woensdag 6 januari 2010
10. - Het verloren schaap
Het was een kudde van honderd schapen en een ervan was ongehoorzaam en onttrok zich aan de troep en werd tot een zondig schaap. Het deed niet meer mee en nam zijn weg naar de bergen.
Waarom? Het was eigenzinnig en wilde weg zijn, waarschijnlijk helemaal weg en niet meer aanwezig. Het zocht niet de dood maar de eenzaamheid. Het zocht de verlorenheid. Het mankeerde, het was er niet meer. Dat nu was de eigenlijke zonde. Er niet meer zijn. 'Chata' dat eenvoudig betekent mankeren, een fout maken, iets doen ontbreken.
Het verloren schaap heeft inbreuk gemaakt op de bestaande gang van zaken. Het luisterde nergens meer naar en waar blijf je dan. Het sloeg geen acht op het geboren zijn in de collectiviteit van het dagelijks leven, in de veiligheid der gehoorzaamheid aan de clan, de stam, de familie.
Wat is dat voor een drang die het schaap verleidt de bergen in te trekken of de woestijn? Was het gebeten door de slang die het verward had met de vruchten van de boom der kennis van goed en kwaad? Of had het gehoord van de levensboom met zijn overvloed aan goddelijke gaven? Of had het vernomen van een leven dat men moest verliezen? 'Want zo ge niet verlaat alles wat ge hebt...'. Was het daarom?
Of zocht het de schoonheid van het ware leven waarvoor het zich moest kunnen losmaken van allerlei banden die hem willen weerhouden oprecht te zijn omdat in het gebonden zijn de angst schuilt. Was het een moedig schaap die de banden met zijn zusters en broeders achter zich had gelaten, de vermeende veiligheid voor zich in gevaar bracht en de geborgenheid vaarwel zei? Volgde het toch een stem in zich zelve dat het leven iets anders moest zijn dan een ingeslotenheid, een eigen huid onder vele andere huiden, een eigen hachje en de zorg daarvoor en de moeiten en de onrust en de wanorde?
Een eigen stem volgen is een hachelijke onderneming. Is het koppigheid of herinnering? Is het eigenwijsheid of geweten? Geweten niet als een affect der opvoeding van: 'dat alles niet mag', maar geweten als de stille stem van het gewetene, de stille stem die herinnert aan waar-zijn en vrijheid, aan een andere wereld, misschien in het generzijds in ons zelf.
Ligt er op de bodem van onze ziel niet een schoon rijk, een rijk van licht en vreugde en helderheid en onbevangenheid en openheid? Was er misschien, zo'n schaap toch, een gemis, een afwezigheid, een zonde in bovengenoemde zin en kende het de onweerstaanbare drang naar deze leegte aan te vullen en compleet te maken om dan weer terug te keren tot de verlaten kudde waardoor voor hem het honderdtal weer volledig was. Dat ene schaap, een op de honderd, had dat enig vermoeden van die missing link in zichzelf, van het ontbrekende en zette het alles op alles? D.w.z. het verliet alles, om deze schakel ' met alles' weer terug te vinden. Wat was die schakel?
Is niet ieder mens betrokken op het land van zijn afkomst? In ieder is de lichtschakel die hem met zijn oorsprong verbindt. Deze terug te vinden is het vinden van het innerlijk kleinood. Het zich losmaken van allerlei dwingende overheersingen en eigenaardig bindende tirannieën, biedt een eindeloze schakering van wederwaardigheden die in een bonte veelheid worden beleefd. Dit gaat gepaard met nu eens een verschrikkelijke strijd die tot in het merg wordt gevoeld en dan weer met een uitzicht op humoristische in- en doorzichten omdat de weg ter bevrijding tenslotte door vreugde-fanfares wordt begeleid. Natuurlijk worden deze spontane uitingen in vele gevallen tot stille ingetogenheid teruggebracht.
Er is veel overeenkomst met de tien fasen van de verloren os zoals die in de Zen-leer tot ons is gekomen. De herder gaat uit om zijn weggelopen os te zoeken. Hij is 'verdwaald op de onbegaanbare paden van de verre bergen'. Wie weet was ook hij op weg de grazige weiden te ontdekken. De herder is vele malen het spoor bijster maar eindelijk vindt hij het.
Het eerste spoor is gering en nauwelijks te herkennen. Het is moeilijk het niet over het hoofd te zien. Is het niet altijd als het zoeken naar iets kleins, een zachte klank, een stille klop? Speuren we niet altijd naar de ontmoeting als naar een kiem, een gering geworden leven, een tarwekorrel die verging in de aarde, een penningske, een muntje, waarvoor het hele huis werd ondersteboven gehaald? Iets dat pasgeboren was? Het kindje dat nog niet eens geglimlacht heeft? Het stille uitzien, het wondere sentiment, het nog onberoerde en zachte. Het zachte overwint het sterke, zegt Lao Tse. Het geringe overwint het grote. Het kleine spoor leidt tot de overwinning al is het dan na hevige strijd.
Want de herder vond de os. In het Zen-beeld was het een verschrikkelijke strijd hem te overmeesteren en te temmen. Hij was namelijk helemaal verwilderd geworden. Maar het gelukte. Het is het ogenblik 'dat het lied van de nachtegaal klinkt'. Hier op deze schone plaats kan niets zich verbergen. De wind is zacht en de wilgen zijn groen langs de oever. Maar de kracht van de os is onuitputtelijk. 'Hij stormt naar het hoge plateau boven de wolkennevels of staat plotseling in een onbetreedbaar ravijn'.
Maar de herder heeft hem overwonnen en maakt hem gehoorzaam en rustig. Ongeboeid volgt hij tenslotte zijn meester en deze zet zich schrijlings op zijn rug. Hij haalt zijn fluit tevoorschijn en melodiërend komt de herder thuis.
O, dat thuiskomen. De deur is open en niets is er dat hem weerhoudt. Het uitzicht is schoon en vrede ademen aarde en hemel. De verre bergen doen alle strijd en lijden vervagen. De os ligt vertrouwd te herkauwen in zijn stal. Alles is terug. En in die heerlijkheid vergeet de herder de os, verlaat zijn huis en keert zich naar het vele en de mensen om te vertellen hoe hij zijn verdwaalde os gevonden had en hoe blij hij was.
Maar in de geschiedenis zoals wij die kennen is het kalf, het schaap, het lam weerloos. Het is stil en rustig als het wordt gevonden en de herder neemt het op zijn sterke schouders en vlijt het om zijn hals en brengt het weer thuis.
Wat heeft het lam gevonden door gevonden te worden? De open deur die toegang geeft tot de eeuwig grazige weiden! De volheid van het ware leven waarin geen verboden zijn, geen angsten en geen overtredingen. Want alles ademt er harmonie en de goedheid van het leven. Wat is er dan te overtreden en wat voor zin heeft daar de angst? Daar is het binnengaan in een nieuwe wereld. In ons het geringe spoor, het niet geziene dat toch de oorsprong is van alle werkelijk zien. Het verbindt ons met de andere wereld in ons over de drempel van de open deur.
De mensenzoon is de innig liefdevolle en zeer schone en stille mens, de mens van het ontkiemen van het verrijzende leven, van de wedergeborene. Als de grote verandering heeft plaatsgehad is er geen onderscheidenheid meer voor het schaap in zijn verlorenheid, de zoekende herder en de mensenzoon als open deur. Het is alles één geworden.
De geschiedenis van het verloren schaap leert ons dat het leven bij het einde begint. Het leven loopt ten einde en dat is tot aan de grens. Maar de grens van wat? De grens van ons lichaam? Onze huid? Blijven we in onze huid tot ontbinding overgaan of is er een moment, een moment der verlorenheid dat wij over een drempeltje ontsnappen naar 'de andere wereld'? En wat is eigenlijk die andere wereld?
Het is dezelfde wereld waarin ook de naakte jongeling ontsnapte die het nachtgewaad achterliet in de grijpende handen van zijn achtervolgers. Er is een moment binnen in ons waarop we over het drempeltje gaan als we tenminste willen. We hebben dan 'als de kinderen' onze kleren onder de voeten als een bundeltje gelegd en naakt gaan we over de drempel.
Deze overgang is een einde en tegelijk een nieuw beginnen. Iemand die dit moment vindt in het ogenblik waarin hij leeft, heeft het voor altijd gevonden. Want het afscheid staat altijd voor de deur. Dit behoeft niet zijn neerslag te vinden in een zwaar op de hand memento mori. Het gaan van onze levensgang is als het vallen van de ene voet op de andere. En ligt daarin niet het hachelijke moment? Want er is een ogenblik dat we op één voet staan. Dat behoeft niet te betekenen: met de ene voet in het graf, nee, maar met de ene voet in wat nog niet eerder is geweest. In het nieuwe. Het binnengaan in het nieuwe bij iedere stap; dat is ieder ogenblik.
Wat verbindt de interval tussen systole en diastole, het ja en het nee, het ene en het andere, yang en yin, de in en de uitademing, het begin en het einde? Wat rijgt het ene aan het andere? We weten wat de klop is van het hart. Weten we ook wat de klop is van de ziel?
Simone Weil zegt dat het Griekse woord dat men met geest vertaalt, letterlijk vlammende adem betekent, adem met vuur vermengd. Dan brengt ons die vlammende adem dicht bij de wedergeboorte die in onze ziel plaatsgrijpt in een vermenging van water en vuur. Wat wordt geboren uit de in- en uitademing, uit onze hartenklop, uit Ik-inademen en Aum-uitademen. De kracht van bim-bam en tik-tak. Waar is het einde van I en het begin van A? Het kostelijk onnoembare moment tussen 'niet meer en nog niet'. Hier ligt de open deur. Hier is het ogenblik ter ontkoming, het ogenblik der verandering.
Hier is het begin van het eind. Hier is de doorbraak van de huid, van de begrenzing en het binnengaan in een nieuwe wereld. Al het andere heeft de mens verlaten. Zoek dit kostelijk moment, niet van de man, noch van de vrouw, maar van de mensenzoon als open deur. Dit is de open deur ter ontkoming en het mensenkind gaat zijn eeuwige vrijheid en zaligheid tegemoet.
Als de herder het verloren schaap gaat zoeken verlaat hij zijn relatie met de kudde. Hij zegt niet: o, die kudde is sterk genoeg en redt zich wel. Niet daarom gaat hij het verlorene zoeken. Nee, maar zijn aandacht is bij het verlies van het zwakke, het zwakke punt, de zwakke schakel, de zieke, de mindere, de verlatene en de verlorene. Dit is het wat hij naloopt. Want dit is het ook dat bij zijn terugkeer met het gevonden schaap de kudde, het geheel in stand houdt. D.w.z de honderd is weer compleet - het volmakende is weer als een blijvende werkzaamheid in de collectiviteit aanwezig.
In het zwakste van zijn kudde ligt het behoud van het geheel bewaard. In het allerkleinste speelt en beweegt het volkomene. De kudde is geen volkomenheid. Dat is iets dat verlaten worden kan. De kudde is een gezamenlijkheid, een kracht en macht, een sterkte, en zijn leiders gaan vooraan. Maar in het kleine, het verlorene, het uiterst fijne, het atoom, het zielevonkje van de geest, daar ligt het eeuwige onuitblusbare beginnen, in de beginne, het onuitroeibare en onsterfelijke, het blijvende en het trouwe, dat is de open deur, daar is de mensenzoon.
Want de mensenzoon gaat niet vooraan. Hij draagt geen vaandel en roert geen grote trom. Wie ziet hem? Wie ziet hem eigenlijk? Niet doordat men beelden voor hem opricht en prachtige kathedralen. Niet als men roerend eenvoudige kapelletjes langs de weg plaatst, ofschoon het bouwseltje zeer nederig is, bijna een stal. O neen, wil men hem vinden, die de open deur is in uzelf, ga dan de lange en moeilijke en steile weg en laat u niet afschrikken. Al die verschrikkingen zijn maar de spiegelbeelden van uw eigen angsten en vrezen en dus niet werkelijk.
Daarom: volhard tot het einde want daar wacht u een nieuw beginnen. Subtiel, verborgen, stervend, vergaand, ontbindend, en in al die vermenging de verrijzenis van de glans die een zang is, van het woord dat een licht is, van de schoonheid die de liefde is. Daarom: het kan niet missen. In het spoor is het begin van het vinden. Het spoor is ook in de vrucht die ten dode is gewijd. In de verrotting van de vrucht vangt de boom in zijn voleindiging aan. De oude boom leeft voort en blijft bestaan gelijk de kudde. Maar de nieuwe vindt een begin in de ondergang van de vrucht. De vruchten vallen af, zij verlaten de boom en vallen in de aarde en ontbinden en daarin veroorzaakt de boom zichzelf wederom tot boom.
De verdwaalde jonge vruchten zijn als de verloren jonge dieren, het lam Gods, waarvoor de goede herder zijn leven laat. De goede herder laat het om het zelf weer te ontvangen, vernieuwd, in de glans van het beginnen en wordt weer tot vrucht in een eeuwig rijpen. De goede herder laat het om het zelf weer te ontvangen, vernieuwd, in de glans van het beginnen en wordt weer tot vrucht in een eeuwig rijpen. De goede herder is het eeuwig rijpend beginsel in de mens, onuitroeibaar als het mysterie van het leven zelf. De goede herder, de mensenzoon geeft van ogenblik tot ogenblik zin leven als een ononderbroken geboren worden, een ononderbroken vernieuwing. Er is geen plaats voor vasthouden, voor zelfhandhaving of perfectionering.
