deel is, blijft het brandpunt van zijn ziel.

Door de herkenning heeft hij een onverzettelijk besluit genomen. Een besluit als een blikseminslag. Hij heeft gekozen en uit zijn keuze bouwt zich een vertrouwen en een onschokbaar geloof op: Het geloof dat hij in zijn bewustzijn deel kan krijgen aan een lichtsubstantie, die een onuitwisbare vreugde in hem verwekt en hem tot de ontdekking brengt, dat hijzelf uit deze lichtsubstantie is voortgekomen.
Dat zijn lichaam slechts het omhulsel is, maar niettemin mede doordrongen kan worden van deze bevrijdende lach en deze niet eindigende vreugde. Zonder twijfel is het lichaam machtig over het bewustzijn en vertegenwoordigt het de ontmoetingsplaats, dmv zijn zintuigen, van alle mogelijke aardse stromingen en in-vloeden, die op zichzelf een grote consternatie teweeg kunnen brengen. Maar de kracht van de lichtende geest zegeviert.

Het is de liefde tot het leven zelf, de ene tot allen, de stralende die zich al duidelijker en duidelijker zal voordoen in de wereld waardoor er meer en meer mensen komen die haar ontmoeten, haar herkennen en haar willen. Hier is het woord. Want het waarachtig willen, het onvermengde echte willen is zelf een lichtkracht, is zelf als een bliksem van stilte en innigheid, zoals daarmede de geboorte van de mensenzoon als een onmiddelijk gegeven is vergeleken.
Want dit willen is een vermogen. Het is tegelijk een kunnen. Wanneer het is ontwaakt in de ziel, wanneer het wordt beleefd en gevoeld door en door, dan weet de mens op dat ogenblik dat hij deel heeft aan een Goddelijke kracht, een geschenk dat voor hem op dat ogenblik het hoogste is dat hij ooit zou kunnen ontvangen. Een zegevierend beginsel dat niet zijn persoonlijkheid zelve is, maar waarnaar alles in zijn persoonlijkheid zich gaat richten en waarvoor al het andere - en dat is zeer veel - zich buigt. Niet in een valse of verradelijke deemoed en schijnheiligheid, maar als een vanzelfsprekendheid, omdat het mensendier dat zozeer kan huishouden in het menselijk lichaam, nu zijn meester heeft gevonden en beteugeld wordt.

En plotseling is hier de bestemming. De zwakke mens wordt opgericht. Hij komt tot de onvergelijkelijke ontdekking dat hij zelf wil is, dat hij geestkracht is, dat hij een nieuwe geboorte is, een nieuwe innerlijke gestalte krijgt en dat God in zijn centrale wezen in zijn middelpunt zich bekend maakt.
Dit is mogelijk als hij van goede wil is, maar van goeden wille zijn wil zeggen dat de kwaliteit van zijn wil niets te wensen overlaat, dat geen enkel ander affect, hetzij van het lichaam, hetzij van de ziel, of het de tegenstellingen van leven en dood betreft of van enige andere macht op aarde of in de hemel, of het zaken zijn van gezondheid of ziekte, er zal niets van enig ander gehalte zijn dat deze goede wil beïnvloeden kan. Mocht dit wel het geval zijn, dan is hij niet goed genoeg. Het is deze wil zelf die van een Goddelijk gehalte is, dat zij voor de mens die haar kent een enige en uitgemaakte zaak is.

Trouwens, wat zou het anders betekenen: 'dood, waar is uw prikkel, en hel, waar is uw overwinning'. En ik zie de naakte jongeling weer die, door de meute met zwaarden en stokken bewapend, werd bedreigd nadat allen de meester in de steek hadden gelaten. Hij was slechts gehuld geweest in een laken en was de enige die was gevolgd. Toen ze hem echter grijpen wilden, hielden ze alleen maar het laken in hun handen. Hijzelf wist aan hun greep te ontkomen.
Dit tafereel illustreert de onmogelijkheid de innerlijk naakte mens schade of leed te kunnen berokkenen. Hij is ongrijpbaar en behoort tot de wereld waar alle tranen worden afgewist en waar geen laster meer is. Wie en wat hebben de barbaren nu eigenlijk gekruisigd? En wat doen de mensen, wie en waar ook, nog steeds? Het is dit willen dat de enige kracht van de geest is. Het vertoont geen uiterlijk geweld, maar is een zwijgende kracht. Het is het vermogen zich onzichtbaar te maken en onaantastbaar. De eigenlijke mens is goed opgeborgen in de schijnmens en in zijn omhulsel omgeven door allerlei weerspiegelingen, die overgave eisen aan de machten van haat, miskenning, 'weten willen', heersen en bloedlust. Machten die steeds dreigen met: als je niet... dan...

En al deze machten, legio in aantal, zullen zich ergeren aan de hoeksteen waarop de mens zich te allen tijde kan verlaten; zij zullen ondergeschikt worden gemaakt in de orde en kwaliteiten, waarin ze als evenzovele impulsen zijn ingedeeld. Niettemin wordt dit heir van begoochelingen en weerspiegelingen, die hun geboorte vinden in het brein, opgelost.
Het menselijk lichaam en de ziel zijn vervuld van miljoenen krachten. Ieder dezer krachten kan regeren in het bewustzijn van de mens en indien hij hierover de beschikking zou kunnen krijgen betekent dat een oneindige rijkdom, omdat zij zich kleuren en richten in overeenstemming met zijn eigen hoog vermogen. Zijn allerinnerlijkste wezen, dat hij in zichzelf vermag te beleven en gewaar te worden, strekt zich uit tot zijn eigen oorsprong, tot regionen in het gevoelsleven, dus zijn innerlijk leven, die aan de Godheid reiken.

Waardoor een mens bezield en vervuld kan worden van de kracht en onmetelijke liefde van de levende God. Het ligt voor de hand dat dit de enige mogelijkheid inhoudt van een totale vervulling van al zijn streven en zoeken, de enige opgave die al zijn offers aan leed, teleurstelling en gebrokenheid waard is.
In dit hoogste gevoelsleven is het enkelvoudig licht, dat het oog des mensen is en het talent der onderscheiding bezit, werkzaam en het stelt en de mens in staat om te zien wie en wat hij ontmoet en zich aan hem vermag te openbaren. Daarom is er geen andere weg dan de weg door zichzelf en voorbijganger worden in het gevoelsleven en nergens stil bij staan dan bij het ene, dat de onverstoorbare vrede, de lichtende vreugde zelf is.

Het is dit vermoeden dat ontwaken kan temidden van alle chaos en verwarring in ons zelf temidden van verstoordheden en ergernissen, van tegenstrijdigheden en gejammer, van wanhoop en ellende en zelfs onmenselijkheid en pijnen, een vermoeden dat groeit meer en meer tot zekerheid, in de bereidheid de stilte binnenin deelachtig te worden en afstand te doen van alle lijden en alle ontevredenheid en wat daarmede samenhangt.
Op die wijze leren wij meer en meer bij onszelf te blijven en een kern van onbewogenheid te onderscheiden, die geen stenen pit noch levenloze substantie is, maar door en door levenschenkend en stralend als een zeer sterk licht.
Het komt erop aan deze scheppende en positieve kracht te verdragen en er zich al meer en meer open voor te stellen en haar het oppertoezicht te schenken over alles wat in ons gebeurt, zowel in het lichaam als in de ziel.

Barend van der Meer