Zij die zichzelf zoeken in zelfzuchtig drijven zijn geen ware herders. Zij zijn de bedervers, de machthebbers, de slavenhouders en de dwingelanden.
Zij roepen zich uit als herders der verlaten kudde, bemoeien zich met de menigte als massa waarover zij zich ontfermen. Zij nemen ingrijpende maatregelen, keren de dingen binnenstebuiten, leven met hen in een voortdurende omwenteling, verbeteren en breken af, maken zich oneindig druk, hebben haast, brengen slagen toe als ze het nodig vinden en komen dan weer met pleisters om op de wonden te leggen. Ze zien niet op tegen ontelbare moorden, intrigeren altijd en gaan vooraan met ijzeren gezichten en gepantserde vuisten. Ze geven altijd maar leiding en delen taken uit en opdrachten. Als de omstandigheden het nodig maken schieten ze op hun medemensen, plaatsen ze in kooien of nemen hen gevangen.
En onderwijl gaan geslachten onder en maken plaats voor nieuwe, eindeloos. Van een open deur hebben zij nooit geweten of ze zeggen in mateloze zelfverheffing: dat zijn wij. Zij zijn de grootste vijanden van het geestelijk leven in vrijheid, waarheid en schoonheid.
Merkwaardig is dat herinnerd wordt aan de ene zondaar die zich bekeert en meer vreugde onder de engelen oplevert dan de 99 anderen die de bekering niet nodig hebben. Daarom begrijpen wij de vreugde die de vrouw beleefde als zij het verloren penningske weer had gevonden. Zij ging feesten met de buurt en kon haar geluk niet op. Zij moest het delen met de anderen. Er was geen andere mogelijkheid. Zij kreeg door het terugvinden van het muntje deel aan de vreugden der hemelse scharen, te beginnen bij de Seraphim en te eindigen bij de aartsengelen. Zij ontdekte dat de hemelen lachen, de vreugde Gods bij zoveel openheid.
De blijheid om het geringe, het kleine ogenblik waarin de reddende genade zich kenbaar maakt. Bij de Zenmeesters is het de les van de os, bij de bijbellezers is het het schaap en het bescheiden muntje of de tarwekorrel en het mosterdzaad. Het is overal ter wereld hetzelfde waar het oog ook speurt, het zal het kleine en geringe vinden. Het doet er allemaal niet toe. Of het vee is of geld. Er wordt niet meer gespaard en niet meer gerekend, want door de open deur stroomt de goedertierenheid binnen en de overstelpende stroom uit de hoorn des overvloeds. Daardoor gaat alles in elkander grijpen en weten we wat het zeggen wil in het geheel te leven, in de wisselwerking van alles en allen, in het eeuwige stirb und werde waardoor de mens opeens geen 'trüber Gast' meer is op dit arme ondermaanse.
Het is dan nodig dat wij onze ziel weer terugvinden. Dat we haar fijne en zuivere aanvoeling wederom verwerven. Dat het innerlijk 'oog' de fijnste beweging in het opkomende leven van het hart bespeurt.
Het kleinood heeft een schone glans. Ge kunt het nooit verkopen al zou men u ook alle schatten der wereld bieden. Want het heeft geen prijs. En hij die dacht het te kunnen kopen zal slechts al armer en armer worden. Ook kunt ge het niet schenken wanneer ge het gevonden hebt. Aan wie zoudt ge dit moeten doen, want niemand kan de waarde kennen die het zelf niet verworven heeft.
Daarom, ik werp het weer in de oceaan van mijn verlorenheid en het zal zeker weer uit de golven verrijzen en de verrukking zal zo zijn alsof zij nooit een einde neemt, als de vreugde van een eeuwig vernieuwd wederzien.
En de mensenzoon zal staan op de drempel van het nieuwe beginnen, altijd en altijd. Dat is de open deur en wij begrijpen de vreugde die een mensenkind ten deel zal vallen en die zelfs die der engelen zal te boven gaan.
We hebben een waarachtig geweten dat nooit begeleid wordt door angst en bedreiging der opvoeders. Nooit door: je moet. Het geweten zegt niet: Je moet. Het kent geen bevel. Het heeft een fluisterende stem en werkt als een herinnering. Als de zang van een verre vogel. Het geweten als een herinnering is eerst vaag als een belofte die bijna niet te geloven is, een herinnering aan het land van generzijde waar geen mens is afgesloten, al heeft hij zijn ziel nog zo afgegrendeld.
Het helpt niet. Het aldoordringend-noodwendige, de stem van de roepende, de zachte stem, de stil naderbijkomende, de hand die zich uitstrekt om het stervend vogeltje weer op te nemen en de kracht die het vogeltje maakt tot een zich verheffende phoenix verrijzend uit de brand. Het bespeuren van het nieuwe, dat binnengaan is in het binnenste, de ademtocht die is als vuur en die ons beroeren komt alsof reeds de aarde brandt. O, het is te bemerken, te horen, te gevoelen, te beleven en wij zeggen: zo fijn is de stem van het geweten, zó fijn:
Mijn oor speurt naar beweging in de adem van mijn ziel.
Ze blaast mij aan en ik luister vol verwachting.
Ze vraagt zich mee te delen in mijn taal en ik verga bijkans en zeg: hoe moet ik dit vertalen, dat ieder mij verstaat?
De stem zegt: ik ben zonder zorgen, dus wees zelf onbezorgd.
Ik ben zonder vrees, wees zelf ook niet bevreesd.
Ik kom tot u als adem van het leven dat niet vergaat.
Geef mij uw adem en ik ruil met u.
Geef mij uw stem in uwe taal en ik schenk mij aan de uwe.
Ik ben wel als een vuur maar ik verschroei u niet en het licht dat ik verspreid dat is vol zaligheid.
De deur staat open wijd, en ik kom binnen op uw roep en verlaat u daarom niet meer wat er ook kan gebeuren.
Ik ben de minnaar van uw ziel en deze ziel is mijn.
Omdat ik haar bewoon, doordring, liefheb en vervul.
Ge maakt uw innerlijk tot mijn bruid en samen leven wij, nooit meer te scheiden in het hoog vertrek.
De vervulling der verlorenheid.
Dit zwakke ogenblik, hoe ongrijpbaar is het. Het vlucht onmiddelijk weer weg. Niet vasthouden, stil blijven en de beweging volgen als een eerste hartslag. Luister met het zuivere geweten en maak het aan het oor gelijk. Dat is op de grens van alle weten, van zeker weten, want zie daar ligt het open land. Vervaagd is de grens tussen gisteren en vandaag. Opgestaan is de herinnering, die werd tot zekerheid in aanwezighdeid.
Is dat niet de bezinning? Het speuren van het ene ondoorgrondelijke, in nemen en in geven, in verwekken en in baren, in geboren worden en sterven, de ononderbroken gouden draad van het lied van het open leven, het lied van de mensenzoon.
Barend van der Meer
zaterdag 28 november 2009
3. - Aandacht voor het ogenblik
Het vertrouwen berust op zelfervaring en zelfbeleving waarbij we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn. Het is niet een makkelijke weg. Er zijn zeer vele 'verleidingen' en 'ijdelheden' die ons verstrikken kunnen en verblinden met alle mogelijke bindende machtsvoorstellingen, die een bron zijn van evenzovele teleurstellingen. Het is ons te doen om zelf te zien en te onderscheiden en geen angst te hebben al wil het ons soms voorkomen op de 'verkeerde' weg te zijn. Ook gaat het niet aan onze medemensen erop te betrappen of attent erop te maken dat ze het 'niet goed doen'.
Want het 'goed doen' (Eén is goed) hangt af van de wijze waarop ons innerlijk leven zich ordent. Ge kunt er volstrekt zeker van zijn dat u op de goede weg raakt als u het echt wil. De goede weg ligt in het onvoorwaardelijke geloof en vertrouwen in u zelf, uw zelfkwaliteit, het unieke beginsel van uw eigen ondeelbaarheid, uw ware en werkelijke individualiteit, de grondslag en basis van uw echte persoonlijkheid. In welk een toestand zich iemand ook moge bevinden, hetzij wanhoop, twijfel of angst, laat hij zich nooit en te nimmer laten beroven van de waarachtige wil tot de eigen bestemming.
Angst is de grote boosdoener, het grootste kwaad en oorzaak der menselijke ellenden. Hoe legio ook de vormen zijn en machten die u van de weg tot u zelf zouden willen weerhouden, het is de grote kunst zich hierdoor niet te laten intimideren en imponeren. Naarmate het ware Ik, het Zelf in ons werkzaam wordt, zullen we deze werkzaamheid in ons kunnen gewaarworden. Dan krijgen we bewust deel aan innerlijke wording en ontplooiing, die, naarmate ze dieper wordt gevoeld, ons vertrouwen op een innige manier versterkt en ons in de 'structuur' van de geestelijke ziel (Neshama) het besef van volstrektheid en zekerheid en tenslotte onwankelbare onverstoorbaarheid schenkt. Hierdoor ervaren we de kracht der innerlijke noodwendighheid die aan ons leven een ontplooiing verschaft waar uiterlijke wetten en bemoeienissen niets aan kunnen toe- of afdoen. Het ligt voor de hand dat we daar zèlf veel toe kunnen bijdragen door er aandacht aan te schenken.
Ik heb u al eens geschreven over 'concentratie en meditatie' in WAAIENDE BLADEN maar ik zal deze weg opnieuw met u gaan in deze 'brieven', zo mogelijk stap voor stap. Het is beslist noodzakelijk daarin leiding te krijgen en het is niet onmogelijk deze langs schriftelijke weg te geven. Ik verzeker u dat ik hierin zeer zorgvuldig zal zijn en er naar zal streven niets over het hoofd te zien. De toepassing ervan vereist in de eerste plaats geduld terwijl iedere gespannenheid moet vermeden worden. Men kan niet met gebalde vuisten gaan concentreren. Iedere vorm van agressie en eerzucht moet eenvoudig uitgeroeid worden en dit kan alleen door eerlijk met zichzelf te leren omgaan.
Zelfs met het woord concentratie ben ik voorzichtig, juist omdat het zo'n grote inspanning suggereert. Daarom houd ik hier meer van het woord aandacht, een functie die aan graden onderhevig is en die tot grote hoogte of diepte opgevoerd kan worden. Het dagelijks leven biedt genoeg gelegenheid dit vermogen te trainen en op te brengen. Het is iets dat geheel vrijwillig van ons zelf uit kan gaan en dat we zo zeer tot onze beschikking behoren te krijgen dat we de vrijheid om haar te schenken ieder ogenblik gevoelen. Trouwens, de hele weg zoals we ons die voorstellen komt neer op de ontwikkeling van ons wilsvermogen. Het is de bewustwording ervan. In ieder mens ligt een onzegbaar groot reservaat van wils- en geestkracht.
De wil is een aspect van de geest en het is onze wil in de eerste plaats die ons een besef van geestelijk leven geeft. Daarom is het geestelijk leven zoiets reëels; voor de mens het meest werkelijke in zijn bewustzijn. Wat is er reëler voor u dan iets echt te willen? Daarin ligt het beginsel van onze eigenlijke zekerheid.
Het 'van goeden wille zijn' is de eerste stap. U zult ontdekken dat uw geestkracht voortkomt uit een verborgen welbron. Het is een eeuwige kracht en het gaat er om dat wij ons laten leiden en vormen, niet door een ander maar door die oer-eigen kracht. Zonder deze kracht van het Zelf, dat erin geworteld is, kunt ge niets doen. 'Zonder Mij kunt ge niets doen'. Het is niet juist van dit Ik of Mij een 'iemand' te maken. Dat we zulks niet doen heeft niets met hoogmoed uit te staan. Integendeel, het komt voort uit een diep geworteld vertrouwen dat de eigenlijke schepping in de mens geschiedt. De mens is een verschijning uit iets onzegbaars en eeuwigs. Dit verschaft hem innerlijk een voortdurend zich vernieuwende gestalte die zich zozeer kan versterken en 'waar maken' dat zijn tijdelijke verschijning ervan doorbroken en doorstraald kan worden.
Ieder mens schept zijn eigen vorm. Iedere gedachte, ieder 'gevoel', affect of drift, iedere neiging of angst werkt zich in zijn lichamelijk organisme uit. Het is te begrijpen dat het mogelijk moet zijn door middel van onze geestkracht heerschappij te verkrijgen over het machtige, zeer uitgebreide complex van onze animale, lichamelijke en fysische functies, die in de regel ons bewustzijn vervullen met evenzo vele nooddruften en werkelijke of vermeende behoeften.
Het is een groot ogenblik in ons leven als wij de superioriteit van de geest verkiezen boven het lichamelijke leven en in die zin 'de hand aan de ploeg slaan en niet om zien. Dit laatste leidt de eigenlijke zin in van de concentratie, het uit vrije beweging aandacht schenken aan het ogenblik waarin wij leven.
Want dit betekent ons van de onvermengde d.i. de vrije wil tot leven bewust te zijn en daardoor tegenwoordigheid van geest te betrachten. Want het vermogen tot aandacht (concentratie) op een vast of denkbeeldig punt brengt met zich mede een zich onttrekken kunnen op dat ogenblik aan al het andere. De consequenties daarvan zijn enorm en banen de weg tot de toegang van die geestelijke staat die zelfstandig en uit eigen beweging opbloeit in een verlichting waardoor het rijk van de geest gekenmerkt wordt.
Hierin ligt het geheim van een afscheid nemen van het gecompliceerde en vaak smartelijke leven waarvan gezegd is dat we eerst ons leven moeten verliezen om het daarna in ongereptheid en heerlijkheid wederom te kunnen aanvaarden. Dit is een paradoxale toestand die wel eens aangeduid wordt met het ik-loze Ik of het zelfloze Zelf.
Voor het beoefenen der concentratie is het nodig regelmaat te betrachten in uw steeds weer terugkerende 'training' op een tijd waarn u niet gestoord zult worden.
Dus zo mogelijk op hetzelfde uur. Als u er mee begint is het zeer raadzaam er niet van af te wijken en de beoefening er van niet te onderbreken en ze eenvoudig deel te laten uitmaken van uw dagelijks leven zoals andere regelmatig terugkerende functies.
Ge begint met aandacht te schenken aan de tijdsduur van twaalf seconden en dit op een uurwerk te controleren. Zodat u zich met deze tijdsduur vertrouwd gaat maken. Dan gaat u uw wil richten op één punt gedurende die korte tijd. Onvermengde aandacht is is onvermengd willen, dus vrij zijn op dat ogenblik van ieder affect of neiging. Dit zolang voort te zetten tot het u na enige weken gelukt geheel stil zonder zich door een opkomende gedachte of opwelling te laten verstoren, zich op één punt te concentreren (gedurende twaalf seconden).
Het zitten moet los en gemakkelijk zijn. Niet leunen noch liggen maar de voeten plat op de grond met ontspannen rug en de handen rustig op de knieën. Ge moet rusten in de lengte van uw wervelkolom, rustig de adem onder controle hebben en uw 'zit' hebben op uw stuitbeen.
Uw aandacht wordt tot een vermogen zich te kunnen onttrekken aan al het andere zolang ge u hiermede bezighoudt (een half uur of meer). Grote regelmaat is nodig om tegenzin en traagheid te leren overwinnen. Ge moogt u niet meer met bepaalde gedachten of affecten kwellen. Er nooit mede strijden maar ze leren loslaten door uw aandacht stil en ongedwongen gericht te houden op een punt, een woord, een letter, een voorwerp en naarmate ge vorderingen maakt op positieve en liefdevolle gedachten.
Betracht kuisheid, verminder uw wensen en aanspraken, laat u al minder boeien door zinlijke en prikkelende waarnemingen, beoefen met vreugde zelf-discipline, onttrek u aan ergernissen en verknoei geen kostbare tijd aan waardeloosheden.
De praktijk moet eigenlijk een inschakeling zijn in onze dagelijkse levensverrichtingen. We nemen immers onze zelfvorming ter hand en willen daarin een blijvende staat verwerven, een zich vernieuwende gestalte en ons daarin laten leiden door ons vertrouwen, willen en geloven, zodat we al meer en meer ondervinden welk een grote werkelijkheden deze krachten zijn. Want zonder zelfvertrouwen geen willen en zonder willen geen geloven. Laten we niet vergeten dat ons geloven niet meer in de eerste plaats zal berusten op een voor waarhouden van bepaalde feiten, een aannemen van dwingend gezag of een zich laten overtuigen door bepaalde leerstellingen. Ons geloof is eenvoudiger. We zoeken een vorm voor onze scheppende wil en vinden die geleidelijk in het opengaan van een nieuwe wereld waarin alleen de zich vernieuwende innerlijke mens toegang verkrijgen kan.
Er is geen andere mogelijkheid. In het vervolg zal de levensgang begeleid worden door een zekere opgewekte gelatenheid. Dit betekent dat er vele zaken zijn waaraan wij niet meer die grote waarde hechten zoals vroeger. We leren een 'laten' kennen, niet uit onverschilligheid, integendeel, maar we hebben een andere belangstelling gekregen zodat het soms gelijken kan, vooral in het begin, dat ons leven erdoor verarmd wordt. Maar laat u niet misleiden. De armoede van de geest is zelfs een voorwaarde voor de noodwendige vervulling. Deze vervulling is een geschieden van binnen uit en stemt tot grote dankbaarheid en liefde en warmte, die u op den duur nooit meer zullen verlaten. Ge kent waarschijnlijk het woord: 'Laat los, en ge zult losgelaten worden'. Het staat in Lucas 6:37. Het is een gemoedstoestand die de positieve en heldere onverstoorbaarheid inleidt. Zeer verwant hieraan is de zogenaamde metafysica van de Tao Te Tsjing. Volgens Richard Wilhelm, die er in het Duits zulk een schone vertaling van heeft gegeven, zijn alle uitspraken in dit kleine maar beroemde boekje gebaseerd op een zo fundamentele intuïtie dat daardoor aan het brein met zijn streng begripsmatige fixering geen toegang tot begrijpen is verleend. Intuïtie is de taal van het geestelijk leven (intueri = aanschouwen). Dit is namelijk een functie van het innerlijk zien, een zeer zuivere aanvoeling, een helderziendheid der liefde, die als een kosmische goddelijke kracht de ziel kan aanademen (aspiratie) of inblazen of inademen (inspiratie). Daardoor waren de eeuwige uitspraken van Lao Tse mogelijk. De grote verlatenheid in het gemoed die deze beschrijft activeert menig zoeker steeds weer opnieuw om toch maar het ongezegde te herkennen en te ervaren. Toch moeten we bij het lezen van de Tao Te Tsjing er rekening mee houden dat veel uitspraken hun oorspronkelijke helderheid hebben verloren.
Het stuifzand der eeuwen heeft de oorspronkelijke leringen veel schade gedaan. De enige mogelijkheid is zelf opnieuw te graven en de onsterfelijke glans der ziel weer aan het licht trachten te brengen.
Ik beëindig deze brief met een vertaling van het 38ste hoofdstuk uit de Tao Te Tsjing van Wilhelm.
Het hoge leven zoekt niet zijn leven,
aldus heeft het leven.
Het lagere leven zoekt zijn leven niet te verliezen,
aldus heeft het geen leven.
Het hoge leven is zonder handelen en zonder bedoeling.
Het lagere leven handelt en kent bedoelingen.
De liefde handelt en heeft geen bedoelingen.
De gerechtigheid handelt en heeft bedoelingen.
De moraal handelt en als men haar niet tegemoet komt
grijpt men de arme aan en roept hem ter verantwoording.
Daarom: ontbreekt de Zin (Tao)
dan is er geen leven.
Is de liefde zoek, dan komt de gerechtigheid.
Is de gerechtigheid zoek, dan de moraal.
De moraal is trouw maar schraal en armoedig van geloof
en het begin der verwarring.
Opzettelijkheid is de schijn van Zin (Tao)
en de aanvang van dwaasheid.
Aldus ook de juiste mens op de juiste plaats.
Hij verblijft in het volledige en niet in het behoeftige.
Hij blijft bij het zijn en niet bij de schijn.
Daarom laat hij het verre
en houdt zich aan het nabije.
Het hoge leven heeft niets te verliezen omdat het volstrekt zichzelf is. Het kan er zich niet op laten voorstaan dat het is zoals het is. Het is ook niet noembaar. Het behoeft zich niet te behouden want iets dat werkelijk is kent geen zelfbehoud.
Het lagere leven kan zonder zich te behouden willen niet leven. Het wordt bepaald door zijn affecten en de angst tot vergaan. Het laat nooit los. Daarom heeft het geen leven, maar koude en dood in zich besloten. Het wil zich niet verliezen juist omdat het alles te verliezen heeft. Het is het tijdelijke en vergankelijke leven dat men verliest hoe meer men het vast wil houden. Dit leven moet men uit eigen beweging laten. Dan blijft het hogere leven over dat men niet verliezen kan omdat er geen angst is.
Het hogere, warme leven is volstrekt doelloos en handelt niet. Het kent geen aandrift tot handelen. Affecten zijn daarin niet. Het IS. Het is door de eigen eeuwigheid. Het lagere, koude leven kent bedoelingen. De liefde, de hogere menselijkheid, handelt maar kent er geen bedoelingen mee. Wat wij gerechtigheid noemen en recht, handelt maar heeft wel zeker bedoelingen. De moraal handelt en als men haar niet tegemoet komt wordt ze handtastelijk. Men kruist de degen met de arme en roept hem ter verantwoording.
Daarom: keert men Tao de rug toe, dan is er geen leven. Tao betekent: de weg, ook in de zin van leven en waarheid. In Tao is nooit opzettelijkheid. Dit is slechts schijn en onwaarachtigheid; het begin van dwaasheid.
De juiste mens is de mens die de rechte weg gaat. Hij is een volwassene. Hij houdt zich niet op met het onvolledige. Voor hem is de Zin, Tao, in het ogenblik, en alles heeft hij gelaten. Het verre, toekomst en verleden, laat hij gaan. Hij verwerpt het verre en kiest het nabije. Daarin is de vreugde der gelatenheid.
Barend van der Meer
dinsdag 10 november 2009
De stille stem
Mijn oor speurt naar beweging in de adem van mijn ziel.
Ze blaast mij aan en ik luister vol verwachting.
Ze vraagt zich mee te delen in mijn taal en ik verga bijkans
en zeg: hoe moet ik dit vertalen dat ieder mij verstaat?
De stem zegt: ik ben zonder zorgen, dus wees zelf onbezorgd.
Ik ben zonder vrees, wees zelf ook niet bevreesd.
Ik kom tot u als adem van het leven dat niet vergaat.
Geef mij uw adem en ik ruil met u.
Geef mij uw stem in uwe taal en ik schenk mij aan de uwe.
Ik ben wel als een vuur maar ik verschroei u niet
en het licht dat ik verspreid dat is vol zaligheid.
De deur staat open wijd, en ik kom binnen op uw roep
en verlaat u daarom niet meer wat er ook kan gebeuren.
Ik ben de minnaar van uw ziel en deze ziel is mijn.
Omdat ik haar bewoon, doordring, liefheb en vervul.
Ge maakt uw innerlijk tot mijn bruid en samen leven wij,
nooit meer te scheiden in het hoog vertrek,
de vervulling der verlorenheid.
Barend van der Meer
zaterdag 31 oktober 2009
16. - Tarot, Kabbala en levensboom
De 22 hoofdkaarten worden de grote arcanen genoemd (van arcanum = geheim). Deze kaarten vormen het eigenlijke boek van de tarot, een boek dat stom is omdat een verklarende tekst niet aanwezig is. Later zijn aan deze 22 grote arcana nog 56 kleinere toegevoegd, die ieder op zichzelf niet van een gewoon kaartspel zijn te onderscheiden. Voor de symboliek van de tarot hebben ze niet zoveel te betekenen.
In het boek 'De Golem' van G. Meyrink spreekt rabbi Hillel als volgt over de Tarot: 'Heeft het je nooit getroffen dat het tarokspel 22 troeven heeft, juist zoveel als er letters zijn in het Hebreeuwse alfabet? Vertonen onze Boheemse kaarten niet ten overvloede nog prenten die blijkbaar zinnebeelden zijn? De nar, de dood, de duivel, het jongste gericht?
Beste vriend, hoe luid moet het leven jou de antwoorden in de oren scheeuwen? Wat je echter niet behoeft te weten is, dat Tarok of Tarot hetzelfde betekent als het joodse Torah = de Wet, of het oud-Egyptische 'taroet' = de geraadpleegde, en in de overoude Zendtaal (oud-Perzische taal, tot de Arische talen behorende, in de oorspronkelijke geschriften van Zoroaster gebezigd en later de heilige taal der Perzen - noot van de schrijver) het woord 'tarisk' = ik verlang antwoord.
Maar de geleerden zouden dat moeten weten, voor zij de bewering uitspreken dat het tarotspel afkomstig is uit de tijd van Karel de zesde.
En zoals de pagat de eerste kaart is in het spel, zo is de mens de eerste figuur van zijn eigen prentenboek, zijn eigen dubbelganger: de Hebreeuwse letter aleph, die naar de vorm van de mens gebouwd, met de ene hand ten hemel wijst en met de andere hand naar beneden: zoals het boven is, is het ook beneden;' (De Golem, vert. J. Lourens. UItgave van W. de Haan, Utrecht.)
Beste vriend, hoe luid moet het leven jou de antwoorden in de oren scheeuwen? Wat je echter niet behoeft te weten is, dat Tarok of Tarot hetzelfde betekent als het joodse Torah = de Wet, of het oud-Egyptische 'taroet' = de geraadpleegde, en in de overoude Zendtaal (oud-Perzische taal, tot de Arische talen behorende, in de oorspronkelijke geschriften van Zoroaster gebezigd en later de heilige taal der Perzen - noot van de schrijver) het woord 'tarisk' = ik verlang antwoord.
Maar de geleerden zouden dat moeten weten, voor zij de bewering uitspreken dat het tarotspel afkomstig is uit de tijd van Karel de zesde.
En zoals de pagat de eerste kaart is in het spel, zo is de mens de eerste figuur van zijn eigen prentenboek, zijn eigen dubbelganger: de Hebreeuwse letter aleph, die naar de vorm van de mens gebouwd, met de ene hand ten hemel wijst en met de andere hand naar beneden: zoals het boven is, is het ook beneden;' (De Golem, vert. J. Lourens. UItgave van W. de Haan, Utrecht.)
De oorsprong van de Tarot is niet te vinden. Daarom zegt men: het is zo oud als de wereld. Zijn traditie is esoterisch, een synthese van de oude inwijdingen in het geheim van God, mens en wereld. Zijn beelden zijn bijzonder boeiend en dynamisch. De mens herkent zichzelf in alle rollen die hij op dit ondermaanse speelt. Wat is er voor hem boeiender? In het boek van Woldemar van Uxkull vinden wij achterin een weergave van een beeldencyclus, die tot de zaal voert waar de inwijdingceremoniën gehouden zouden zijn in de tempel van Memphis (de piramide). Ze zouden de wanden van de gang naar het binnenste sieren, links en rechts 11 afbeeldingen. Indien dit geen vervalsingen zijn moet het Tarotspel van een onnoemlijke ouderdom zijn. Voordat de joodse Kabbala het als een vertakking tot zich genomen heeft (iets waarvan wij niet zeker zijn maar dat verschillende Franse schrijvers uit de vorige eeuw als vanzelfsprekend aannemen) moet het al eeuwenlang als een leidraad gegolden hebben om de Egyptische mysteriën toegankelijk te maken. Het is wel kenmerkend dat de 22 Tarotkaarten voorzien zijn van de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet.
Trouwens, ofschoon de geleerden en rabbi's van Israël voor zover zij kabbalisten zijn (en dat kan haast niet anders) erkennen dat de oorsprong van de wijsheid van de Kabbala in een voorhistorisch verleden ligt (Saffran, la Cabale, Payot, Paris) hebben zij toch een zeer sterk, zo niet onuitwisbaar stempel op deze inwijdingsleer gezet. Het woord zelf komt van kibbel, d.i. overlevering van God aan Mozes op de berg Sinaï van de Torah, de grondwet van het volk van Israël. In het werk van Saffran komt ster tot uiting dat een ware kabbalist alleen maar een jood kan zijn, want hij moet beslist een kenner van de Torah zij. Maar wat is in geestelijke zin eigenlijk een jood?
Thora is direct verwant aan Tarot. In de Tarot duiden de 22 letters en de figuren op situaties in het menselijk leven. Iedere illustratie is door de rangschikking in het geheel een uitgangspunt voor de volgende situatie. D.w.z. hoe onmogelijk de toestand ook is waarin zich het bewustzijn van de mens bevindt, er is altijd een verandering, een uitkomst mogelijk.
Als men deze mogelijkheid niet kan erkennen, betekent dit, geen geloof meer hebben in het waarachtige Ik dat de aanleg is tot de innerlijke, zich vernieuwende gestalte van de al-eenheid in de mens. Ontkent een mens zijn eenheid, dat is zijn ik, dan ontkent hij God waardoor hij het contact verliest met de oorsprong van het leven.
Merkwaardig is dat Thora en Tarot uit dezelfde letters zijn samengesteld. Het grote verschil tussen beide is, dat de Kabbala en dus ook de zijtak ervan, de Tarot, geen dogma erkent. er is een nog samengetrokkener beeld van de Kabbala, nl de Schalschaleth ha Kabbala. D.i. de keten der overlevering, waarin voorgesteld wordt dat het God is die de verbinding van aarde en hemel onderhoudt door een keten waarvan mensen de schakels vormen. Deze keten zwaait over de wereld, zodat de mens op aarde slechts heeft toe te grijpen, niet om opgetrokken te worden in het rijk van God, maar om een levende schakel te worden die van de aarde naar de hemel reikt en waardoor de mens een verbindend medium kan zijn tussen hemel en aarde om zo de mens in de hemel en God op aarde te brengen. Op die wijze zullen eens, dankzij die bijzondere leer, hemel en aarde een eenheid vormen. Dan is de tweeheid overwonnen en daarmede de veelheid en dus de oorspronkelijke eenheid van voor de schepping hersteld.
Het komt mij voor, dat die eenheid er veeleer altijd is geweest, maar dat de mens het contact ermede heeft verloren.
Als men deze mogelijkheid niet kan erkennen, betekent dit, geen geloof meer hebben in het waarachtige Ik dat de aanleg is tot de innerlijke, zich vernieuwende gestalte van de al-eenheid in de mens. Ontkent een mens zijn eenheid, dat is zijn ik, dan ontkent hij God waardoor hij het contact verliest met de oorsprong van het leven.
Merkwaardig is dat Thora en Tarot uit dezelfde letters zijn samengesteld. Het grote verschil tussen beide is, dat de Kabbala en dus ook de zijtak ervan, de Tarot, geen dogma erkent. er is een nog samengetrokkener beeld van de Kabbala, nl de Schalschaleth ha Kabbala. D.i. de keten der overlevering, waarin voorgesteld wordt dat het God is die de verbinding van aarde en hemel onderhoudt door een keten waarvan mensen de schakels vormen. Deze keten zwaait over de wereld, zodat de mens op aarde slechts heeft toe te grijpen, niet om opgetrokken te worden in het rijk van God, maar om een levende schakel te worden die van de aarde naar de hemel reikt en waardoor de mens een verbindend medium kan zijn tussen hemel en aarde om zo de mens in de hemel en God op aarde te brengen. Op die wijze zullen eens, dankzij die bijzondere leer, hemel en aarde een eenheid vormen. Dan is de tweeheid overwonnen en daarmede de veelheid en dus de oorspronkelijke eenheid van voor de schepping hersteld.
Het komt mij voor, dat die eenheid er veeleer altijd is geweest, maar dat de mens het contact ermede heeft verloren.
Als wij het oeroude ritueel bestuderen zoals dat door de Egyptische Dodenboeken tot ons is gekomen, worden wij geconfronteerd met de oer-geniale verlichte denkbeelden, die het oude volk van Egypte gedurende vele dynastiën heeft beleden. Voor het Westen namen deze verlichte en zeer troostvolle denkbeelden vormen aan, die nog steeds niet geheel en aldoorzien en doorvorst zijn. Het zou wel eens kunnen zijn, dat het gedachtenleven van onze tijd dat zo analyserend en dus ontbindend te werk gaat, de ware mysteriën niet meer kan bevatten. De rechtstreekse openbaringen ervan worden alleen nog door de ziel verstaan, in het bijzonder de verlichte ziel, 'the white bird', de Khu, het zinnebeeld van de heilige geest.
Er bestaat een reeks van zogenaamde Hermetische geschriften, het Corpus Hermeticum, een van de waardevolste oud-Egyptische onderrichtingen, waarin wij lezen: 'All Father-Mind, being Light and Life, did bring forth mind, co-equal to himself'. (dr. T.M Stewart, Symbolism of the God of the Egyptians). En nu vermoedt menige bestudeerder van de Tarot, i.h.b. uit de Franse school, dat de Tarot 'Het gouden boek van Toth' geweest is, dat in de tempel van de Sfinx werd bewaard. Dr. Henri Birven veronderstelt in zijn boek over de Tarot, dat de 'Tabula Smaragdina', die ook aan Hermes Trismegistus toegeschreven worden, ook deel uitmaken van dit Corpus Hermeticum.
Een andere geleerde kabbalist, Eliphas Levi (schuilnaam van l'abbé Alphons Constant) zegt, dat als je alleen maar dit boek meegeeft aan een gevngene, hij zich in weinige jaren tot een universeel genie vermag te ontwikkelen, indien hij het doorzettingsvermogen en de aandacht op kan brengen, die dit boek verdient. Kortom, het wordt beschreven als een stom geschrift, dat niettemin van een grote openbaringskracht is.
Trouwens, het zijn vooral de Franse onderzoekers geweest, die aan de studie van de Tarot zo'n sterk elan gegeven hebben. Tot de achttiende eeuw werd het spel gezien als een voorstellingswereld uit een barbaarse tijd, vol bijgeloof, een overblijfsel, waarvoor men niet de minste interesse kon opbrengen. Totdat een beroemd geworden geleerde, Court de Gébélin, in 1781 zijn nu nog gelezen werk het licht deed zien: Le Monde Primitif, in negen delen. In het 8e wijdt hij 60 bladzijden aan het tarotspel en zegt er het volgende van. - 'Indien men hoorde verkondigen, dat er in onze dagen een werk der oude Egyptenaren bestaat, een der boeken die ontkwamen aan de vlammen die hun kostbare en prachtige bibliotheken verslonden en die hun leringen bevatten over de zuiverste en belangwekkendste onderwerpen, zou en ieder ongetwijfeld zeer geïnteresserd zijn een boek te leren kennen even kostbaar als buitengewoon. Als men er bovendien aan toevoegde, dat dit boek het meest verspreid is in een groot deel van Europa, dat het sinds eeuwen in de hand is van iedereen, zou de verbazing darover slechts toenemen. En het zou het toppunt zijn als men verzekerde dat nooit iemand heeft vermoed dat het Egyptisch was, dat men het in bezit had zonder het ooit te kennen, dat geen sterveling er ooit nog aan gedacht heeft er ook maar een blad van te ontcijferen; dat de vruchten van een uitnemende wijsheid werden beschouwd als een troep van uitzinnige figuren, die op zichzelf niets te betekenen hadden. Zou men niet geloven dat men zich slechts wilde amuseren met de bijgelovigheid van de uitgevers?
Trouwens, het zijn vooral de Franse onderzoekers geweest, die aan de studie van de Tarot zo'n sterk elan gegeven hebben. Tot de achttiende eeuw werd het spel gezien als een voorstellingswereld uit een barbaarse tijd, vol bijgeloof, een overblijfsel, waarvoor men niet de minste interesse kon opbrengen. Totdat een beroemd geworden geleerde, Court de Gébélin, in 1781 zijn nu nog gelezen werk het licht deed zien: Le Monde Primitif, in negen delen. In het 8e wijdt hij 60 bladzijden aan het tarotspel en zegt er het volgende van. - 'Indien men hoorde verkondigen, dat er in onze dagen een werk der oude Egyptenaren bestaat, een der boeken die ontkwamen aan de vlammen die hun kostbare en prachtige bibliotheken verslonden en die hun leringen bevatten over de zuiverste en belangwekkendste onderwerpen, zou en ieder ongetwijfeld zeer geïnteresserd zijn een boek te leren kennen even kostbaar als buitengewoon. Als men er bovendien aan toevoegde, dat dit boek het meest verspreid is in een groot deel van Europa, dat het sinds eeuwen in de hand is van iedereen, zou de verbazing darover slechts toenemen. En het zou het toppunt zijn als men verzekerde dat nooit iemand heeft vermoed dat het Egyptisch was, dat men het in bezit had zonder het ooit te kennen, dat geen sterveling er ooit nog aan gedacht heeft er ook maar een blad van te ontcijferen; dat de vruchten van een uitnemende wijsheid werden beschouwd als een troep van uitzinnige figuren, die op zichzelf niets te betekenen hadden. Zou men niet geloven dat men zich slechts wilde amuseren met de bijgelovigheid van de uitgevers?
Het is niettemin waar. Dit Egyptische boek, het enig resterende uit hun prachtige bibliotheken, bestaat in onze dagen; niemand tot op heden heeft ooit zijn illustre afkomst vermoed. Dit boek is het TAROTSPEL'. (Vertaald uit het standaardwerk over de Tarot van Oswald Wirth: Le Tarot des imagiers du moyen age. Le Symbolisme, 1927. Ernest Renan, Paris).
De levensboom
De grondslag van de Kabbala wordt uitgedrukt in een ontzaglijk, verheven krachtveld, dat de openbaring is van het ongeopenbaarde, het En Soph. Het wordt genoemd de scheppende zelfopenbaring van het absolute. Het is het uit zichzelf zijnde, de alles in zich bevattende geest waardoor de godheid de schepper is van zichzelf in alles wat werkelijk is.
De totaliteit van deze geestelijkheid wordt voorgesteld als tien krachtbronnen of sferen, lichten of vruchten van de levensboom. Deze heeft zijn wortels in de hemel en zijn kroon op aarde. In deze levensboom zijn de polaire krachten in overeenstemming met elkaar werkzaam van de hoogste tot de laagste. Het is het rijk Gods waarop ieder mens in zich betrokken is. Indien hij de toegang tot deze boom vindt, (die midden in het paradijs staat) betreedt hij daarmede in zijn bewustzijn een harmonisch rijk, waarin geen tegenstellingen op zichzelf bestaan, omdat ze alle met elkaar verzoend zijn.
Er is geen goed en kwaad, geen licht en duisternis, maar bij uitstek het krachtveld waarin ieder leed, ieder conflict, ieder tekort wordt opgeheven.
Dit is geen belofte voor het hiernamaals, maar voor de mens op deze wereld als de grootste onverdeelbare werkelijkheid.
Barend van der Meer

De grondslag van de Kabbala wordt uitgedrukt in een ontzaglijk, verheven krachtveld, dat de openbaring is van het ongeopenbaarde, het En Soph. Het wordt genoemd de scheppende zelfopenbaring van het absolute. Het is het uit zichzelf zijnde, de alles in zich bevattende geest waardoor de godheid de schepper is van zichzelf in alles wat werkelijk is.
De totaliteit van deze geestelijkheid wordt voorgesteld als tien krachtbronnen of sferen, lichten of vruchten van de levensboom. Deze heeft zijn wortels in de hemel en zijn kroon op aarde. In deze levensboom zijn de polaire krachten in overeenstemming met elkaar werkzaam van de hoogste tot de laagste. Het is het rijk Gods waarop ieder mens in zich betrokken is. Indien hij de toegang tot deze boom vindt, (die midden in het paradijs staat) betreedt hij daarmede in zijn bewustzijn een harmonisch rijk, waarin geen tegenstellingen op zichzelf bestaan, omdat ze alle met elkaar verzoend zijn.
Er is geen goed en kwaad, geen licht en duisternis, maar bij uitstek het krachtveld waarin ieder leed, ieder conflict, ieder tekort wordt opgeheven.
Dit is geen belofte voor het hiernamaals, maar voor de mens op deze wereld als de grootste onverdeelbare werkelijkheid.
De regionen waarin het Ik = Anochi uit de lichtwereld van de geest afdaalt tot in de wereld der materie kunnen in ontelbare treden worden onderverdeeld, maar worden samengevat in vier in elkander overgaande en onder elkander staande werelden.
1. Aziluth, de samenvatting van de wereldbeginselen die het dichtste bij de opperste wezenheid staan.
2. Beriah, die de tien oervormen inhoudt van de geschapenheden, alsmede de beginselen van het individuele leven en tegelijk de heilige leer der Thora (de vijf boeken van Mozes) als grondslag van mens en wereld.
3. Jezirah, de wereld der vorming, die de bovenzinnelijke voorbeelden van de materiële wereld in zich bevat, ook de rangen der engelen en de toekomstige gestalten der mensenzielen. Ook zijn er opvattingen, die de werkingsvelden der zeven planeten hiertoe rekenen. En tenslotte:
4. Asijjah, de wereld der materiële vorming, die ook inhoudt de krachten en machten van de onzichtbare fysieke wereld met de daarbijhorende materiële wereld in de veelheid der vormen. In deze openbaringscyclus wordt tevens in de algemene groepering een manlijke en een vrouwelijke zijde, vader en moeder, onderscheiden.
1. Aziluth, de samenvatting van de wereldbeginselen die het dichtste bij de opperste wezenheid staan.
2. Beriah, die de tien oervormen inhoudt van de geschapenheden, alsmede de beginselen van het individuele leven en tegelijk de heilige leer der Thora (de vijf boeken van Mozes) als grondslag van mens en wereld.
3. Jezirah, de wereld der vorming, die de bovenzinnelijke voorbeelden van de materiële wereld in zich bevat, ook de rangen der engelen en de toekomstige gestalten der mensenzielen. Ook zijn er opvattingen, die de werkingsvelden der zeven planeten hiertoe rekenen. En tenslotte:
4. Asijjah, de wereld der materiële vorming, die ook inhoudt de krachten en machten van de onzichtbare fysieke wereld met de daarbijhorende materiële wereld in de veelheid der vormen. In deze openbaringscyclus wordt tevens in de algemene groepering een manlijke en een vrouwelijke zijde, vader en moeder, onderscheiden.
Deze trappen moeten wij leren kennen. Niet slechts in de intellectuele zin, maar wij moeten ze kunnen beleven als toestanden van ons innerlijke leven, waardoor ons denken uit innerlijke noodwendigheid geordend wordt. Hiertoe kan de praktische toepassing der Kabbala ons helpen. Niet alleen het herkennen der letters van het alfabet en de toestanden en levensmogelijkheden, zoals die ons uit de illustraties van de Tarot tegemoet komen, maar ook door de kracht der letters en woorden te leren beleven. Dan vormen de letters van het alfabet een gehel nieuwe weg en kunnen wij ze als krachten leren kennen, die ons met onze afkomst verbinden.
Tenslotte zal blijken dat de werkelijke Kabbala berust op de ervaring van de kracht van het woord, in dit geval ook het woord der overlevering over duizenden jaren.
Tenslotte zal blijken dat de werkelijke Kabbala berust op de ervaring van de kracht van het woord, in dit geval ook het woord der overlevering over duizenden jaren.
Het woord Ik = Anochi houdt vrijmaking, verlossing in. Het bevat in zich alle wetten en geboden die tot de goddelijke oorsprong voeren. En de inhoud ervan leren kennen doet ontdekken dat alle heiligheid die wij in een andere gestalte vereren, in onszelf haar uitgangspunt vindt. Het Al-Ene is Anochi, he enig-werkelijke ik. Ieder mens is in wezen een emanatie van dat oer-Ik, hij is erin geworteld.
Het Ik-is-Een is ondenkbaar. De hoogmoed van het verstand is oorzaak van het gevoel van afgescheidenheid, het neemt de verbinding, het geworteld zijn in het Al-Ene uit het bewustzijn. Daarmee heeft de mens zich van zijn levensbron afgesneden en een tragische levensgang is het gevolg.
Het Ik-is-Een is ondenkbaar. De hoogmoed van het verstand is oorzaak van het gevoel van afgescheidenheid, het neemt de verbinding, het geworteld zijn in het Al-Ene uit het bewustzijn. Daarmee heeft de mens zich van zijn levensbron afgesneden en een tragische levensgang is het gevolg.
Het onaantastbaar Ik dat Anochi genoemd wordt, stralend en goddelijk van natuur, daalt uit Aziluth geleidelijk door tal van werelden af naar de materiële wereld om daar, door het proces der herinnering, een zelfbewustzijn te verkrijgen, maar kan niettemin ook dit zelfbewustzijn weer verliezen in de wereld van Asijjah, de wereld zoals die zich aan onze zintuigen voordoet en waarin de mens onder de wereldhypnose geworden is tot een Ik, dat zich zelfs zijn afkomst niet meer herinnert.
Hij noemt zich Ik in de gewone dagelijkse zin zonder zich er rekenschap van te kunnen geven, dat dit het gebonden aanzicht van het bevrijdende ik is.
Toch gaat het niet aan, het gewone alledaagse ik weg te schrappen en erover te spreken alsof het van geen belang is. Dit ik hebben wij wel degelijk te waarderen, want het is het ik van het lichaam, de materiële verpakking, waarvan Anochi zich op aarde bedienen kan.
In die zin is de mens een surprise die hij zelf moet leren ontdoen van alle bekledingen, die hem naar zijn afkomst onherkenbaar maken, zoals in vele sprookjes verteld wordt.
Anochi is ondeelbaar en waarachtig. Als een mens beweert dat hij bang is of ziek of rusteloos of katterig, is dat niet hij-zelf.
Hij gebruikt het woordje ik uit gewoonte. Het zgn. zieke of angstige ik is een tijdelijke vorm in zijn bewustzijn en daarom niet echt. Het Ik is niet ziek, rusteloos, angstig of bezorgd. Dat kan in de eenheid niet bestaan.
Je kunt Ik niet denken, maar je kunt het zijn en dat is een onvergetelijke belevenis. Het binnengaan in een innerlijk rijk, waarin alle twijfel, die op veelheid berust, alle leed en conflicten, iedere vorm van ellende te boven is gekomen. Om met Pascal te spreken: de misère verkeert in grandeur.
Hij noemt zich Ik in de gewone dagelijkse zin zonder zich er rekenschap van te kunnen geven, dat dit het gebonden aanzicht van het bevrijdende ik is.
Toch gaat het niet aan, het gewone alledaagse ik weg te schrappen en erover te spreken alsof het van geen belang is. Dit ik hebben wij wel degelijk te waarderen, want het is het ik van het lichaam, de materiële verpakking, waarvan Anochi zich op aarde bedienen kan.
In die zin is de mens een surprise die hij zelf moet leren ontdoen van alle bekledingen, die hem naar zijn afkomst onherkenbaar maken, zoals in vele sprookjes verteld wordt.
Anochi is ondeelbaar en waarachtig. Als een mens beweert dat hij bang is of ziek of rusteloos of katterig, is dat niet hij-zelf.
Hij gebruikt het woordje ik uit gewoonte. Het zgn. zieke of angstige ik is een tijdelijke vorm in zijn bewustzijn en daarom niet echt. Het Ik is niet ziek, rusteloos, angstig of bezorgd. Dat kan in de eenheid niet bestaan.
Je kunt Ik niet denken, maar je kunt het zijn en dat is een onvergetelijke belevenis. Het binnengaan in een innerlijk rijk, waarin alle twijfel, die op veelheid berust, alle leed en conflicten, iedere vorm van ellende te boven is gekomen. Om met Pascal te spreken: de misère verkeert in grandeur.
Als een mens zichzelf ontdekt, vindt hij zijn gods-Ik, zijn Anochi. Tot dan toe wist hij alleen maar dat hij bestond en was hem zijn existentie genoeg. Maar het ogenblik dat hij zijn Ik ontdekt, doet hem uit zijn bestaan treden, waardoor de tijd betrekkelijk wordt en de dood op een grimas gaat lijken. Dan herkent hij de situaties van het leven en de symbolen, zoals die zich in de Tarot voor hem weerspiegelen. Hij ontdekt zich als een werkelijkheid, die geworteld is in de al-ene werkelijkheid en zijn bewustzijn krijgt deel aan het universele.
Als de mens op zijn lange levenstocht tenslotte tot zichzelf gekomen is en hij de eenheid van het Ik = Anochi weer heeft ontdekt, ervaart hij daarmede tegelijk de nooit eindigende zegen van de 'achtste dag' en komt hij aan het ogenblik, waarin de zin van het leven voor hem duidelijk is geworden en waar het wezenlijke van mens en wereld aan hem wordt geopenbaard. Hij is door de vier geboortewerelden met hun geschiedenissen heengegaan en is tenslotte vrij geworden van de krachten der 'ontwikkeling', genezen van het vergif van de beet van de slang. Hij beleeft opnieuw de eenheid die verloren was gegaan in de veelheid en daarmede het vermogen in zich om de veelheid tot eenheid te ordenen.
In deze ontdekking van het zelf ligt geen dwang. Het is een verlost worden van alle dwang. Hoewel de lichamelijke toestand een zekere mate van onvrijheid oplegt, kent de innerlijkheid de ruimte, de zaligheid van zijn. Het verlangen naar die vrijheid wordt 'Hithlahaboeth' genoemd, 'het vuur der bezieling'. En als wij beseffen dat ons wezen ons uit het Al-Ene geschonken is, net als alles wat wij bezitten en waarmee wij leven, dan valt de krampachtige angst voor verlies weg.
Het is eenvoudig zo, dat wij natuurlijkerwijze onze begrensde persoonlijkheid leren prijsgeven onder de drang der bewustwording. Onze ontwikkeling voltrekt zich door een voortdurende strijd tussen individualisme en universalisme en naarmate die ontwikkeling voortgaat is een mens genoodzaakt een oplossing te zoeken voor de tegenstellingen die daardoor ontstaan. Een oplossing, die alleen te vinden is in het voortdurend verliezen van zijn leven op weg naar het Al-Ene, d.w.z. de ladder te bestijgen die van de aarde naar de hemel voert.
Het is eenvoudig zo, dat wij natuurlijkerwijze onze begrensde persoonlijkheid leren prijsgeven onder de drang der bewustwording. Onze ontwikkeling voltrekt zich door een voortdurende strijd tussen individualisme en universalisme en naarmate die ontwikkeling voortgaat is een mens genoodzaakt een oplossing te zoeken voor de tegenstellingen die daardoor ontstaan. Een oplossing, die alleen te vinden is in het voortdurend verliezen van zijn leven op weg naar het Al-Ene, d.w.z. de ladder te bestijgen die van de aarde naar de hemel voert.
Het beeld van de 'Schalschaleth ha Kabbala', de keten der overlevering, doet denken aan de droom van Jacob over de hemelladder waarlangs engelen Gods afdalen naar de aarde en weer opstijgen. Het is kenmerkend voor de leer der Kabbala, haar essentie en blijmoedigheid. Zij spoort de mens aan, naar zijn oorsprong te zoeken en doet hem daardoor al meer en meer zichzelf ontdekken. Het belangrijkste daarin is de erkenning van zijn innerlijke en persoonlijke vrijheid, die niemand hem betwisten kan.
Als hij de levende God vindt, verankert hij zijn eigen zijn in het Gods-zijn en beleeft zijn eenheid met de Vader. Het boek de Zohar vertegenwoordigt de opvatting dat dit het eerste gebod van alle is.
Als hij de levende God vindt, verankert hij zijn eigen zijn in het Gods-zijn en beleeft zijn eenheid met de Vader. Het boek de Zohar vertegenwoordigt de opvatting dat dit het eerste gebod van alle is.
Ik is geen ander. Het is de deur tot de eerste en de laatste werkelijkheid, de alfa en de omega, het begin en het einde. De mens heeft Ik ontvangen uit de hand Gods. M.a.w. Ik is eenheidssubstantie en eenheidssubstantie is het licht van de geest. Dat ervaart de mens wanneer hij tegenwoordigheid van geest voelt, niet te intimideren, niet te overheersen, niet te verstoren, maar in innerlijke wilszekerheid zichzelf zijn.
Nee, er is geen ander en wij zoeken altijd een ander. Alles wat wij nodig hebben is in onszelf, maar het is niet zo gemakkelijk deze toestand van zijn te vinden, onveranderlijk en tegelijk werkend zijn. Het heeft te maken met ons echte Ik en niet met schijn-Ik-toestanden, die voorbijgaan.
Nee, er is geen ander en wij zoeken altijd een ander. Alles wat wij nodig hebben is in onszelf, maar het is niet zo gemakkelijk deze toestand van zijn te vinden, onveranderlijk en tegelijk werkend zijn. Het heeft te maken met ons echte Ik en niet met schijn-Ik-toestanden, die voorbijgaan.
Zo gezien is de Kabbala ketters, ofschoon het woord tegenwoordig uit de tijd is. Want het is ketters om de godheid een eenheid toe teschrijven, die onverdeelbaar is en niet anders kan zijn dan zij is.
Er zijn opvattingen, die van God een boze God maken of een straffende oorlogsgod, die mensen vernietigt, die rampen teweegbrengt en zodanig straffen uitdeelt, dat er van het arme mensenkind niets overblijft. Een godheid, die regeert met een ijzeren roede en de wereld tuchtigt, enz.
Die God is de Kabbala onbekend. In de eenheid is niets dat tweeheid, verdeeldheid, leed of ellende, straf of verdoemenis veroorzaken kan. Waar het ene is, kan het andere niet zijn.
De leer van de Kabbala is nergens agressief of afbrekend. Eigenlijk wordt ze bij voortduring gekenmerkt door een groot optimisme, omdat ze steeds wijst op de zegen en het geluk, dat de mens als een verborgen schat in zich omdraagt - maar waarnaar hij in de regel niet omziet.
Er zijn opvattingen, die van God een boze God maken of een straffende oorlogsgod, die mensen vernietigt, die rampen teweegbrengt en zodanig straffen uitdeelt, dat er van het arme mensenkind niets overblijft. Een godheid, die regeert met een ijzeren roede en de wereld tuchtigt, enz.
Die God is de Kabbala onbekend. In de eenheid is niets dat tweeheid, verdeeldheid, leed of ellende, straf of verdoemenis veroorzaken kan. Waar het ene is, kan het andere niet zijn.
De leer van de Kabbala is nergens agressief of afbrekend. Eigenlijk wordt ze bij voortduring gekenmerkt door een groot optimisme, omdat ze steeds wijst op de zegen en het geluk, dat de mens als een verborgen schat in zich omdraagt - maar waarnaar hij in de regel niet omziet.
De zelfkennis, waartoe de Kabbala inleidt, is zodanig, dat het onmogelijk blijkt, deze leer in een machtscentrum te organiseren. Ze maakt de mens alleen aan zichzelf verplicht. Wie het gelukt, een levende verbinding met de al-eenheid te onderhouden, zal bij het bestuderen van de Kabbala ondervinden, dat alle moeilijkheden in het leven niet alleen teruggebracht worden tot een toestand die gedragen kan worden, maar hem bovendien een onuitputtelijke blijmoedigheid verschaffen, die voor hem het bewijs mag zijn, dat hij op de goede weg is. Dat is de grond waarom de godheid niet als een ander wordt beschouwd, niet wordt begrensd in de oneindige ruimte of als een object gezien van universele kwaliteiten, onder te brengen in een systeem.
God is de bron van alle leven, verwekker en onderhouder van alle vormen, die eindeloos in ruimte en tijd worden geschapen en zijn afglans heeft.
Hij is het leven van de onvergankelijke, menselijke kern in de tijdelijke en vergankelijke omhulling.
Als God spreekt: 'Ik ben de eeuwige God, die u uit Egypte heeft weggeleid', slaat dit niet in de eerste plaats op een historische uittocht uit Egypte en het waden door de Rode Zee, maar is dit een uitspraak over de gehele mensheid: dat Hij ons langs de weg van het eigen bloed verlost uit de verduistering waarin wij leven, het materialisme dat ons gevangen houdt.
Hij is het leven van de onvergankelijke, menselijke kern in de tijdelijke en vergankelijke omhulling.
Als God spreekt: 'Ik ben de eeuwige God, die u uit Egypte heeft weggeleid', slaat dit niet in de eerste plaats op een historische uittocht uit Egypte en het waden door de Rode Zee, maar is dit een uitspraak over de gehele mensheid: dat Hij ons langs de weg van het eigen bloed verlost uit de verduistering waarin wij leven, het materialisme dat ons gevangen houdt.
Het is wel te begrijpen, dat de mensen altijd een afgescheidenheid van God maken. Wij weten niet van de alomvattende liefde die Hij is omdat wij ons van die liefde vervreemd hebben. Wij weten evenmin van de bevrijding en het geluk dat ons geschonken wordt, als wij die liefde beantwoorden. Wij gebruiken termen als: 'Neem mij, arme zondaar, aan' of, 'neem mij op in uw rijk', e.d.. Laten wij eindelijk beseffen, dat er een weg is die wij zelf zijn en daardoor ontdekken, dat wij al in Zijn nabijheid komen. Wij zijn het zelf geweest, die ons een slaapdrank toegeëigend hebben en gedronken, waardoor wij zulke wilde en verscheurende dromen dromen. Daarom: het hele bewustzijnsproces is een ontwakingsproces.
Zo leren wij de levende God kennen als een schenker van alle gaven en alle dingen. In Hem is alles wat is. Hij is het woord dat alle dingen maakt en wij zijn het die ons deze dingen van hemel en aarde toeëigenen en vergeten, dat Eén er de gever is en tot Hem alle dingen teruggaan.
Zo leren wij de levende God kennen als een schenker van alle gaven en alle dingen. In Hem is alles wat is. Hij is het woord dat alle dingen maakt en wij zijn het die ons deze dingen van hemel en aarde toeëigenen en vergeten, dat Eén er de gever is en tot Hem alle dingen teruggaan.
Daarom zeggen sommige mensen als zij sterven: in uw handen beveel ik mijn geest. Nog heerlijker is te kunnen zeggen: in uw handen beveel ik mijn geest en alles wat ik heb, iedere dag, ieder uur, ieder ogenblik. Want Hij zegt: al het mijne is het uwe. En wij antwoorden: al het mijne is het uwe. Het betekent, dat Hij ons deel laat krijgen aan alle schatten in de hemel en op aarde.
Dit is natuurlijk geen kwestie van filosofie of denken. Ook kan het onmogelijk een gebod zijn dat men iemand kan opleggen. Zijn innerlijke en persoonlijke vrijheid bestaat juist daarin, dat geen dwang of dreiging gelding voor Hem heeft. Vrijheid als levensinstelling en levensvorm betekent het hoogste geluk.Wanneer een mens de liefde tot het leven, d.i. de liefde tot God gevonden heeft, bepaalt de kracht en diepte van zijn liefde de mate van zijn vrijheid.
Dit is natuurlijk geen kwestie van filosofie of denken. Ook kan het onmogelijk een gebod zijn dat men iemand kan opleggen. Zijn innerlijke en persoonlijke vrijheid bestaat juist daarin, dat geen dwang of dreiging gelding voor Hem heeft. Vrijheid als levensinstelling en levensvorm betekent het hoogste geluk.Wanneer een mens de liefde tot het leven, d.i. de liefde tot God gevonden heeft, bepaalt de kracht en diepte van zijn liefde de mate van zijn vrijheid.
Het is niet te verwachten, dat nu alle mensen deze weg zullen willen bewandelen. Het omwentelingsproces, dat moet worden ondergaan in het van-goeden-wille-zijn, is voor menigeen onbegrijpelijk en vijandig.
Er is een bepaalde instelling nodig, waartoe men dikwijls pas noodgedwongen zijn toevlucht neemt, als zich moeilijkheden voordoen van zo'n ingrijpende aard, dat het verlangen ontstaat, een nieuwe manier van leven te vinden. Dit kan nooit opgedrongen worden.
Het ware zijn is angstloos. Daarom zal het nooit dreigen of verstoring brengen. Het is als een stad op een berg of als een licht op een kandelaar. Een ieder kan het zien als hij wil.
De hele ontwikkelingsgang berust op een wakker worden uit de droom van de nacht waarin wij leven; een gehypnotiseerd worden, zodat er een onvergelijkelijke vertroosting in ligt: een mens te wezen.
Een 'echt' mens is niet een ander en kan ook nooit een ander worden. Hj zal noodwendig moeten worden die hij is al zou het aeonen duren.
Niet de mens is God maar Anochi is iets goddelijks, een vonkje, een emanatie die hij zich als licht bewust kan worden.
Betekent het geen vereenzaming om als een eenheid in de wereld te staan?
Er is een bepaalde instelling nodig, waartoe men dikwijls pas noodgedwongen zijn toevlucht neemt, als zich moeilijkheden voordoen van zo'n ingrijpende aard, dat het verlangen ontstaat, een nieuwe manier van leven te vinden. Dit kan nooit opgedrongen worden.
Het ware zijn is angstloos. Daarom zal het nooit dreigen of verstoring brengen. Het is als een stad op een berg of als een licht op een kandelaar. Een ieder kan het zien als hij wil.
De hele ontwikkelingsgang berust op een wakker worden uit de droom van de nacht waarin wij leven; een gehypnotiseerd worden, zodat er een onvergelijkelijke vertroosting in ligt: een mens te wezen.
Een 'echt' mens is niet een ander en kan ook nooit een ander worden. Hj zal noodwendig moeten worden die hij is al zou het aeonen duren.
Niet de mens is God maar Anochi is iets goddelijks, een vonkje, een emanatie die hij zich als licht bewust kan worden.
Betekent het geen vereenzaming om als een eenheid in de wereld te staan?
Neen, neen, geen vereenzaming maar juist het bewustzijn tot alles en allen te behoren, want alles en allen zijn erin vervat. Als eenheid leeft hij in de eenheid en daarin is iedere afgescheidenheid opgeheven.
Hij kan zich laten misleiden door de razende en bezeten wereld om zich heen. Hij kan, wanneer hij het besef loslaat van Anochi te zijn, weer een prooi worden en zich laten overweldigen, waardoor hij zich jammerlijk overrompeld gevoelt en misleid en juist pas daarin zal hij zich een vereenzaming bewust worden.
Hij kan zich laten misleiden door de razende en bezeten wereld om zich heen. Hij kan, wanneer hij het besef loslaat van Anochi te zijn, weer een prooi worden en zich laten overweldigen, waardoor hij zich jammerlijk overrompeld gevoelt en misleid en juist pas daarin zal hij zich een vereenzaming bewust worden.
In de levenseenheid leven, zichzelf gevonden hebben, de bevrijdende naam beleven is de zin van de Kabbala. Een eenheid in het bewustzijn deelachtig te zijn, die niet verdeeld kan worden, niet vermengd, die geen angst kent en geen verderfelijke misleidende en schrikaanjagende gespletenheden. Het is de voltooiing van wat Jung het individuatieproces noemt, het proces van de zelfwording.
Barend van der Meer
zondag 18 oktober 2009
2. - Oorspronkelijke menselijkheid
Het uiterst subtiele en tegelijk aldoordringende van buiten naar binnen en van binnen naar buiten. Al je zintuiglijkheid verenigt zich in dit aanschouwbare, gevoelbare, hoorbare en zichtbare. Ja, te tasten is het zoals in helder stromende beken het fijne groen op de bodem zich meebeweegt, daarin groeit en leeft en tegelijk ervan omringd, omweefd en omstild wordt. Waarom het een naam geven? Omdat het onuitspreekbaar is? Omdat het door een woord niet te onderbreken is? Omdat het uit zich altijd blijvend is en tegelijk zichzelf in ruimte en tijd vorm verschaft terwijl het zelf niet aan vorm beantwoordt? Geven wij mensen vorm aan het ongevormde?
Willen wij grijpen wat ongrijpbaar is? De heerlijkheid van het leven ademen terwijl we het toch niet 'in kunnen houden'? We noemen het licht, oorsprong, oer-zijn, een werkend eeuwig zijn dat door het mensdom pulseert en dringt of het dompelt in stilte en eeuwigheid en waarvan we in diepste eerbied aanschouwen dat alle geschapenheden er inwonend zijn. Wie en wat zijn wij mensen dat het onnoembare zich woning kan verschaffen in de ziel en zich daar voor altijd richtlijnen schept? Deze formeren zich in ieder mensenkind op geheel eigen wijze tot een lichtgestalte in een niet uit te wissen noch te doorbreken aanwezigheid, uit een substantie die van geen wijken weet en alles doorstaan kan, waar ter wereld ook, in welk een situatie zij zich ook moge bevinden. In de Mahayanaschool heeft men dit het diamanten lichaam genoemd.
Wat dit voor ieder van ons betekent? Lieve lezer, geef zelf het antwoord. Te kunnen vergaan en ontbinden en onderhevig zijn aan vernietiging en lijden en niettemin te beleven dat in ons in onnoemlijke glorie de stralende verrijst. Bedolven onder bloed en tranen, verscheurd in flarden van aanstromende getijen, overweldigd en overgoten door aardsheid, bejegend door miljoenen vloeken en kreten, door haat en barbaarsheden, monsterachtig belasterd, ingehuld geworden in smerigheid en verfoeilijkheid, overheerst door het afzichtelijke en schreeuwlelijke en niettemin verrijst de lichtgestalte overschoon en statieus als een metamorfose, heerlijk en glansrijk, vorstelijk en subliem, etherisch en subtiel in kracht en monumentale majesteit. Welk een triomf op de waanzin van het lijden. welk een doorlichtende zegepraal van het leven op het lijk en zijn verrotting.
Dit is de glorie van de dageraad die altijd over de aanstormende nachten zegeviert. Het is de lichtende stilte over de aarde en hemel, het eeuwig ongeboren zijnde, ons aller moeder.
Wat dit voor ieder van ons betekent? Lieve lezer, geef zelf het antwoord. Te kunnen vergaan en ontbinden en onderhevig zijn aan vernietiging en lijden en niettemin te beleven dat in ons in onnoemlijke glorie de stralende verrijst. Bedolven onder bloed en tranen, verscheurd in flarden van aanstromende getijen, overweldigd en overgoten door aardsheid, bejegend door miljoenen vloeken en kreten, door haat en barbaarsheden, monsterachtig belasterd, ingehuld geworden in smerigheid en verfoeilijkheid, overheerst door het afzichtelijke en schreeuwlelijke en niettemin verrijst de lichtgestalte overschoon en statieus als een metamorfose, heerlijk en glansrijk, vorstelijk en subliem, etherisch en subtiel in kracht en monumentale majesteit. Welk een triomf op de waanzin van het lijden. welk een doorlichtende zegepraal van het leven op het lijk en zijn verrotting.
Dit is de glorie van de dageraad die altijd over de aanstormende nachten zegeviert. Het is de lichtende stilte over de aarde en hemel, het eeuwig ongeboren zijnde, ons aller moeder.
Dit openbaringsfeest heeft zijn oorsprong genomen in de diep verborgen geesteskern die in de ziel aanwezig is. Daaraan heeft de mens de geboorte van zijn zelfbewustzijn te danken waardoor hij de vrijheid heeft te kiezen waarmede hij het wil vervullen. Zodra hij echter, al is het maar in een flits deel krijgt aan de onverklaarbare kracht, blijft het onvergetelijk en werkt dit als een steeds weer terugkerende herinnering, waarvan het verlangen tot wederbeleving zo sterk kan worden, dat hij willens en wetens op weg geraakt is naar het eeuwig levende.
Dit onnoembare is niet eenzijdig man. Het is man en vrouw in een eeuwig verenigd polair krachtveld verbonden, een krachtveld van de grootste dynamische 'geladenheid', onuitputtelijk in het ondoorgrondelijk zijn tot lichtstraling, vormgeving en openbaring van zichzelve, voor de mensen in woord, getal en innerlijke vorming, zich mededelend door alle tijden met onnoemlijke liefde en geduld, goedheid en mildheid als verlossingskracht aan allen die van goeden wille zijn.
Het is te allen tijde onmogelijk en getuigend van de grootste hoogmoed deze omnipotentie en ééngeborene voor alle eeuwigheid te ontkennen en zich te blijven afsluiten voor het innig en oermenselijke waaraan tenslotte niemand ontkomt.
Waarom zou een mens geen menselijkheid in zich ontdekken kunnen en wie kan hem dat ontzeggen ook al leidt hij nog zo'n verloren en vernietigend leven omdat hij de buit is van de machten der vernietiging en ontkenning? De mensen hebben geen idee wat zij doen als zij met hun affectbeladen gedachten ondoordringbare barricades opbouwen die hen van hun oorsprong afscheiden en waardoor zij zich godloochenaars noemen. Toch is er altijd wel een straaltje menselijkheid en dat verhindert ons tot een vernietigend oordeel.
Dit onnoembare is niet eenzijdig man. Het is man en vrouw in een eeuwig verenigd polair krachtveld verbonden, een krachtveld van de grootste dynamische 'geladenheid', onuitputtelijk in het ondoorgrondelijk zijn tot lichtstraling, vormgeving en openbaring van zichzelve, voor de mensen in woord, getal en innerlijke vorming, zich mededelend door alle tijden met onnoemlijke liefde en geduld, goedheid en mildheid als verlossingskracht aan allen die van goeden wille zijn.
Het is te allen tijde onmogelijk en getuigend van de grootste hoogmoed deze omnipotentie en ééngeborene voor alle eeuwigheid te ontkennen en zich te blijven afsluiten voor het innig en oermenselijke waaraan tenslotte niemand ontkomt.
Waarom zou een mens geen menselijkheid in zich ontdekken kunnen en wie kan hem dat ontzeggen ook al leidt hij nog zo'n verloren en vernietigend leven omdat hij de buit is van de machten der vernietiging en ontkenning? De mensen hebben geen idee wat zij doen als zij met hun affectbeladen gedachten ondoordringbare barricades opbouwen die hen van hun oorsprong afscheiden en waardoor zij zich godloochenaars noemen. Toch is er altijd wel een straaltje menselijkheid en dat verhindert ons tot een vernietigend oordeel.
Aldus is de ééngeborene: vader-man en moeder-vrouw. Tot vader-moeder wordt de eros, de vuurkracht van de slang kundalini geheel en al vergeestelijkt en maakt plaats voor een positief werkzaam scheppend vermogen dat het stempel van zijn hoge afkomst dragen gaat. Het is op deze wijze te benaderen dat de ééngeborene tegelijk twee is. Deze twee zijn in enen drie. Zoals elektriciteit en lamp met elkaar verenigd zijn in licht.
Hier is een mysterie. Aanbidt het in de geest en het zal met grote liefde tot ons komen. Het zal binnengaan in het licht van onze geest en daardoor in dit licht een geboorte verwekken. Want de geestesvonk die een ieder mensenkind in zich omdraagt is het zaad dat bevrucht wordt. Daarom is gesproken over de geboorte van de zoon. De stal, de schuur, de werkplaats, de tempel van het lichaam. De onbevlektheid van de moeder, die het aanzijn schenkt aan de onaantastbaarheid van de zoon.
Dan wordt de geest tot heilige geest. Op die wijze wordt God de Vader van zichzelf in de mens en maakt zich kenbaar in de herstelde gestalte der menselijke individualiteit, in kracht, licht en waarheid. We gaan de mens Jezus in een nieuw licht zien omdat hij de Zoon vertegenwoordigt en uit liefde bewogen tot zijn medemensen kwam om hen aan deze afkomst te herinneren. En ofschoon de mensen enerzijds zijn onoverwinlijke kracht ondergingen en zijn liefde moesten erkennen, was deze aanschouwing veel te groot voor hen om dit te kunnen bevatten, zodat veel van zijn leven in mythe werd gekleed. Daardoor gingen zij hem als een god vereren en hielden zich op mythische afstand van hem omdat zij zich niet konden realiseren hoe dit liefdevermogen zich ook aan hen kon voltrekken, al was het maar gradueel. In hem verscheen ons de oorspronkelijke mens die geen deel had aan enige hoogmoed noch afgescheidenheid. Deze zijn des te sterker naarmate de angst onze vermeende veiligheid te moeten verliezen groter is. Uit deze angst ontstaat de weerzin tegen geestelijke waarden. De mensen zijn dikwijls geneigd eigen onmacht en onvermogen op zulke waarden te projecteren waardoor ze een waardeloos aanzicht krijgen. Vandaar de leus: God is dood.
Hier is een mysterie. Aanbidt het in de geest en het zal met grote liefde tot ons komen. Het zal binnengaan in het licht van onze geest en daardoor in dit licht een geboorte verwekken. Want de geestesvonk die een ieder mensenkind in zich omdraagt is het zaad dat bevrucht wordt. Daarom is gesproken over de geboorte van de zoon. De stal, de schuur, de werkplaats, de tempel van het lichaam. De onbevlektheid van de moeder, die het aanzijn schenkt aan de onaantastbaarheid van de zoon.
Dan wordt de geest tot heilige geest. Op die wijze wordt God de Vader van zichzelf in de mens en maakt zich kenbaar in de herstelde gestalte der menselijke individualiteit, in kracht, licht en waarheid. We gaan de mens Jezus in een nieuw licht zien omdat hij de Zoon vertegenwoordigt en uit liefde bewogen tot zijn medemensen kwam om hen aan deze afkomst te herinneren. En ofschoon de mensen enerzijds zijn onoverwinlijke kracht ondergingen en zijn liefde moesten erkennen, was deze aanschouwing veel te groot voor hen om dit te kunnen bevatten, zodat veel van zijn leven in mythe werd gekleed. Daardoor gingen zij hem als een god vereren en hielden zich op mythische afstand van hem omdat zij zich niet konden realiseren hoe dit liefdevermogen zich ook aan hen kon voltrekken, al was het maar gradueel. In hem verscheen ons de oorspronkelijke mens die geen deel had aan enige hoogmoed noch afgescheidenheid. Deze zijn des te sterker naarmate de angst onze vermeende veiligheid te moeten verliezen groter is. Uit deze angst ontstaat de weerzin tegen geestelijke waarden. De mensen zijn dikwijls geneigd eigen onmacht en onvermogen op zulke waarden te projecteren waardoor ze een waardeloos aanzicht krijgen. Vandaar de leus: God is dood.
De vormen die uit het innerlijk verrijzen naarmate de 'kracht en de heerlijkheid en het koninkrijk' sterker in ons werkzaam zijn, worden in de loop der tijden als onvergankelijk aangeduid. Zij zijn getuigenissen van de eeuwige werkelijkheid die een niet te stuiten drang doet ontstaan naar openbaarheid. Indien een mens zich innerlijk daartoe voorbereid en naar eigen wil en keuze in zijn ziel geneigd is die verlossing en grote verandering te zoeken, krijgt hij ongetwijfeld deel aan die wonderbaarlijke ontvouwing. Daarin ligt de ondervinding van al het gevormde en geschapene. Hij beleeft daarin zijn vorming op een voortdurende zichzelf scheppende wijze, een groeiproces dat zich langs eindeloos vele treden uitstrekt. Dit proces ontdekt hij als zijn eigenlijke levensgang. Alles behoort erbij. Hij wordt op deze aanvankelijk moeizame tocht voortdurend bijgestaan op een wijze die nooit opdringerig of niet-gewild is. Het gebeurt eenvoudig. Ook de langere of kortere onderbrekingen van leegte en stilte behoren er toe.
Deze innerlijke helpende krachten der ziel doen in hem zelf de schepping en beweging ontstaan waarin de schepper in zijn machtige werking wordt ervaren als het zich vormende in al het geschapene. Het tijdelijke leven, de opbouw en afbraak der verschijnselen wordt dan gezien als een onophoudelijke wereld van gevolgen die ondergeschikt is aan het blijvende en ononderbroken leven dat zich in die tijdelijke verschijningen verbergt. Het ware kenmerk van het echte leven is aldus het blijvende in het vergankelijke leven.
Zo is het dus voor het mensenkind te beleven dat alle ellende, welke ook, van ondergeschikt belang wordt zodra het bewustzijn geopend is voor het opperste meesterschap der al-voorzienigheid. Dit kan voor ieder mens in zichzelf gebeuren zodra hij het werkelijk wil en kiest. Het willen is hier geen affect meer maar een zelfkracht als een uitgemaakte zaak. Dan zal zich zijn werkende geloof voortdurend vernieuwen en versterken, waarin tegelijk de ervaring begrepen is van het één-zijn, waarin het beginsel van het alomvattende is gelegen.
Deze innerlijke helpende krachten der ziel doen in hem zelf de schepping en beweging ontstaan waarin de schepper in zijn machtige werking wordt ervaren als het zich vormende in al het geschapene. Het tijdelijke leven, de opbouw en afbraak der verschijnselen wordt dan gezien als een onophoudelijke wereld van gevolgen die ondergeschikt is aan het blijvende en ononderbroken leven dat zich in die tijdelijke verschijningen verbergt. Het ware kenmerk van het echte leven is aldus het blijvende in het vergankelijke leven.
Zo is het dus voor het mensenkind te beleven dat alle ellende, welke ook, van ondergeschikt belang wordt zodra het bewustzijn geopend is voor het opperste meesterschap der al-voorzienigheid. Dit kan voor ieder mens in zichzelf gebeuren zodra hij het werkelijk wil en kiest. Het willen is hier geen affect meer maar een zelfkracht als een uitgemaakte zaak. Dan zal zich zijn werkende geloof voortdurend vernieuwen en versterken, waarin tegelijk de ervaring begrepen is van het één-zijn, waarin het beginsel van het alomvattende is gelegen.
Zo maakt de godheid de innerlijke ruimte der ziel tot zijn woning en wordt de tijd een voortdurend geschieden in openbaarheid. Wat wil de mens toch dat bij hem zijn intrek neemt? Er zijn velen die hun woning afstaan aan 'beesten en woude-ezelen'.
Het is niet moeilijk zich voor te stellen indien we tot oorspronkelijke menselijkheid gaan komen, hoe we door het innerlijk licht waaraan we deel krijgen in en met elkander gaan leven. Hoe het er in onze wereld ook uitziet en welk een misleidende indrukken en sensaties we ook ontvangen, waardoor menig vertrouwen in zichzelf steeds weer wordt geschokt en ondermijnd, toch is er die innerlijke gemeenschap van geestverwanten die niet uiterlijk georganiseerd hoeven te zijn maar waardoor en waarin wij elkander leven en aan elkander deel hebben en op die wijze het zout der aarde vormen. Dit geeft aan het leven der mensheid een onvernietigbare waarde. Want naarmate we vorderingen op die weg maken zullen onze persoonlijke belangen al meer en meer ondergeschikt worden aan die universele waarden die uit de goddelijke bron vloeien waaruit de mensheid wordt gespijzigd en voorzien.
Daardoor is te begrijpen dat het koninkrijk nabij gekomen is, dat het er alreeds is, meer dan ooit eerder, en het door innerlijke ogen herkend gaat worden. Dit is geen hoop of belofte voor de toekomst maar een mens kan nu reeds deel krijgen aan dat lichtrijk omdat zijn eigen goedgezinde wil hem daarheen leidt. De ontdekkingen langs die weg zijn zeer vele en de merktekenen onuitwisbaar. Er zouden dikke boeken over geschreven kunnen worden zonder dat men ooit uitgesproken is. Want zoals in het onnoemlijk kleine het atoom als een wentelend lichaam is samengesteld en wij dit langs chemisch wiskundige weg vermogen te ontdekken, evenzeer leren wij op innerlijke wijze de structuur van het zieleleven kennen en de lichtfijnheid van onmeetbaar uiterst subtiele frequenties. Deze gewaarwordingen en waarnemingen leiden tot de erkenning van het uitkristalliseren van het geestelijk middelpunt in de ziel tot een geometrisch twaalfvlak, de dodekaëder. Het Griekse hedra betekent zowel zetel als grondvlak. Ook het woord kathedraal duidt op een (bisschops-)zetel , de zetel nl. in de tempel. Het woord katheder krijgt daardoor een bijzondere waarde. En alhoewel de dodekaëder als twaalfvlak twaalf werkingsvelden vertegenwoordigt, een twaalftal waaraan we op vele manieren telkens weer herinnerd worden, is het toch de dertiende, de ene, die aan de twaalven uitdrukking, licht, verlossende liefde en kracht verleent, de ENE die hen allen omvat.
Het is niet moeilijk zich voor te stellen indien we tot oorspronkelijke menselijkheid gaan komen, hoe we door het innerlijk licht waaraan we deel krijgen in en met elkander gaan leven. Hoe het er in onze wereld ook uitziet en welk een misleidende indrukken en sensaties we ook ontvangen, waardoor menig vertrouwen in zichzelf steeds weer wordt geschokt en ondermijnd, toch is er die innerlijke gemeenschap van geestverwanten die niet uiterlijk georganiseerd hoeven te zijn maar waardoor en waarin wij elkander leven en aan elkander deel hebben en op die wijze het zout der aarde vormen. Dit geeft aan het leven der mensheid een onvernietigbare waarde. Want naarmate we vorderingen op die weg maken zullen onze persoonlijke belangen al meer en meer ondergeschikt worden aan die universele waarden die uit de goddelijke bron vloeien waaruit de mensheid wordt gespijzigd en voorzien.
Daardoor is te begrijpen dat het koninkrijk nabij gekomen is, dat het er alreeds is, meer dan ooit eerder, en het door innerlijke ogen herkend gaat worden. Dit is geen hoop of belofte voor de toekomst maar een mens kan nu reeds deel krijgen aan dat lichtrijk omdat zijn eigen goedgezinde wil hem daarheen leidt. De ontdekkingen langs die weg zijn zeer vele en de merktekenen onuitwisbaar. Er zouden dikke boeken over geschreven kunnen worden zonder dat men ooit uitgesproken is. Want zoals in het onnoemlijk kleine het atoom als een wentelend lichaam is samengesteld en wij dit langs chemisch wiskundige weg vermogen te ontdekken, evenzeer leren wij op innerlijke wijze de structuur van het zieleleven kennen en de lichtfijnheid van onmeetbaar uiterst subtiele frequenties. Deze gewaarwordingen en waarnemingen leiden tot de erkenning van het uitkristalliseren van het geestelijk middelpunt in de ziel tot een geometrisch twaalfvlak, de dodekaëder. Het Griekse hedra betekent zowel zetel als grondvlak. Ook het woord kathedraal duidt op een (bisschops-)zetel , de zetel nl. in de tempel. Het woord katheder krijgt daardoor een bijzondere waarde. En alhoewel de dodekaëder als twaalfvlak twaalf werkingsvelden vertegenwoordigt, een twaalftal waaraan we op vele manieren telkens weer herinnerd worden, is het toch de dertiende, de ene, die aan de twaalven uitdrukking, licht, verlossende liefde en kracht verleent, de ENE die hen allen omvat.
Ook hier te denken aan de twalf Vaderen, die de werkingsvelden zijn der Al-Ene godheid, machten die zich aan de mens kunnen openbaren volgens de hem oer-eigen, dus individuele aanleg. Deze mogelijkheden zijn sinds onheuglijke tijden aan het firmament in vermythologiseerde sterrenconstellaties geprojecteerd. Het is dus niet helemaal juist wat onlangs een psychiater antwoordde op de vraag waarom de astrologie tegenwoordig weer zo'n grote opgang maakte. Er zijn in mens en mensheid merkwaardige verknopingen die mede toegeschreven worden aan de stand der sterretekens waardoor velen gedreven worden tot de bestudering ervan. Dit feit berust niet enkel op de onrust en twijfel in de mens zoals de geleerde heer het uitlegde.
Maar er is wel degelijk een sterke verbinding, een weg waarlangs inzicht gezocht wordt met genoemde werkingsvelden, waarvan de waarden wel vermoed, maar niet altijd bevestigd kunnen worden omdat men in die materie dieper moet gaan graven.
Dan is er het Nieuwe Jerusalem, de gouden stad en zijn twaalf poorten, zijn maten als twaalf duizend stadiën en 144 = 12 x 12 ellen. Dit laatste, minus de maat eens mensendie een engel was (alpha = 1). Dus 143 = he doxa = de uitstraling, enz.
Verder te denken aan de twaalf uren van de dag en de nacht, aan de twaalf apostelen en de twaalf stammen Israëls. Ook de twaalf verspieders van Mozes die het volk voorgingen naar Kanaän is hier merkwaardig.
De twaalf werkingsvelden blijven verenigd in de Ene, deze is de dertiernde. Uit de twaalf vaderen ontstaat een veel-eenheid, die tot de al-eenheid te herleiden is. In de Tao Te Tsjingwordt gevraagd: en waartoe herleid men dan de eenheid? Antwoord: Tao. Want Tao dat gezegd kan worden is niet het eeuwige Tao.
Het ligt voor de hand dat de mensen in een god geloofden in de loop der eeuwen waarop zij hun eigen zwakheden, angsten en menselijke hartstochten hebben geprojecteerd. Alleen worden deze menselijke eigenschappen dan ongemeen vergroot, ja hemels en heelal omvattend. Zo zijn er opvattingen dat God in toorn ontsteekt om de alledaagse armemensenzonden of dat Hij een wreker zou zijn die de bozen straft en de goeden zegent. Of Hij wordt voorgesteld als een gewelddadige tiran die de vinger legt op onze misdaden en tekorten en tekeer kan gaan als een leeuw. Wie durft te zeggen dat God lacht en in een onnoemlijke vreugde leeft? Dit wordt Hem van de zijde der mensen onmiddellijk zeer kwalijk genomen, want hoe kan een god lachen bij zoveel treurigheid. Het komt dat de smart zo tiranniek is en geen lach duldt. Waar is dat we van de vreugde Gods nog niet zoveel verdragen kunnen. Niet voor niets is het licht met een kaars vergeleken dat men dan alleen niet onder een korenmaat zet, maar op een kandelaar. Onze ogen moeten wennen aan meer kaarsen. Het altaar in ons binnenste leven wemelt van kaarsen en bloemen. Welk een vreugde de eerste te ontdekken.
Deze brief eindig ik met onvergetelijke regels van twee dichters die het lachen der ziel bezongen en de blijheid van hun geliefde, Hafis en Suleika, Dante en Beatrice:
Ik ben maar een arm lampje,
Schemerend in duistere nacht;
Gij zijt de lichte morgenpracht
Opstralend in azuren hemel.
Gij, straal slechts, schitter!
Ofschoon voor uw aangezicht
Het oog van het arme lampje breekt,
Ik beef echter niet en vrees niet;
Gij alleen licht!
En ik verga zo gaarne in uw gloed.
Het Duits van Daumer luidt:
Ich bin ein armes Lämpchen nur,
Ein dämmerndes in dunkler Nacht;
Du bist die lichte Morgenpracht
Aufstrahlend im Azur.
Du strale nur, du prange nur!
Wiewohl vor deinem Angesicht
Des armen Lämpchens Auge bricht,
Ich behe nicht, ich bange nicht;
Du leuchte nur,
Und ich vergehe gern in deinem Licht.
(G. Fr. Draumer - Hafis, Jena)
Ik vestigde mijn ogen weer op de ogen
Van Beatrice, en tevens mijn gedachte,
En had tot andere aandacht geen vermogen.
En zij glimlachte niet, maar: Als ik lachte
Begon ze, zou 't u anders niet gedijen
Als Semele toen ze het vuur niet achtte,
Daar toch mijn schoonheid op de galerijen
Van 't hemelse paleis (naar gij bemerkte)
Stijgende, al minder het stralen kan vermijen.
En mits getemperd groeit tot zulk een sterkte
Dat zij, als bliksem vallende in 't gebladert,
De ondergang van uw sterfelijkheid bewerkte.
(Dante: Goddelijke Komedie 21e zang - in de vertaling van A. Verwey)
Barend van der Meer
De originele tekst van Dante luidt:
Già eran li occhi miei rifissi al volto
de la mia donna, e l'animo con essi,
e da ogne altro intento s'era tolto.
E quella non ridea; ma «S'io ridessi»,
mi cominciò, «tu ti faresti quale
fu Semelè quando di cener fessi;
ché la bellezza mia, che per le scale
de l'etterno palazzo più s'accende,
com'hai veduto, quanto più si sale,
se non si temperasse, tanto splende,
che 'l tuo mortal podere, al suo fulgore,
sarebbe fronda che trono scoscende.
de la mia donna, e l'animo con essi,
e da ogne altro intento s'era tolto.
E quella non ridea; ma «S'io ridessi»,
mi cominciò, «tu ti faresti quale
fu Semelè quando di cener fessi;
ché la bellezza mia, che per le scale
de l'etterno palazzo più s'accende,
com'hai veduto, quanto più si sale,
se non si temperasse, tanto splende,
che 'l tuo mortal podere, al suo fulgore,
sarebbe fronda che trono scoscende.
In de wil tot licht is licht
In de wil tot licht is licht.
In de wil tot kracht is kracht.
In de wil tot leven is leven.
Ik wil het licht, de kracht en het leven.
Geef deze wil nooit prijs. Ook voor de dood niet.
Zeg nooit tot de dood: ik wil niet meer leven.
Zeg tot hem: ik leef en blijf leven en laat dit niet onderbreken.
Er is 'een weinig levens' in de mens waarover de dood geen macht heeft.
Ge kunt het gewaarworden in uw eigen binnenste.
Het is het zelf, het ik zijner ondeelbaarheid, zijn individualiteit.
Het is het zegel Gods, het stempel der gezalfdheid. Natuurlijk is het een geschenk,
ge krijgt het uit liefde geschonken en kunt het alleen in liefde ontvangen.
Het ligt op u te wachten. Maar wil dan ook niets anders.
Er is veel dat wij moeten en weinig dat wij willen.
Er is veel dwang in begeren en verlangen
en weinig vrijheid nog tot willen uit eigen beweging.
Toch is dit er ieder ogenblik, ieder ogenblik; nu als u dit leest is het er.
Kies het voor altijd en eeuwig. Kies het.
Het is het schoonste kleinood dat eeuwen voor u bewaard werd
en dat u ontvangt uit de hand van de levende God.
Kies het. Het maakt u een met Hem.
Hoe subtiel is het. Maar hoe krachtig, hoe onverbrekelijk.
Het laat zich gemakkelijk overstemmen door al het andere,
maar het kan niet overstemd blijven.
Ge kunt het horen als een ruisen van stilte.
Maak ruimte in uw lichaam, ruimte in uw ziel.
Iedere golflengte vraagt zijn eigen ruimte.
Luister in stilte en het lied des Heren zal in u aanstemmen
en uit die fijne snaar zal de klank opwaarts stromen
en de hele harp in beweging brengen
en uw gemoed zal tenslotte bespeeld worden met die klanken die de uwe zijn
en trillen door alle ruimten Gods.
Van binnen uit zullen zij opstijgen tot steeds wisselende akkoorden
in een overschoon lied en alles in u zal er naar luisteren
hoe licht en zang zich verenigen in één melodie,
overstromend van volheid en vervulling,
die beantwoordt aan een vreugde en lieflijkheid die geen naam kan aanduiden.
En alle donders en bliksems zullen gehoorzamen aan dit lied ten leven.
En alle lijden en alle smarten zullen aflaten
het kostelijk instrument voor zich op te eisen,
waardoor de dissonanten wegsterven.
En het gehele lichaam zal tot klankbodem worden van dit hoge lied,
dat oprijst uit man en vrouw, hoog en laag, licht en duisternis, Yang en Yin
en de mensen een plaats geeft in eenheid en verzoening.
Dan begint een nieuwe weg op aarde zich duidelijker af te tekenen.
De weg is er, de zilveren lichtweg tot een gouden en stralende bestemming
die de miljarden omsloten houdt
in licht en kracht, in liefde en verlossing.
Barend van der Meer
Abonneren op:
Posts (Atom)